Door:
Marc Broere
Marc Broere

16 februari 2018

Categorieën

Tags

Hoewel we mooie termen als internationale samenwerking hebben bedacht, blijft ongelijkwaardigheid tussen donor en ontvanger de rode draad binnen ontwikkelingssamenwerking. Daarom moet je altijd extra beducht blijven voor excessen, schrijft Marc Broere in zijn Vrijdagmiddagborrel.

Als jonge journalist schreef ik in december 1993 een stuk over een wereldwijde primeur die Nederland zou krijgen, namelijk een gedragscode voor ontwikkelingswerkers. Het was een initiatief van Cees Hamelink, voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Cultuur en Ontwikkeling en hoogleraar Internationale Massacommunicatie in Amsterdam.

Op zijn werkkamer aan de UvA opende Hamelink het interview met klare taal: ‘De projectmedewerker mag dan wel een machtige donororganisatie vertegenwoordigen, eigenlijk is hij maar een eenvoudige technicus of verpleger. De bescheidenheid die daar bijhoort, vind je in een ontwikkelingsland niet meer terug. Hoe vrijgevochten zo’n ontwikkelingswerker ook is, in Nederland gaat bij een bezoek aan premier Lubbers het nette pak of de rok aan. Dit gedrag verdwijnt opeens wanneer het gaat om mensen van een andere cultuur. Wanneer de minister of hoge ambtenaar zwart is, kun je kennelijk wél een spijkerbroek met T-shirt of zelfs een korte short aantrekken. Je moet niet verbaast zijn als de minister of de lokale districtsbestuurder dit zal interpreteren als racisme en dat is het ook. Het is pure minachting.’

In de gedragscode die Hamelink en zijn collega’s hadden opgesteld stonden talloze richtlijnen. Zo mocht de ontwikkelingswerker geen contracten aannemen voor activiteiten waarvoor hij of zij niet over de benodigde kennis of informatie beschikte, mocht hij of zij geen kennis overdragen die in de lokale omstandigheden niet toepasbaar is en moest hij of zij accepteren dat de lokale partnerorganisatie het raamwerk van het project bepaalt. Bijzonder aan de code was ook dat de ontwikkelingswerker niet alleen aanspreekbaar was tijdens het werk, maar ook in zijn of haar vrije tijd. Hamelink had opgeschreven: ‘De levensstijl van de ontwikkelingswerker mag de relatie met zijn lokale collega’s niet blokkeren en ook niet aanstootgevend en beledigend zijn in de context van de lokale cultuur.’

Mijn interview dat in het maandbad OnzeWereld werd gepubliceerd, haalde de voorpagina van De Telegraaf. ‘Ontwikkelingswerkers misdragen zich’, stond in vette letters boven het korte nieuwsbericht, waarin een drietal citaten van Hamelink volledig uit de context waren gehaald. Ook de eindredacteur van OnzeWereld zelf had een kop boven het artikel gezet die de lading niet dekte (Code voor wangedrag en incompetentie) en er een foto en een tekening bij geplaatst die zeer tendentieus waren. Geschrokken van de negatieve publiciteit trokken de organisaties die al aan boord waren en de gedragscode zouden ondertekenen -SNV, Artsen zonder Grenzen en de toenmalige vier medefinancieringsorganisaties (Novib, ICCO, Hivos en Cordaid)- zich terug en stierf het idee een stille dood.

Lessen uit Oxfam

Ik moest aan dit verhaal denken toen afgelopen week alle commotie rondom de Britse afdeling van Oxfam uitbrak. Hoewel de verhalen over de seksfeesten met (wellicht minderjarige) prostituees van een geheel andere orde zijn dan de vraag of je wel of geen nette kleren aantrekt naar een belangrijk gesprek, vroeg ik me af of dit te voorkomen was geweest met een gedragscode. Ik denk het eerlijk gezegd niet omdat het hier om dusdanige excessen gaat dat dit type mensen zich door geen enkele code had laten beteugelen. Aan de andere kant: met een gedragscode zou de betreffende hoofdpersoon uit België na de eerste verhalen over misbruik (al in 2004 in Liberia) waarschijnlijk nooit meer door Oxfam voor nieuwe opdrachten in dienst zijn genomen.

Ik denk echter wel dat er een paar lessen getrokken kunnen worden uit wat afgelopen week naar buiten is gekomen. In de eerste plaats besloot het Britse Oxfam de misdragingen wel thuis in Engeland te melden, maar niet aan de Haitiaanse autoriteiten. Dit omdat Oxfam dacht dat het wettige gezag hier toch niks mee zou doen. Ik vind dit een principieel foute gedachte die ook in strijd is met de grondbeginselen van internationale samenwerking. Je geeft als machtige NGO namelijk het signaal af dat je vindt dat je boven de lokale wet staat, terwijl een van de belangrijkste uitgangspunten van dit werk nu juist is dat je lokale capaciteit versterkt. Dat begint in ieder geval met het serieus nemen van de lokale autoriteiten. Oxfam ontnam nu bovendien de wettige autoriteiten de mogelijkheid om uit te zoeken of er strafbare feiten waren gepleegd, zoals in dit geval misschien seks met minderjarigen.

De tweede les is natuurlijk dat je altijd zelf direct openheid moet geven over wat er gebeurd is. Maak niet de naïeve fout om te denken dat dingen zullen overwaaien, maar voer zelf de regie. Dat hebben we deze week ook weer gezien rondom het aftreden van minister Halbe Zijlstra. Uiteindelijk komt de waarheid altijd wel naar boven.  Communiceer dus ook zelf actief wat misgaat, en al helemaal als er excessen plaatsvinden, en laat vervolgens zien hoe je hebt opgetreden en hoe je dit soort dingen in de toekomst gaat proberen te voorkomen. Juist in een sector die zo onder een vergrootlas ligt bij sommige politieke partijen en die moet opboksen tegen de (deels zelf gecreëerde) verwachting dat ieder project moet slagen, is dit extra van belang.

Bijzondere sector

Hoewel het afgelopen week om extreme excessen ging, waarbij een paar mensen het imago van de hele internationale samenwerking en hulpverlening in diskrediet brachten, is het ook goed om ons te blijven realiseren dat we het hier over een bijzondere sector hebben die in een aantal opzichten niet vergelijkbaar is met andere beroepsgroepen. We hebben het hier over een werkveld waarin ongelijkwaardigheid in relaties tussen mensen en organisaties misschien wel de rode draad vormt.

Hoewel we prachtige termen hebben bedacht over internationale samenwerking en we ons onderdompelen in politiek correcte leuzen ( ‘de stem van het Zuiden moet gehoord worden’), blijft zowel humanitaire hulp als ontwikkelingssamenwerking in de kern een relatie tussen donor en ontvanger, en dat in gebieden waar vaak extreme armoede of zelfs een humanitaire crisis heerst; een relatie tussen mensen mét geld en mensen zonder geld.

Als vertegenwoordiger van een donororganisatie heb je macht en word je vaak op een voetstuk geplaatst. Je moet sterk in je schoenen staan om daar op een goede manier mee om te gaan. Net zo belangrijk is de vraag hoe je buiten werktijd met je positie omgaat. De verleidingen en valkuilen van het expatleven zijn groot, zeker ook in interculturele relaties. Ik heb met een zekere regelmaat vooral jonge mensen gezien die vol idealisme werden uitgezonden naar een Afrikaans land, maar die zich binnen afzienbare tijd hadden ondergedompeld in een cocon van dat hippe expatleven in Kampala of Nairobi. Opeens hou je er een levensstijl op na die ondenkbaar zou zijn in Amsterdam of elders in Nederland. Het maakt mensen er doorgaans niet leuker op.

Juist in een sector als deze is het inbouwen van checks and balances heel belangrijk. Directeur Bart Romijn van Partos pleitte deze week in een column voor het instellen van een lokale ombudsman in gebieden waar noodhulporganisaties actief zijn. Dat vind ik een uitstekend idee. Ik zou het niet alleen tot de wereld van de noodhulp willen beperken, maar ook de wereld van de structurele hulp erbij betrekken. Daar heb je denk ik minder excessen dan in noodhulpsituaties, maar zijn de onderliggende mechanismen van ongelijkwaardigheid misschien nog wel sterker.

Tot slot wil ik me toch nog even richten tot de mensen van OxfamNovib in Den Haag en hen een hart onder de riem steken. Ik kan me zo goed voorstellen hoe aangeslagen jullie allemaal zijn. Hoe alles waar je voor staat en wat je gedaan hebt nu in twijfel wordt getrokken door het gedrag van een paar mensen. Dat moet een mokerslag zijn. Maar blijf echter vooral ook trots op het vaak indrukwekkende werk dat jullie in Nederland en internationaal doen en gedaan hebben. En ga daar met opgeheven hoofd mee door.

 

 

 

 

Marc Broere

Marc Broere is hoofdredacteur van Vice Versa. Daarnaast is hij auteur van een aantal boeken waaronder De Bewogen Beweging -50 jaar mondiale solidariteit (met Hans Beereends), Berichten over Armoede -een journalistieke kijk op ontwikkelingssamenwerking, en Minder Hypes, Meer Hippocrates -een positieve injectie voor de ontwikkelingssector (met Ellen Mangnus).

#Free Bobi Wine

Door Selma Zijlstra | 20 augustus 2018

De Oegandese zanger-politicus Bobi Wine is vorige week gearresteerd en gemarteld. Hij vormt een grote bedreiging voor president Museveni omdat hij de stem van de jongeren vertegenwoordigt die verandering willen.  Selma Zijlstra, oud-redacteur van Vice Versa, heeft een bijzondere band met Wine en zijn vrouw Barbie. In dit persoonlijke blog vertelt ze over de man achter de rapper, die momenteel vecht voor zijn leven. En vraagt zich af wat de internationale gemeenschap kan doen.

Lees artikel

Als een derde met hiv kampt

Door Vice Versa | 24 juli 2018

Swaziland kent het hoogste percentage seropositieve inwoners ter wereld. Sinds 2011 probeert het nieuwe infecties te voorkomen door meer te testen en direct hiv-remmers voor te schrijven. Het koninkrijk wil dienen als voorbeeld voor aidsbestrijding in Afrika. ‘Het is geen kostenpost, het is een investering in de toekomst.’

Lees artikel

De strijd om patenten  

Door Manon Stravens | 20 juli 2018

Sinds de schaamteloze rechtszaak van Big Pharma tegen Nelson Mandela in 1998 is veel ten goede veranderd: voor tientallen ontwikkelingslanden zijn generieke en dus veel goedkopere aidsmedicijnen nu voorhanden. Juriste Ellen ’t Hoen riep een ‘patentpool’ in het leven, dat intellectueel eigendom beheert en licenties uitgeeft. Ze vindt dat het mechanisme ook op andere essentiële medicijnen toepasbaar is. ‘Het is een ongelooflijke gemiste kans’, zegt ’t Hoen, ‘als we dat verzuimen.’

Lees artikel