Door:
Paul Hoebink
Paul Hoebink

24 mei 2018

Categorieën

Tags

Als laatste reactie op de nota van minister Kaag, vandaag de beurt aan Paul Hoebink -kenner van de geschiedenis van het Nederlandse beleid bij uitstek. Wat valt de Nijmeegse wetenschapper op? Volgens Hoebink stelt de nota vooral teleur vanwege zijn oppervlakkige analyse en weinig vernieuwende aanpak.

Na het regeringsprogramma ‘Vertrouwen in de Toekomst’ dat wat betreft ontwikkelingssamenwerking bijna geheel in het teken stond van migratie (het woord migratie kwam er 29 keer in voor, het woord migrant 11 keer en het woord asielzoeker 15 keer), werd er met spanning uitgekeken naar de nieuwe nota van minister Kaag: hoe zou zij de migratie-crisis weten in te kaderen in de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking, maar ook in de relatie met de Europese acties op dit terrein, en wat zou de verhouding worden met de internationale handel die ook in haar portefeuille zit?

Afgelopen vrijdag werd die nota met de titel ‘Investeren in Perspectief’ gepresenteerd en laat ik maar direct met mijn conclusie komen. De nota is erg teleurstellend, vanwege het gebrek aan diepgang, vanwege het ontbreken van een goede plaatsbepaling van wat Nederland vermag, vanwege de ontbrekende reflectie op wat Nederland in de afgelopen decennia heeft gedaan en hoe dat allemaal dan leidt naar nieuw beleid.

Positieve noot

Maar laat ik met een positieve noot beginnen. Waar minister Ploumen zich al vlak na haar aanstelling, op 17 november 2012, de eerste echte minister van beleidscoherentie noemde, daar bleven hulp en handel onder haar bewind als twee pilaren naast elkaar staan om slechts in de maatschappelijk verantwoord ondernemen convenanten naar elkaar te buigen. Het samenbrengen van hulp en handel was al stokoud (dat begon in de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking al midden jaren zestig) en dus lang niet zo ‘revolutionair’ als het in de niet-wetende Nederlandse media steeds wordt genoemd. Minister Ploumen was echter zo’n kei in het ‘spinnen’ dat ze nu nog regelmatig geprezen wordt vanwege het feit dat ze hulp en handel integreerde.

Minister Kaag heeft een vrouwmoedige poging gedaan om deze twee bij elkaar te brengen. Dat gebeurt in het derde hoofdstuk over duurzame en inclusieve groei en het vierde over het ‘internationale inverdienvermogen van Nederland’. Dat vierde hoofdstuk is misschien nog wel het helderst en het kondigt twee nieuwe instrumenten aan, Trade & Innovate NL en Invest NL, maar ook hier ontbreekt een reflectie over hoe het tot nu toe met die investeringsinstrumenten is gegaan. Zonder de teleurstellingen van het Dutch Good Growth Fund (DGGF) te analyseren, rent men weer vooruit. De minister durft het bovendien niet aan om dat wangedrocht dat deze DGGF is op te heffen en te integreren in de nieuwe instrumenten.

De minister maakt zich in ieder geval sterk voor de beste erfenis van haar voorganger, de Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen Convenanten, die ze nog verder wil aanscherpen; en ze belooft hulpgeld ter beschikking te stellen om risico’s in de handelsketens te laten aanpakken.

Teleurstelling

Mijn teleurstelling begint al in het eerste hoofdstuk over ‘trends en ontwikkelingen’. Een nogal chaotisch hoofdstuk met een erg oppervlakkige beschrijving van armoedebestrijding via instabiliteit naar klimaatverandering en de digitale revolutie. Zo ontbreekt, wat toch gezien het regeerakkoord te verwachten was, een daadwerkelijke en diepgaande analyse van migratie en ontwikkeling. Dit onderwerp blijft wat magertjes hangen in een paragraaf over instabiliteit. Dat is belangrijk omdat dit verderop in de nota leidt richting nieuwe ‘focusregio’s’ en een hernieuwde introductie van onderwijs in de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking.

Sinds Jan Pronk’s eerste nota over Migratie & Ontwikkeling uit 1996, zijn er over dit onderwerp nog twee nota’s en bijbehorende jaarverslagen geweest, maar blijkbaar zijn die met het sluiten van de bibliotheek bij Buitenlandse Zaken ook uit het collectieve geheugen verdwenen, zoals ook de al maar groeiende stapel van artikelen en rapporten over dit onderwerp geen aandacht krijgt in deze nota. Omdat zodoende ook een analyse van Europese acties op dit terrein ontbreekt, krijgt de Nederlandse plaatsbepaling geen houvast en geen basis.

Dit is niet de enige plaats in dit hoofdstuk waar diepgang ontbreekt. We hebben het dan nog niet eens over vage, losstaande opmerkingen als ‘Tegelijkertijd is een nieuwe manier van zakendoen nodig om succesvol te kunnen opereren op verre markten’ en ‘Ook roept de economische verwevenheid met staatsgeleide economieën zoals China of Rusland vragen op over economische veiligheid’. Loze en vooral ook onbegrijpelijke opmerkingen. Het paragraafje over digitalisering aan het einde van dit hoofdstuk lijkt dan bovendien net zo’n verplicht nummertje (omdat de relatie met de portefeuille van de minister onduidelijk is), als verderop het kadertje over grensoverschrijdend seksueel gedrag bij hulporganisaties. (Hoofdstuk 5 over multilaterale samenwerking en het maatschappelijk middenveld heeft overigens ook zo’n functie: geschreven zonder enige analyse, zonder urgentie).

Dit weinig diepgravende eerste hoofdstuk leidt dan naar vier doelstellingen die Nederland nu nog heeft op het terrein van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking: 1. “Voorkomen van conflict en stabiliteit” (let op: niet het verminderen of terugdringen van conflicten); 2. “Verminderen van armoede en maatschappelijke ongelijkheid” (sinds 1973 stond die armoede er nadrukkelijk in, maar die ongelijkheid is er nu aan toegevoegd); 3. “Bevorderen van duurzame inclusieve groei en klimaatactie wereldwijd” (een aparte vermelding van klimaatactie die later terugkomt); 4. “Versterken van het internationaal inverdienvermogen van Nederland” (dat is de handels- en vooral investeringskant in de portefeuille van de minister).

Wat dan het meest opvalt? Het ontbreken van het bevorderen van democratisering en mensenrechten als doelstelling, toch ook al meer dan veertig jaar een centraal punt in het Nederlandse ontwikkelingsbeleid.

Nieuwe beleidskeuzes

In het tweede, derde en vierde hoofdstuk leidt dat dan tot een aantal (nieuwe) beleidskeuzes met in het zesde een aanpassing van de geografische focus en de bijbehorende middelen. Zo wil Nederland opnieuw gaan investeren in onderwijs, wat ik in een blog op deze website begin december al ‘capricieuze politiek’ noemde: eerst erin toen we geen enkele ervaring hadden, toen onder Knapen er weer uit toen we net veel kennis hadden opgebouwd en resultaat hadden geboekt, en nu er weer in. Er is overigens slechts een schamele € 40 miljoen hiervoor beschikbaar, en daar moet ook nog een bijdrage voor het beroepsonderwijs uit.  Ook daar weer: de ervaring met de Nederlandse investeringen in beroepsonderwijs in de jaren ’70 en ’80 waren bedroevend. Waarom en hoe nu weer teruggekeerd? Kunnen we het nu beter?

Daar komt nog wat bij: nergens is er ook maar enige reflectie over het Nederlandse comparatieve voordeel. Niet over dit beroepsonderwijs. Daar heeft de EU een tiental jaren geleden al veel in geïnvesteerd in West-Afrika; resultaat onbekend. Niet over het nu aangekondigde nieuwe Nederlands klimaatfonds van € 40 miljoen. Dit naast de vele klimaatfondsen die er al zijn en er bovendien al twee CBS-rapporten liggen dat we hier als Nederland hopeloos achterlopen; kunnen we dat daarom niet beter aan de Denen overlaten? Tekenend daarvoor is ook dat er in de hele nota geen enkele verwijzing staat naar een evaluatierapport. Niet naar die van de eigen inspectie van de minister, laat staan naar die van de Europese Commissie of de Wereldbank.

Dat de minister mooie plannen mag hebben, maar door de nog steeds staande bezuiniging van € 1,4 miljard niet veel middelen, wordt ook duidelijk in hoofdstuk 6. Weliswaar zakken we door de correctie in het regeerakkoord niet onder de 0,5% van het Bruto Nationaal Inkomen, maar blijven we zo rond de 0,59% in 2018 en rond de 0,55% in de daaropvolgende jaren hangen. Door de economische groei komt er nog wat bij; de ‘extra’ middelen zijn slechts 429 miljoen dit jaar, oplopend tot 490 miljoen op het laatst van de kabinetsperiode. Daarvan gaat dan het grootste deel naar humanitaire hulp en opvang van vluchtelingen (265 miljoen) en slechts 25 miljoen naar migratie. Wat er bijkomt voor nieuwe initiatieven en landen door de verschuivingen in de landenprogramma’s, overigens maar 10% van de totale Nederlandse hulp, blijft in het duister.

Afstand nemen van voorgangster

De minister lijkt enigszins afstand te nemen van haar voorgangster, die zo luid bejubeld is om de 15 miljoen die ze in het ‘She Decides’ fonds stopte. Iedereen vergat (of wist niet) dat er onder haar bewind alleen al op de jaarlijkse bijdrage aan het gezinsprogramma van de VN, UNFPA, 80 miljoen was bezuinigd. En dan hebben we het nog niet over de bezuinigingen in de bilaterale gezondheidszorgprogramma’s. Het ‘She Decides’ krijgt slechts een enkele vermelding in de nota en de minister heeft maar 10 miljoen extra voor vrouwenrechten en reproductieve gezondheid.

Opmerkelijk is natuurlijk ook dat de minister de kritiek uit de Peer Review van het Development Assistance Committee van de OESO van vorig jaar juni geheel omzeild (zie mijn blog op deze website begin juli vorig jaar). De Peer Review wordt slechts één keer genoemd, omdat deze lovend zou zijn over de Nederlandse aanpak op het terrein van beleidscoherentie. Dat stond ook al in het nog door minister Ploumen uitgebrachte jaarverslag over beleidscoherentie. Vergeten werd toen gemakshalve dat het DAC ook flinke kritiek had op dit punt, bijvoorbeeld over de aanpak van corruptie door Nederland. Geen antwoord dus op de kritiek over de steeds verdere centralisatie van de Nederlandse hulp, over het feit dat tegen de internationale afspraken in van de Nederlandse hulp nog maar 10% direct naar regeringen in ontwikkelingslanden gaat, dat armoedebestrijding geen duidelijke plaats in het Nederlandse beleid heeft.

In het persbericht van minister Ploumen over dit DAC-rapport stond, al ‘spinnend’, dat het DAC lovend was over het Nederlandse beleid. Moeten we nu denken dat minister Kaag dat ook nog gelooft?

Geografische verschuiving

Tenslotte dan de geografische verschuiving in het Nederlandse beleid. Minister Kaag schrapt de term ‘partnerlanden’ en heeft het alleen nog over focusregio’s, waarbij instabiliteit een hoofdrol speelt. Let wel de huidige instabiliteit, want als er in stabiele landen door het terugtrekken van hulp instabiel worden, dan telt dat nog even niet. De focusregio’s zijn dan: Midden-Oosten en Noord-Afrika, Sahel en de Hoorn van Afrika (waar gemakshalve toch ook nog maar Kenia toegerekend wordt).

Dat betekent dan dat voor het eerst in 50 jaar (in 1968 deed minister Udink een eerste poging om de hulp te concentreren) het armoedecriterium in de landenkeuze wordt losgelaten, want zowel de Noord-Afrikaanse landen en Libanon, Jordanië, Irak zouden op grond van dat criterium nooit gekozen zijn.

Probleem 1:

  • Nederland zit in de Sahel alleen in Mali. En dan komt de minister tot een uiterst curieuze keuze, namelijk het aangaan van relaties met Niger en Nigeria. Niger, een land waar de Europese Commissie al met veel geld zit, naast Frankrijk en de VS. En Nigeria, een rijke en uiterst corrupte oliestaat. Waarom dan in vredesnaam niet terug naar Burkina Faso? En waarom vermindering van het programma in Benin?

 

Probleem 2:

  • Waar stoppen we dan? Omdat Nederland wel wil blijven in het Grote Meren gebied, Bangladesh en Afghanistan, worden de hulprelaties met Ghana,  Indonesië verder worden afgebouwd, evenals die met Mozambique. Is het voor Nederlands samenwerking en handelsbeleid juist niet van betekenis om in zuidelijk Afrika te blijven, met een sterk programma ook, waarvan de nota opmerkelijk genoeg het voorbeeld van de havenstad Beira in Mozambique aanwijst?

 

Concluderend

De zwakke analyse, juist ook van wat Nederland kan en vermag en wat Nederlandse kennis en ervaringen zijn, leidt tot dubieuze en curieuze keuzes. Zonder veel analyse ook over de toekomst van het ontwikkelings- en samenwerkingsbeleid, over het belang van mondiale publieke goederen (niet alleen klimaat, maar ook bredere milieuvraagstukken, en ook gezondheid en voedselzekerheid), lijken de beleidskeuzes geheel en al ingegeven door de veiligheidssituatie en migratiecrisis in Noord-Afrika en de Sahel. Alsof dat, stabiliteit in die regio en het voorkomen van migratie, het enige Nederlandse ‘belang’ zou zijn. Immers, vanuit een breder samenwerkingsperspectief en ook vanuit de Nederlandse exportpositie en historie, zou je bijvoorbeeld het programma in Indonesië juist niet moeten afbouwen.

De perspectieven in deze nota zijn zodoende behoorlijk losgezongen van de realiteiten en noodzaken van de Nederlandse internationale samenwerking. Met als laatste constatering dat met de weinige Nederlandse (extra) dubbeltjes en kwartjes een wereld vol onzekerheid zoals die in deze nota wordt geschetst, niet veel zekerder zal worden.

 

 

Paul Hoebink

Paul Hoebink is docent bij de Master in Sustainable Development Management aan de Rhein-Waal Hochschule in Kleve en voorheen hoogleraar aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Volg hem op twitter : @hoebink_paul

Als een derde met hiv kampt

Door Vice Versa | 24 juli 2018

Swaziland kent het hoogste percentage seropositieve inwoners ter wereld. Sinds 2011 probeert het nieuwe infecties te voorkomen door meer te testen en direct hiv-remmers voor te schrijven. Het koninkrijk wil dienen als voorbeeld voor aidsbestrijding in Afrika. ‘Het is geen kostenpost, het is een investering in de toekomst.’

Lees artikel

De strijd om patenten  

Door Manon Stravens | 20 juli 2018

Sinds de schaamteloze rechtszaak van Big Pharma tegen Nelson Mandela in 1998 is veel ten goede veranderd: voor tientallen ontwikkelingslanden zijn generieke en dus veel goedkopere aidsmedicijnen nu voorhanden. Juriste Ellen ’t Hoen riep een ‘patentpool’ in het leven, dat intellectueel eigendom beheert en licenties uitgeeft. Ze vindt dat het mechanisme ook op andere essentiële medicijnen toepasbaar is. ‘Het is een ongelooflijke gemiste kans’, zegt ’t Hoen, ‘als we dat verzuimen.’

Lees artikel

De twee verhalen over aids

Door Joris Tielens | 19 juli 2018

Ruim dertig jaar aidsbestrijding slaagde goeddeels in het bedwingen van de epidemie èn leert ons wat nodig is om de ziekte ten einde te brengen. Maar de wet van de remmende voorsprong geldt: er is veel vooruitgang door behandeling, maar preventie is verwaarloosd. Bovendien dreigt het succesverhaal te vroeg de mondiale financiering te verkleinen, met mogelijk desastreuse gevolgen. Gevraagd: politieke wil.

Lees artikel