Door:
Lennaert Rooijakkers

3 januari 2021

Tags

Neem in de supermarkt een kijkje in de schappen met groente en fruit en je ziet niet veel duurzame opties. Zijn eerlijke producten binnenkort de norm of is die toekomst nog steeds ver weg? Een gesprek met Rina Molenaar van Woord en Daad en met Wietse Vroom van Fair Fruit, over het veranderen van de keten voor voedingsmiddelen en hoe bedrijven en ngo’s elkaar kunnen helpen.

Het duogesprek met Rina Molenaar en Wietse Vroom loopt op zijn einde als Molenaar een treffende opmerking over internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen maakt. In de ruim anderhalf uur daarvoor zijn allerlei onderwerpen de revue gepasseerd.  Denk aan de moeite die het kost om achterblijvers te inspireren toch aan IMVO te gaan doen, het nut van eventuele wetgeving, maar ook de prijzenoorlog in supermarkten en het feit dat consumenten zeggen bereid te zijn meer te betalen voor een duurzaam product, maar alsnog de goedkoopste optie kiezen.

‘Als IMVO een makkelijk onderwerp was geweest, dan had ik hier op een A4’tje geschreven hoe het moest en was er niet een heel nummer van Vice Versa aan gewijd’, zegt Molenaar, die nota bene met een oneliner onderstreept wat ze kort daarvoor aangaf: met mooie oneliners bereik je binnen IMVO niets.  Vanaf de andere kant van Molenaars woonkamer wordt instemmend geknikt. ‘Als ik alle oplossingen had, dan was ik allang naar Den Haag verhuisd en was ik een politieke partij begonnen’, zegt Vroom.

Molenaar en Vroom ontmoetten elkaar één keer eerder, maar zijn op professioneel vlak al een poosje met elkaar verbonden. Fair Fruit en Woord en Daad werken sinds een aantal jaar samen op IMVO-projecten waarvoor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland subsidie verleent. Zoals het Every bean has its black-project, dat kleine boeren in Guatemala helpt hun productieproces te verduurzamen en een eerlijke vergoeding voor hun teelt te krijgen.

Molenaar is al achttien jaar werkzaam voor Woord en Daad en sinds twee jaar directeur-bestuurder van de ontwikkelingsorganisatie. Vroom staat nu ruim vier jaar aan het hoofd van het Belgische Fair Fruit, dat vanuit Afrika en Latijns-Amerika onder meer bonen, peultjes, worteltjes en erwtjes exporteert naar Europese en Noord-Amerikaanse markten. Vrijwel alle export gebeurt per boot. Voor Vice Versa bespreken Vroom en Molenaar het heden en de toekomst van IMVO in de voedingsmiddelenindustrie.

De genoemde Guatemalteekse boeren zijn ook zo’n terugkerend onderwerp tijdens het gesprek. Ze zijn het schakeltje waarmee het verduurzamen van de keten begint, maar ook degenen voor wie de consument aan de andere kant van de lijn bereid moet zijn om net wat meer uit te geven. Ondanks goede intenties aan beide kanten, is verandering lastig te realiseren.

De boer wil misschien best, maar lukt het niet, omdat hij de kennis ontbeert of het geld niet kan missen om een verduurzamingsslag te maken of een paar jaar vooruit te plannen. En de consument zègt wellicht wel meer geld te willen spenderen aan een duurzaam product, maar heeft te veel goedkope (niet-duurzame) alternatieven om overstag te gaan.

‘De duurzaamheidsmanager van Lidl zei daar laatst iets interessants over’, zegt Vroom. ‘Volgens hem moet duurzaamheid de norm in de schappen worden, anders verandert er namelijk niets. Hij denkt dat mensen best bereid zijn meer te betalen, maar niet zolang dat goedkopere alternatief er is.  ‘Dat klinkt vrij cynisch,’ vervolgt hij, ‘maar ik vrees wel dat hij gelijk heeft. Je bereikt pas iets als duurzaamheid de basis is van alles wat je doet. En dat moet dus niet afhangen van iemand die er toevallig een groot marketingbudget aan kan besteden.’

Maar zo simpel als het klinkt – duurzaamheid als norm –, zo moeilijk is het om dat te realiseren. Daarvoor moet eerst heel het systeem zoals we dat nu kennen op de schop. Bij zo’n systeemverandering moet iedereen in een keten, van producent tot consument en van leverancier tot en met overheden, een rol hebben. Hun invloed is nu nog te beperkt om de slag naar een (grotendeels) duurzame keten te maken. Producenten hebben te weinig inspraak, consumenten willen – bewust of onbewust – niet méér uitgeven, supermarkten zijn verwikkeld in een prijzenoorlog en willen de kosten voor deze transitie niet doorvoeren in de prijzen.

Het doet de in Gent wonende Vroom denken aan een actie die supermarktketen Carrefour pasgeleden hield. Ze adverteerde met de slogan: ‘Carrefour Bio: het goedkoopste biomerk van België.’ Vrooms tenen en vingers trokken ervan krom. ‘Zo begin je gewoon een prijzenslag op duurzaamheid’, zegt hij. ‘Nota bene op het label waarvoor de consument nog het meest bereid lijkt te zijn meer te betalen. Dat kan niet de bedoeling zijn. Er is op zich niks mis met een beetje concurrentie op prijs, maar als consument betalen we eigenlijk heel weinig voor ons eten, tegenwoordig. Als we ons eten duurzamer willen maken, dan zullen we soms bereid moeten zijn iets meer te betalen voor een eerlijk product. Het helpt niet als er tegelijkertijd een race ontketend wordt om altijd maar de goedkoopste te zijn. Dat model heeft echt zijn limieten bereikt, volgens mij.’

De Carrefour-anekdote van Vroom herinnert Rina Molenaar aan het moment waarop Woord en Daad begon met het voeren van de dialoog over het verduurzamen van de voedingsmiddelenketen. ‘Een paar marketingcollega’s opperden om heel onze achterban te stimuleren Fair Trade te kopen’, zegt ze. ‘Lekker makkelijk en dan is het opgelost, zo was de gedachte. Maar een collega die diep in het onderwerp zat greep meteen in en zei: dan doe je de ingewikkelde boodschap tekort die achter het proces zit.’

Rina Molenaar en Wietse Vroom (foto en copyright Leonard Fäustle}

Ook nu er volgens Vroom en Molenaar ‘veel momentum’ is voor duurzaamheid, is het allesbehalve eenvoudig om het belang ervan aan elk partje in de keten duidelijk te maken. ‘Het is mooi om te zien dat er steeds meer oog voor is, ook bij de retailer,’ zegt Molenaar, ‘maar tegelijk bestaat er nog veel onwetendheid. Je ziet dat deels bij de boer, die niet goed weet hoe hij de overstap kan maken naar duurzame productie, maar ook bij de koper in de supermarkt die zich niet altijd realiseert welk verhaal er achter een product schuilgaat.’

Vroom vult aan: ‘Dat een importeur geen directe communicatie met de consument heeft speelt ook mee. Fair Fruit verkoopt aan een importeur, die moet het verhaal over die duurzaam producerende kleine boer oppikken. De importeur verkoopt aan een supermarkt en die moet dat verhaal weer interessant genoeg vinden om het aan de consument te vertellen, maar voordat een supermarkt daartoe bereid is, moet je dus al de hele sector hebben meegekregen.’

Bij het vertellen van het verhaal achter een product en het betalen van een eerlijke prijs, denk je al snel aan Fair Trade-labels, maar het simpelweg hanteren van één Fair Trade-model biedt volgens Molenaar en Vroom geen soelaas.  ‘Zo zwart-wit is het niet’, zegt Molenaar. ‘Er zijn heel veel andere keurmerken die ook goed bezig zijn. Wat voor het ene product werkt, werkt niet voor het andere.’

Vroom: ‘Fair Trade werkt bij koffie, maar mijn perceptie is dat het niet overal dezelfde tractie heeft. De schaalbaarheid is beperkt.’ Het verwachtingspatroon dat aan zo’n label is gekoppeld, is misschien ook te groot, denkt hij. ‘De gedachte is: vertel jij je verhaal maar goed genoeg, dan zullen de mensen heus wel betalen voor duurzaamheid. Maar zo werkt het niet altijd. Als supermarkten een product met een bepaalde certificering willen, dan vinden zij dat het héél het jaar in de schappen moet liggen. Daarvoor zijn supermarkten weer van meerdere leveranciers afhankelijk, die dus allemaal producten van dezelfde kwaliteit en tegen dezelfde standaarden moeten aanbieden.’

Als je de stap wilt zetten naar een continue toevoer van gecertificeerde producten, dan moet de markt ook gaan staan voor de kosten die dat met zich meebrengt, vindt Vroom. Maar hij ziet daarbij wel een potentieel obstakel in alle rompslomp waarmee kleine boeren mogelijk te maken krijgen. ‘Het gaat me aan het hart dat het straks de kleinste spelers zijn die het meeste last van alle administratiedruk zullen hebben. Je kunt de beste bedoelingen van de wereld bezitten, maar zo ook enorme barrières opwerpen voor kleine boeren met een kleine voetafdruk. We moeten ervoor zorgen dat die last niet onevenredig zwaar voor ze wordt.’

‘Wij kunnen de prachtigste duurzaamheidsprogramma’s bedenken, maar zo’n boer kan dan kiezen voor handel met China of de Verenigde Staten, waar ze misschien minder veeleisend zijn. Dat is een ingewikkeld dilemma om te managen, maar we zien ook een rol voor onszelf om daaraan bij te dragen en ervoor te zorgen dat interessante exportmarkten toegankelijk blijven of worden voor kleinschalige boeren.’

Het moge duidelijk zijn: er liggen nog veel hobbels op de weg voordat systeemverandering een feit is. Maar wat moet er nu gebeuren om een volledig duurzame keten te realiseren?  ‘Gelukkig zijn er al veel stappen gaande,’ zegt Molenaar, ‘maar in dit proces is het nodig soms stil te staan en goed te kijken: waar kan ik op dit moment het best invloed uitoefenen? Voor Woord en Daad geldt: is dat in Den Haag, in Brussel, aan tafel bij het IMVO-convenant voedingsmiddelen of in gesprek met boeren in Guatemala of met de supermarktconsument? Steeds kijk je: aan welke knop kan ik draaien om het huidige systeem een beetje te doorbreken. Dat gaat niet in één keer, het is een proces van de lange adem.’

Volgens Molenaar heeft Woord en Daad bij dergelijke ontmoetingen de rol van ‘een broker’, wil het proberen stukjes van de keten met elkaar te verbinden. ‘We pretenderen niet dat we overal invloed op kunnen hebben,’ zegt ze, ‘maar we zijn wel altijd aan het kijken hoe we het best invloed kunnen uitoefenen.’

Dat begint met verbinding zoeken met partijen die dezelfde waarden nastreven, hoewel dat tijdens de dialoog met het bedrijfsleven weleens lastig is. Molenaar kent voorbeelden genoeg van gesprekken die goed begonnen maar na een tweede ontmoeting zijn afgebroken, omdat aan de andere kant van de tafel vooral over winst en groei werd gepraat. ‘Natuurlijk heb je te maken met twee aparte werelden’, zegt ze. ‘Bij bedrijven wordt een andere taal gesproken en ze moeten nu eenmaal productie leveren. Bespreek daarom eerst welke overeenkomsten er zijn en voer de discussie steeds daarop terug, zodat je altijd kunt zeggen: hier stonden we voor, met elkaar. Nu zal dat aan een grote IMVO-convenantentafel lastig zijn, maar alsnog vind ik dat het daar zou moeten starten. Woord en Daad en Fair Fruit hebben elkaar ook gevonden door vanuit dezelfde waarden te werken, zoals duurzaamheid en gelijkwaardigheid in handelsrelaties. Het kan dus, maar het vraagt wel wat.’

‘Juist omdat het best gescheiden werelden zijn,’ zegt Vroom op zijn beurt, ‘vind ik het alleen maar gezond om een sparringpartner te hebben die er een stuk beleidsmatiger in zit. Fair Fruit wil vooral bepaalde modethema’s overstijgen. Vorig jaar was het bijvoorbeeld hip om het plasticprobleem aan te pakken. ’

‘Voor een bedrijf is het kwetsbaar daarin mee te gaan, want je wilt langdurige impact creëren. Samenwerking kan dan nuttig zijn. Neem een projectaanvraag bij de RVO: Woord en Daad heeft daar als broker opgetreden, waardoor het voor ons een stuk toegankelijker was subsidie te krijgen om een paar jaar een duurzaamheidsproject uit te voeren. Dat was ons anders niet gelukt.’

De dialoog voeren, dus. Zoeken naar overeenkomsten in plaats van verschillen en kijken waar je eventueel samen kunt optrekken en nieuwe projecten kunt starten. Benutten ngo’s en het bedrijfsleven het volledige potentieel op dit vlak?

Molenaar vindt het lastig een antwoord te geven. ‘Maar het is goed oog te hebben voor de uitdagingen van de ondernemer, ook vanuit de discussie dat de ontwikkelingssector dat echt wil doen. Voor mij werkt het me te verplaatsen in een ondernemer; al sinds ik bij Woord en Daad zit, helpt dat mij om fris naar mijn eigen werk te kijken. Dat gebeurt nog te weinig in de ontwikkelingssector, die toch vaak naar zichzelf kijkt – terwijl het gesprek met het bedrijfsleven ons veel lessen kan leren.’

Vroom ziet de afgelopen jaren binnen het SIFAV-convenant (het Sustainability Initiative Fruit and Vegetables) van het Initiatief Duurzame Handel (IDH) welke vruchten het gesprek met de ‘andere partijen’ afwerpt. De dialoog tussen ngo’s, leveranciers, importeurs en supermarkten heeft daar – zij het op bescheiden schaal – voor een mentaliteitsverandering gezorgd. ‘Binnen SIFAV is onderling afgesproken in 2020 honderd procent duurzame ketens te hebben. Als je daar nu aankomt met de boodschap dat je het toch niet gaat redden, dan kom je er echt niet mee weg. Er is een cultuur gecreëerd waarin we duurzaamheid belangrijk vinden en je dus een argument moet hebben om iets níet te doen, in plaats van andersom. Of SIFAV, waarin vooral Noord-Europese partijen zitten, nu al invloed heeft op draagvlakversterking binnen de sector, weet ik niet. Maar het is echt van belang om het bereik van dit soort initiatieven te vergroten naar Europees en wereldwijd niveau.’

foto en copyright Leonard Fäustle

Molenaar hoopt dat het voorbeeld van SIFAV bedrijven die nu achterblijven zal inspireren meer aan duurzaamheid te doen, maar ze denkt dat een wettelijke verplichting alsnog noodzakelijk is. ‘Hoewel we ook binnen het IMVO-convenant voedingsmiddelen echt stappen zetten, zien we dat de dialoog alléén niet voldoende is. Daarom hebben we bij Woord en Daad ook gelobbyd voor wetgeving. Als je iedereen wilt meekrijgen, zul je dat nodig hebben – al klinkt het een beetje als een zwaktebod, alsof het zonder wetgeving niet lukt.’

‘Dat neemt niet weg’, vervolgt ze, ‘dat het goed is dat minister Kaag nu naar wetgeving kijkt. Helaas wel op Europees in plaats van nationaal niveau, dat kan vertraging opleveren. Nederlandse wetgeving kan juist als bouwsteen fungeren voor EU-wetgeving. Waarom zou je die voorbeeldfunctie niet aannemen?’

Maar, haast Molenaar zich te zeggen, wetgeving is ook niet het wondermiddel dat alles oplost. ‘Ook dan blijft dat voortdurende gesprek van belang, dat moet je niet onderschatten. Wil je echt systeemverandering voor elkaar krijgen, dan heb je daarvoor verschillende partijen nodig die het samen aanpakken. Dat is een voortdurend proces, systeemverandering is nooit af. Ook niet als er straks een wet is die IMVO verplicht maakt: als die er is, moet je met elkaar kijken wat je ermee kunt en hoe een Nederlandse of Europese wet zich verhoudt tot wet- en regelgeving in landen waarmee je zakendoet.’

‘Ook dan blijft het zoeken naar een ideale mengeling’, zegt Vroom, die benadrukt dat er net zo goed kansen zijn en niet louter moeilijkheden: ‘Er zijn allerlei true pricing-initiatieven, waarbij je een model hanteert waarmee je naar de totale impact kijkt van wat je doet en wat de echte prijs daarvan is.’

In Amsterdam is eind november zelfs de eerste true pricing-supermarkt geopend. ‘De huidige handelsketens berekenen vaak niet de ware kosten, omdat de prijs voor milieuvervuiling buiten beschouwing wordt gelaten of omdat ketenpartners eigenlijk verlies draaien op de handel. True pricing gaat over het in kaart brengen van de werkelijke kosten van een product, in de veronderstelling dat de “duurdere duurzame producten” dan ineens niet meer zo duur blijken te zijn.’

Wanneer dat soort initiatieven meer worden omarmd, wordt een keuze voor een duurzaam product een stuk makkelijker, denkt Vroom: ‘Het is een onderdeel van het plaatje, zoals wetgeving en nadenken over prijsniveau en certificering ook onderdeel van het plaatje zijn. Er is geen eenvoudige oplossing waarmee je zegt: als we dit doen, dan is het allemaal in orde. Zoals ik al zei: als ik dat wist, had ik wel in Den Haag gezeten.’

 

Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) is een van de belangrijkste beleidsterreinen binnen de Hulp en Handelsagenda. In 2020 staat er veel op het spel. Zo staan er verschillende evaluaties op het programma en zal minister Kaag in dit najaar het nieuwe IMVO-beleid van het kabinet presenteren.

Vice Versa wil met het dossier het debat in Nederland over IMVO voeden en levendig houden.

Het kennisdossier is een initiatief van Vice Versa in samenwerking met de Civic Engagement Alliance,  het Initiatief Duurzame Handel (IDH) en de Fair, Green and Global Alliance.

 

Vredesduif in Soedan

Door Elian Yahye | 18 januari 2021

De provincie Darfur wordt geplaagd door conflict en verkeert in een permanente humanitaire crisis. Mekka Abdelgabar is er geboren en is het kind van twee families die vier jaar lang oorlog met elkaar voerden – en toen de strijdbijl begroeven. Nu brengt zij er zelf vechtende partijen bijeen, omdat ze diep in de dialoog gelooft. ‘De meeste Darfuri snakken naar vrede.’

Lees artikel

Wereldcafé: in gesprek met Kathleen Ferrier en Bram van Ojik  

Door Marc Broere | 12 januari 2021

Op donderdagmiddag 28 januari vindt een speciale nieuwsjaarseditie van het Wereldcafé plaats. Presentator Qader Shafiq gaat met Kathleen Ferrier en Bram van Ojik  in gesprek over Nederland en de wereld, en over hun wensen voor 2021.

Lees artikel

Ik, de vreemdeling

Door Ellen Mangnus | 08 januari 2021

‘Wat weet ik nu werkelijk van de toestand ter plekke?’ Die gedachte is Ellen Mangnus niet vreemd en zo bekijkt ze de kloof tussen de westerse en de lokale onderzoeker èn met de mens die het onderwerp is. ‘Het samenwerken van Noord en Zuid staat nog niet garant voor een passende agenda’, merkt ze. Misschien ligt het aan de richting van initiatief: wat als we het andersom doen, van Zuid naar Noord?

Lees artikel