Door:
Marc van Dijk

5 augustus 2020

Tags

Te vaak lanceren hulporganisaties projecten zonder eerst te praten met degenen om wie het gaat. Onderzoeker Anika Altaf sprak met de allerarmsten in Ethiopië, Benin en Bangladesh. Om hen te bereiken moet het roer om.

Het is wat je eigenlijk zou hopen en verwachten bij elke vorm van ontwikkelingssamenwerking: dat ze ten goede komt aan de armste mensen in deze wereld. Maar uitgerekend de allerarmste mensen blijven doorgaans buiten beeld en buiten bereik, merkte onderzoeker Anika Altaf (34).

photo and copyright Leonard Fäustle

‘Ik was met andere onderzoekers in Ghana en Burkina Faso om te bekijken hoe verschillende ontwikkelingsprojecten door de jaren heen hadden uitgepakt voor de lokale bevolking’, vertelt Altaf. ‘We gebruikten een speciale methode: we gingen in gesprek met verschillende groepen uit lokale gemeenschappen, en vroegen de mensen dan niet enkel naar een specifiek project, maar naar alle projecten en grote gebeurtenissen van de afgelopen dertig jaar. We ingen met mensen onder een boom zitten – groepjes oude en jonge mannen of vrouwen, officials – zoals imams of priesters, leraren, lokale bestuurders of chiefs. Op deze manier krijg je een heel ander verhaal dan wanneer een consultant een rapportje schrijft over het laatste “succesvolle” project. Wij kregen te horen wanneer er overstromingen waren geweest, droogte, hongersnoden, conflicten. Maar ook dat meisjes nu naar school gaan, anders dan vroeger. Dat bepaalde mensen een beter bestaan hadden kunnen opbouwen. Zo ontstond een rijk beeld van de hulpverlening die er was geweest en de effecten op de langere termijn. Eén ding kwam daarbij steeds terug: de allerarmste mensen werden het minst bereikt. Die deden ook nooit mee aan deze workshops: we kregen ze niet eens te zien. Toen dacht ik: hoe is dit mogelijk? Waarom worden juist de allerarmsten niet bereikt en wat is er voor nodig om dit te doorbreken?’

Anika Altaf besloot om aan deze vragen een promotieonderzoek te wijden. Hulporganisatie Woord en Daad financierde het onderzoek, omdat die expliciet als missie heeft om de allerarmste mensen te bereiken, en dus bijzonder benieuwd was naar het antwoord. Er werden drie landen gekozen waar Altaf naar zou afreizen: Bangladesh, Benin en Ethiopië – landen waar Woord en Daad actief is en waar ze de werkzaamheid van verschillende ontwikkelingsprogramma’s kon vergelijken.

Hoe bent u begonnen?

‘Samen met onderzoeksassistenten heb ik opnieuw groepsgesprekken gebruikt om ter plekke eerst een goede schets te krijgen: wat speelt hier, wat zijn de grote veranderingen van de laatste jaren? Hoe zit het politiek in elkaar?’

Hoe kwam u bij de allerarmsten terecht?

‘Via de lokale bevolking. We vroegen mensen om een schets te maken van de verdeling van de welvaart in hun gemeenschap. Hoe ziet iemand eruit die heel rijk is? Nou, zeiden ze dan, die heeft twintig koeien, en zus-en-zoveel-land, en ook een auto en mobieltjes en een televisie. En iemand die arm is, hoe ziet die eruit? En iemand die extreem arm is? Dat leverde vijf categorieën op, van heel rijk tot heel arm. Met die beschrijvingen ben ik gaan rondlopen. Hiermee kon ik de mensen en de huizen herkennen. Soms werd ik ook direct naar bepaalde mensen doorverwezen.’

Wat deed u vervolgens bij die allerarmsten?

‘Ik vroeg ze om mij hun levensverhaal te vertellen. Ik zei: begin maar bij het begin, vertel me wat je je herinnert. Ik had steeds een onafhankelijke lokale onderzoeksassistent bij me die als tolk fungeerde, een student van een universiteit in de buurt. Mijn ouders komen uit Pakistan, waardoor ik Urdu spreek, dus in Bangladesh kon ik de gesprekken zelf ook een beetje verstaan. Het was heel intens.’

Wat deden deze visites met u en met de gesprekspartners?

‘Wat me het meest is bijgebleven is de dankbaarheid van mensen, enkel om het feit dat ik interactie met ze aanging, en naar hun verhaal kwam luisteren. Dat was voor mij heel dubbel. Aan de ene kant was het fijn dat ik een luisterend oor kon bieden. Aan de andere kant vond ik het moeilijk om te beseffen dat dit er dus normaal niet is. En ik wist dat ik weer weg zou gaan, terwijl ik eigenlijk veel meer zou willen doen.’

Wat kenmerkte deze mensen?

‘Ze voelden zichzelf niet meer volwaardig mens, ze waren in zekere zin ontmenselijkt. We bezochten bijvoorbeeld een oude vrouw in Ethiopië, die in haar eentje in een primitief hutje woonde. Omdat ze niet meer goed kon lopen, zat ze de hele dag voor haar hutje – ’s ochtends kroop ze eruit en ’s avonds er weer in. In het regenseizoen bleef ze binnen en dan zat ze in de modder, want er was geen vloer. Ze was al twee jaar niet meer gewassen. “Alles in mij heeft dorst”, zei ze. “Niet alleen mijn mond, maar ook mijn lichaam.”’

Hoe kon ze overleven?

‘Ze woonde op de compound van haar broer en schoonzus. Haar schoonzus was een van de leiders van de lokale kerk, haar broer was oud en versleten. Kinderen kwamen haar soms wat water of eten brengen, maar haar schoonzus keek niet naar haar om. Op een gegeven moment gaf die schoonzus mij een tour door haar huis: kijk eens hoe mooi we hier wonen! Ik kon me niet inhouden en vroeg: “Waarom kan de zus van uw man niet in een van deze kamers verblijven in plaats van in dat hutje achter op het terrein?” Ze antwoordde: “Zij heeft last van incontinentie, dus het is beter dat ze daar blijft.” Dit is typerend voor deze categorie armen: zelfs hun familie keert hen de rug toe. Ze zitten dus in een tamelijk diep isolement. Vanuit familie is dit vaak een bewuste keuze. Daardoor verliest ook de gemeenschap hen uit het oog. Ze raken in de vergetelheid.’

‘We zagen dit ook bij een vrouw in Benin, zij had een vorm van epilepsie. Dat werd in haar cultuur verbonden met fetisjisme of zwarte magie. Haar moeder dacht dat ze besmettelijk was. Die moeder heeft haar eerst geslagen, en later heeft ze haar in de steek gelaten. Daarna had ze eerst nog een oma die voor haar zorgde. Toen die overleed, raakte ze helemaal in de put. Ze was ervan overtuigd dat ze een straf van God had, want hoe kon het anders zo zijn dat niemand haar zelfs maar durfde aan te raken?’

Het klinkt alsof het om uitzichtloze ellende gaat.

‘Ja en nee. Want hoewel de situaties inderdaad bedroevend waren, merkten mijn onderzoeksassistenten en ik dat we met onze beperkte interacties veel bereikten. We waren er niet om hulp te geven, maar het feit dat we naar hen luisterden, had vaak al impact. Het werd in de gemeenschappen altijd opgemerkt dat wij met die geïsoleerde armen gingen praten. Vaak leidde dit ertoe dat ook anderen weer naar hen gingen omkijken, dat ze weer begroet werden.’

‘In het hutje van de oude vrouw in Ethiopië heb ik een vloer laten maken met een zeiltje. Ook hebben mijn assistent en ik de vrouw gewassen, voor het eerst in twee jaar. De mensen uit het dorp kregen dit in de gaten en ze reageerden er heel positief op. De schoonzus schaamde zich. De vrouw zei: “Jullie hebben me letterlijk uit de aarde gehaald.”’

 Bewaarde u wel voldoende afstand als onderzoeker? 

‘Misschien ging ik af en toe mijn boekje te buiten. Daar staat tegenover dat ik dit pas gedaan heb toen mijn onderzoek in Ethiopië al afgerond was, en dat deze actie mijn data dus niet heeft beïnvloed. Ik kon het gewoon niet laten. Bovendien liet het ook wel iets waardevols zien: het doorbreken van het isolement was niet zo ingewikkeld als het misschien leek te zijn. Je hebt niet altijd ellenlange psychologische sessies nodig om mensen er weer van te doordringen dat ze ertoe doen. Voor degenen er omheen kan het bewustwording brengen, die bijdraagt aan een andere houding.’

In totaal tekende Anika Altaf zeventig levensverhalen op in de genoemde drie landen. In haar proefschrift concludeert ze dat de uiteenlopende situaties van de extreem arme mensen die ze sprak opvallende overeenkomsten vertonen. ‘De meest in het oog springende overeenkomst tussen de mensen die ik gesproken heb, ligt niet op het terrein van materieel welzijn, maar juist op het immateriële vlak. Zonder uitzondering kampten de allerarmsten met de gevolgen van verstoting, mishandeling, sociale uitsluiting, kortom: met een gebrek aan waardevolle relaties. Het begint vaak bij de eigen familie, die een warm nestje hoort te vormen. Maar als je familie jou niet steunt, loop je grote kans dat de gemeenschap jou ook vergeet, of je bewust gaat buitensluiten. Dit leidt tot een totaal gebrek aan eigenwaarde. En die eigenwaarde is een voorwaarde voor zelfontplooiing.’

 Waar hadden die mensen die uitsluiting aan verdiend?

‘Meestal nergens aan, het was gewoon zo gelopen. Soms kwam het door een ziekte of afwijking, zoals bij de vrouw met epilepsie. Ze werden verbaal of fysiek mishandeld, soms al vroeg in hun levens. Uitgelachen, uitgescholden. Of gewoon totaal genegeerd. Als je van jongs af aan continu te horen krijgt: “jij bent inferieur”, dan ga je dat internaliseren. Dan ga je denken dat ze wel gelijk zullen hebben. Sommige van mijn respondenten vergeleken zichzelf met een wild dier. “Moet je kijken hoe ik leef, hoe ik ben. Het is niet gek dat men niks met mij te maken wil hebben.” Ze zouden nooit uit zichzelf naar een begrafenis gaan, of naar een trouwerij. Omdat ze denken: ik ben toch niet welkom. Bovendien zouden ze zich schamen. Ze hebben niks om aan te trekken en geen geld voor een cadeau.’

En ze melden zich dus ook niet voor hulp?

‘Zelden. Ook daarin speelt dit minderwaardigheidscomplex een grote rol. Daarnaast betreft het vaak analfabeten. En zelfs als deze mensen wél bewust gezocht worden door ontwikkelingsorganisaties, dan nog gaat het vaak mis. Een bekend patroon is dit: een organisatie kondigt een steunprogramma aan – bijvoorbeeld een mogelijkheid om een microkrediet te krijgen. Dat kondigen ze aan via een lokaal dorpshoofd. Maar dat dorpshoofd bepaalt vervolgens wie er meedoet. Dan ontstaat een zogenaamde “elite-capture”: een groepje lokale leiders neemt het programma over.’

Dat is toch niet per definitie verkeerd, lokale machtsstructuren gebruiken?

‘Zeker niet. Maar je moet wel een bewuste manier vinden om zowel de elite aan te spreken als de mensen die normaal gesproken niet meedoen. Dat hoeft niet heel ingewikkeld te zijn. In de gemeenschappen waar ik ben geweest, hadden de elites een groot eergevoel. Als je hen daarop aanspreekt en zorgt dat het ook voor hen een succes is als het lukt om mensen erbij te betrekken die doorgaans buiten de boot vallen, dan is dat een goede tactiek. De uitsluiting komt vaak niet voort uit kwade opzet. Als je zegt: we richten ons met dit project bewust op de allerarmsten, helpen jullie ons om hen te vinden, dan maak je goede kans. Je kunt ook naar een dorpshoofd of dorpskoning gaan, en vragen of die het project wil zegenen.’

photo and copyright Leonard Fäustle

Maar de vooroordelen tegen uitgestoten mensen kunnen wel diep zitten.

‘Inderdaad. Daarom zal je scherp moeten monitoren. Als je er na de start niet meer naar omkijkt, zullen de vaste patronen niet doorbroken worden. Dan komt de hulp altijd bij dezelfde mensen terecht. En soms is het inschakelen van lokale chiefs ook echt geen reële mogelijkheid. In de gemeenschap in Bangladesh waar ik onderzoek deed, was de corruptie zo erg, dat het beter was om te zorgen dat betrokkenheid van het lokale bestuur zo klein mogelijk was. Ambtenaren eisten bijvoorbeeld altijd een deel van het geld.’

 Wat is het belangrijkste dat in uw ogen zou moeten veranderen om de allerarmsten te bereiken?

‘Organisaties die zeggen dat ze zich hiermee bezighouden, hebben vaak nooit met de mensen uit mijn onderzoek gepraat. Dat zou toch de eerste stap moeten zijn: beter weten met wie je van doen hebt. En als je ze eenmaal gevonden hebt, moet je erop blijven toezien dat ze bereikt worden. Want in de gevallen dat ze wel de stap namen om ergens aan mee te doen, vielen ze vaak snel uit. Omdat ze vanwege hun verminderde eigenwaarde zeer kwetsbaar zijn, en zelf snel denken dat ze te veel zijn.’

En hoe ziet u de rol van lokale organisaties en overheden?

‘Ook al zijn er dus belangrijke valkuilen, we moeten de rol van lokale overheden en organisaties juist eerbiedigen. We moeten stoppen met het maken van plannen en het stellen van prioriteiten op afstand. Vaak worden allerlei hulpacties in het Westen bedacht – dat zie je ook nu in de coronacrisis – zonder dat duidelijk is op welke vraag uit het globale Zuiden die plannen gebaseerd zijn. De regie moet in de landen zelf liggen. Dat kan betekenen dat sommige hulporganisaties overbodig worden – tenzij ze een omslag maken in denken en werken. Ik zou vooral projecten kiezen waarbij de lokale organisaties leidend zijn, waarbij je als westerse organisatie alleen ondersteunt.’

Hebt u ook goede voorbeelden gezien?

‘In de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba heb ik een organisatie gezien die het wél lukte om de allerarmsten te bereiken. Ten eerste waren de allerarmsten hier goed te identificeren. Ze woonden veelal in de sloppenwijken rondom een vuilnisbelt. Daarnaast hadden de allerarmsten hier alleen contact met andere allerarmsten of armen die in hun buurt woonden en was hun gevoel van eigenwaarde veel hoger dan bij degenen op het platteland.’

‘Toch was ook dit initiatief uiteindelijk niet duurzaam, omdat ook hier geen aandacht was voor immateriële aspecten van armoede, waardoor deze allerarmsten nog steeds moeite hadden om goed te functioneren in de samenleving. Ze werden buiten hun eigen “veilige” buurt namelijk nog steeds gezien als armen. Een meisje dat het uiteindelijk tot de universiteit schopte, kon daar tóch niet meekomen, omdat de sociale afstand tot de andere studenten voor haar als kind van de sloppenwijken te groot bleef.’

‘Het zijn dit soort lokale projecten, vaak gedreven door wat ik noem “lokale helden”, waar ik het meeste toekomst in zie. Ik heb in dezelfde stad ook een project gezien van een katholieke non, die enorm veel betekent voor een gemeenschap. Essentieel is dat dit soort voortrekkers geen onderscheid maken tussen mensen, en werkelijk iedereen mee willen laten groeien. Je moet net zoals deze helden de tijd nemen, en je moet werken aan het gevoel van menselijkheid en waardigheid, zodat de gemeenschappen anders gaan kijken naar de vraag wie het recht heeft om erbij te horen.’

Bepalen westerse organisaties dan hoe die gemeenschappen daar tegenaan moeten kijken?

‘Nee, je kunt die “lokale helden” ondersteunen die hier al mee bezig zijn. Maar daarvoor heb je wel een langere adem nodig dan een vierjarige beleidscyclus van bijvoorbeeld Buitenlandse Zaken. En je moet je niet laten drijven door de prestatiedruk van meetbare resultaten – juist die cijferdwang leidt ertoe dat organisaties de allerarmsten links laten liggen, omdat met hen niet makkelijk te scoren valt.’

kader 

5 tips van Anika Altaf: zo bereik je de allerarmsten 

  1. Praat met degenen om wie het gaat: wat hebben zij nodig en hoe kun je dat ondersteunen in de context waarin je je begeeft?
  2. Ken de context, inclusief politieke verhoudingen. Als organisatie ben je eigenlijk altijd ook politiek betrokken. Ook als je met de allerarmsten werkt, verschuift er iets in de gemeenschap, daar moet je je bewust van zijn. Betrek de lokale elites en de gemeenschap bij je activiteiten.
  3. Sommige mensen in extreme armoede hebben langdurig of permanent hulp nodig, voor hen bieden social protection-maatregelen een uitkomst.
  4. Stem je activiteiten af met andere organisaties in jouw werkgebied, versterk elkaar. Te vaak werken verschillende organisaties in één gebied langs elkaar heen.
  5. Wees je ervan bewust dat welzijn over meer gaat dan materiële aspecten. Vergeet de relationele en mentale aspecten niet. Het gaat om mensen.

 

Biografie

 

photo and copyright Leonard Fäustle

Anika Altaf

1986               geboren in Gouda

studie Sociale Geografie

2012-2018      onderzoeker en promovendus UvA

2019-heden    werkt als kennismanager en -makelaar voor The Broker en INCLUDE  Platform

Dangote wants to increase Nigeria’s self-reliance on food

Door Emmanuel Ndadozie | 30 november 2020

Nigeria relies largely on imported food to feed its population. Some years ago, the Nigerian multinational Dangote decided to change this situation. It started by purchasing six rice mills that will become operational in the next 18 months. Dangote Rice has started restructuring the rice farming sector tells Robert Coleman, Agricultural Director of Dangote’s rice business in Nigeria. ‘I believe agriculture is the future of Africa.’

Lees artikel

Minister Wiebes: woordvoerder van Shell of Nederlands Minister voor Economische Zaken en Klimaat?

Door Jurrian Veldhuizen | 25 november 2020

Inmiddels twee maanden geleden stelde Lammert van Raan van de Partij voor de Dieren 25 zeer kritische Kamervragen aan Minister Hoekstra van Financiën en Minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat over de twijfelachtige klimaatplannen van olie- en gasbedrijven. Minister Wiebes had lang de tijd nodig om antwoord te geven. Toen het uiteindelijk kwam, bleek de minister een uitstekende woordvoerder voor Shell en een kampioen in het ontwijken van vragen en daarmee verantwoordelijkheden, schrijft Jurrian Veldhuizen namens Building Change.

Lees artikel
UN Food Systems Summit 2021

Wie niet aan tafel mee mag praten, staat op het menu

Door Vice Versa | 24 november 2020

Oxfam Novib, Hivos, Both Ends en de AgriProFocus Food Security Policy Coalition pleiten voor duurzame en inclusieve voedselsystemen op de VN- wereldtop komend jaar. Tijdens de conferentie ‘Bold Actions for Food as a Source for Good’, op 23 en 24 November georganiseerd door de Wageningen Universiteit, het World Economic Forum en anderen, kan Minister Kaag aandringen op een ambitieuze Summit die harde afspraken maakt over de toekomst van ons voedsel.

Lees artikel