Door:
Lennaert Rooijakkers

16 juli 2020

Tags

Zijn Nederlandse bedrijven straks wettelijk verplicht om aan maatschappelijk verantwoord ondernemen te doen? Er zijn steeds meer tekenen die daar op wijzen. Volgens een grote beleidsevaluatie van het KIT is er de laatste jaren te weinig vooruitgang geboekt op het gebied van IMVO.  ‘Due diligence duur? Uit onderzoek blijkt dat grote bedrijven maar 0,009 procent extra kwijt zijn aan administratie.’

Post voor minister Kaag, eind juni. Niet de zoveelste felicitatie voor haar kandidaatstelling voor het lijsttrekkerschap van D66, maar een brandbrief van vijftig ondernemers en instellingen die pleiten voor het wettelijk vastleggen van due diligence – dat bedrijven verplicht te meten welke invloed hun activiteiten hebben op zaken als arbeidsomstandigheden, milieu en corruptie in de keten waarin zijn werken.

De ondertekenaars van de brief zijn het zat: zij houden zich keurig aan MVO-regels en doen daarvoor allerlei investeringen, terwijl andere bedrijven ermee wegkomen niets te ondernemen. Creëer een gelijk speelveld, is de boodschap van onder meer ASN Bank, WakaWaka, Suit Supply en MVO Nederland. Of, zoals Tony’s Chocolonely het samenvat: ‘wetgeving zorgt voor meer transparantie en gelijkheid in de supply chain. En bedrijven worden gedwongen om negatieve impact op mensenrechten en milieu in hun keten serieus aan te pakken. Go Kaag!’

Kruispunt

De brief komt niet uit de lucht vallen. Nederland staat op IMVO-gebied op een kruispunt. Na de zomer zal minister Kaag duidelijk maken hoe het IMVO-beleid er in de toekomst uit moet gaan zien. Een van de hete hangijzers is de vraag of er wetgeving moet worden ingevoerd. Terwijl andere Europese landen zoals Frankrijk en Groot-Brittannië al overstag zijn, maakte Nederland onder Kaags voorganger Lilianne Ploumen de keuze voor vrijwillige samenwerkingsverbanden per sector waarin bedrijven afspreken meer aan IMVO te doen. Binnen deze convenanten bepalen de overheid, bedrijven, brancheorganisaties, vakbonden en ngo’s gezamenlijk hoe zij dit het beste kunnen aanpakken. Sinds 2015 zijn tien IMVO-convenanten gesloten, onder meer voor de textiel-, voedingsmiddelen- en goudbranche.

Binnen deze afspraken zijn de Guiding Principles on Business and Human Rights van de VN en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen leidend. Aan de hand hiervan heeft de overheid een set MVO-regels opgesteld waar bedrijven die internationaal zaken doen zich aan moeten committeren. Wie zich aansluit bij een convenant, moet bijvoorbeeld handelen met respect voor mensenrechten en milieu, zich inzetten om dit te verbeteren en mogelijk negatieve impact in kaart brengen. Betrokkenen in productielanden hebben op hun beurt de mogelijkheid om herstel te eisen en verhaal te halen. Binnen de sectoren waarvoor convenanten zijn gesloten, moet binnen drie tot vijf jaar verbetering zijn bereikt.

Vrijwillig

Klinkt mooi, maar er zit een belangrijk nadeel aan die convenanten: de vrijwilligheid. Bedrijven hoéven zich niet aan deze afspraken te houden. Bindende maartregelen bestaan nu nog niet, op de Wet Zorgplicht Kinderarbeid. Dat zit degenen die wel de nek uitsteken dwars, zoals in de brief aan minister Kaag te lezen is.

Kaag liet de afgelopen maanden meerdere onderzoeken uitvoeren naar de effectiviteit van het Nederlandse IMVO-beleid en het functioneren van de convenanten. Zo constateerde Ernst & Young dat slechts 35 procent van de grote Nederlandse bedrijven zich aan de OESO-richtlijnen houdt.

Onderzoekers van het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) boden kort voor het reces van de Tweede Kamer een uitgebreide evaluatie van de IMVO-convenanten aan bij het ministerie, die inmiddels naar de Tweede Kamer is gestuurd. De uitkomst is duidelijk: de voortgang tot nu toe is onvoldoende. Het KIT stelt dat de convenanten meer resultaat kunnen hebben in combinatie met andere maatregelen, zoals due diligence-wetgeving. Hoewel de convenanten succesvol zijn geweest in het creëren van bewustzijn over due diligence, is alleen in de sectoren voor kleding en textiel en de bankensector vooruitgang geboekt op dit vlak. Uiteindelijk hebben slechts 494 bedrijven zich aangesloten bij een convenant.

Op basis van de eerdere onderzoeken, waaronder die van Ernst & Young, liet Kaag in een Kamerbrief (3 april dit jaar) al doorschemeren dat het ‘uitgangspunt is om binnen deze IMVO-beleidsherziening te komen tot een palet aan beleidsmaatregelen waaruit een “doordachte mix” kan worden samengesteld.’ Zij lijkt daarbij aan te sturen op een keuze voor ‘en, en’ en niet ‘of, of’, waarbij convenanten en wetgeving naast elkaar kunnen bestaan en elkaar waar nodig kunnen versterken een aanvullen.

Joël Voordewind

Als het aan ChristenUnie-Kamerlid Joël Voordewind had gelegen, was er een paar jaar geleden naast de convenanten al wetgeving ingevoerd. ‘Ik verwacht dat het nu eindelijk komt. Ik werk al 25 jaar in Den Haag. Al die jaren van vrijwilligheid, praten en inzetten op convenanten hebben er tot nu toe voor gezorgd dat slechts 35 procent van de grote bedrijven zich houdt aan de OESO-richtlijnen. Zelfs onder een ambitieuze minister als Sigrid Kaag.’

De convenanten zijn niet per se slecht, vindt Voordwind. Deze geven immers goed aan hoe de richtlijnen per sector eruit moeten zien. ‘Maar sommige sectoren doen er niet aan. Andere bedrijven zijn er niet mee bezig, of zeggen: we wachten wel tot de wet er is voordat we actief worden met IMVO. Gelukkig zijn er veel ondernemers die aangeven dat er een ondergrens moet komen.’ Het grootste voordeel van eventuele wetgeving? ‘Bekendheid’, zegt Voordewind. ‘In Frankrijk, waar al due diligence-wetgeving is, heeft dat enorme impact gehad. Daar zijn ze er zich tot in de boardrooms van bewust dat bedrijven zich aan MVO-regels moeten houden.’

Goede bedoelingen

Dicky de Morrée, lobby- en beleidsadviseur bij ICCO, ziet ook de goede bedoelingen van de convenanten, maar vindt eveneens dat ze te weinig bedrijven in beweging krijgen. ‘Dat soms wel aan IMVO wordt gedaan, en soms niet, kan niet de bedoeling zijn. Zowel IMVO in het algemeen als eventuele due diligence-wetgeving is gebaseerd op kijken naar de hele keten. Uiteindelijk zijn het ook kleine boeren in Zuid-Amerika, Afrika en Azië die daarvan moeten profiteren. Maar zolang het vrijwillig is, wordt het moeilijker die stappen te zetten.’ De Morrée kijkt er dan ook niet van op dat minister Kaag de mogelijkheden onderzoekt om wetgeving in te voeren. ‘Er begint duidelijk momentum voor te ontstaan. Als je de minister in de Tweede Kamer hoort spreken, lijkt wetgeving voor haar nu reëler dan vroeger.’

Eerder dit jaar deed Voordewind een voorzet voor wetgeving in een initiatiefnota voor IMVO, half juni ingediend met steun van GroenLinks, de PvdA en SP. Zij pleiten voor een wettelijke ondergrens voor maatschappelijk verantwoord ondernemen, waarbij due diligence het uitgangspunt is. Na het verschijnen van de laatste evaluaties zal Voordewind de nota definitief indienen. ‘Due diligence is zo belangrijk, omdat het de kern van de OESO-richtlijnen is. Het zet bedrijven aan tot het actief onderzoeken van de productieketen.’ Een veelgehoord tegenargument is dat dit bedrijven met allerlei extra administratie (en dus ook kosten) opzadelt. Maar volgens Voordewind valt dat mee. ‘Uit onderzoek van de Europese Commissie blijkt dat de kosten voor MKB’ers met 0,14 procent zouden stijgen. Grote bedrijven zijn 0,009 procent extra kwijt aan administratie. Het hoeft dus niet duur te zijn. En als je due diligence wettelijk verplicht maakt, met goede controle, dan voorkom je een situatie waarin bedrijven een formuliertje krijgen en kunnen zeggen: volgens mij klopt het wel zo’n beetje wat wij doen.’

Bottleneck

Het door Voordewind genoemde ‘formuliertje’, of afvinklijstje, wordt door critici van wetgeving vaak aangewezen als mogelijke bottleneck. Bedrijven moeten intrinsiek gemotiveerd zijn om aan IMVO te doen, stellen zij. Een trits voorwaarden opstellen waaraan zij moeten voldoen, gaat daar niet bij helpen.

Voormalig CNV Internationaal-voorzitter Arend van Wijngaarden keek er altijd zo tegenaan. Zijn opvolger Anneke Westerlaken sluit juist niet uit dat wetgeving nodig zal zijn, afhankelijk van een aantal evaluaties, zoals die van het KIT. (Dit interview werd afgenomen voordat het rapport openbaar werd). ‘Laten we die eerst afwachten’, zegt zij.

Bovendien ziet Westerlaken nu andere problemen. ‘We moeten in deze tijden van crisis oppassen dat IMVO niet nice to have in plaats van need to have is. Voor veel bedrijven draait het nu om niet failliet gaan, dan raken andere zaken daaraan ondergeschikt. Maar als je zoveel staatssteun aan bedrijven geeft, mag je ook rekenen op fatsoen van die bedrijven. Deze tijd biedt dus ook een kans om meer bedrijven aan te zetten tot IMVO. Als overheid moet je daarom met een pakket van steunmaatregelen komen waaraan de norm hangt dat bedrijven zich hieraan moeten houden in ruil voor steun.’

Hoe controleer je dat al die geholpen bedrijven zich ook netjes aan de regels houden? ‘Als uiteindelijk blijkt dat dat niet gebeurt’, zegt Westerlaken, ‘dan zul je in het ergste geval toch naar wetgeving moeten grijpen.’

Die slimme mix is nodig, zo zorg je dat IMVO meer is dan een afvinklijstje, stelt Westerlaken. ‘Dat zien we bij CNV soms bij wetgeving op andere terreinen, zoals de participatiewet, de quotumwet, het aannemen van een x aantal mensen met afstand tot arbeidsmarkt. Dan zie je dat er iemand wordt aangenomen die niet goed integreert in het team. Uiteindelijk werkt het het beste als je er zelf echt achter staat en het vanuit die ideologie aanvliegt. Dát zijn uiteindelijk de meest duurzamere oplossingen.’

Europese wetgeving

Vanuit het bedrijfsleven wordt positief aangekeken tegen eventuele wetgeving. Linda van Beek, directeur bij Global Compact Nederland en beleidssecretaris bij VNO-NCW en MKB Nederland, denkt zelfs nog een stap verder dan Voordewind. Zij pleit voor Europese wetgeving in plaats van nationale wetgeving. ‘Veel bedrijven en brancheorganisaties hebben dit als wens uitgesproken. Regel je dit op Europees niveau, dan heb je veel meer impact’, stelt zij. ‘Als je discussies over mensenrechten en leefbaar loon alleen in Nederland voert, beperk je jezelf heel erg. Een ander voordeel van Europese wetgeving is het creëren van een gelijk speelveld.’ Kortom, je kunt wel wetgeving invoeren om alle bedrijven in Nederland gelijk te trekken, maar daardoor ligt juist Europese ongelijkheid op de loer. ‘Bij nationale wetgeving moeten we echt oppassen dat onze bedrijven niet achter komen te staan.’

Wat is er mis met alles een voor een doen – eerst wetgeving invoeren in Nederland en daarna naar Brussel kijken. Van Beek heeft er zo haar twijfels over. ‘Ik denk dat het een gemiste kans is als we ons beperken tot het nationale pad en heb ook goed vertrouwen dat er EU-wetgeving kan komen. In Brussel wordt er veel over gesproken. Als ik kijk naar nationale wetgeving, dan denk ik: Nederlandse bedrijven hebben best wel een stempel te drukken, maar er zitten ook beperkingen aan. Het kan demotiverend werken als onze bedrijven zich moeten houden aan andere wetgeving dan Franse of Duitse bedrijven. Regel je het met elkaar, dan kun je met Europees handelsbeleid een stevige vuist maken tegen bijvoorbeeld het invoeren van producten van slechte kwaliteit.’

Bemiddeling

Voordewind ziet dat vooral vanuit internationaal opererende bedrijven een voorkeur voor Europese wetgeving bestaat. ‘Sommige bedrijven, zoals Danone, zijn actief in verschillende landen. Dus zij zeggen: bij voorkeur Europese wetgeving. Maar de meeste Nederlandse bedrijven willen dat het gewoon nationaal geregeld wordt, zolang er maar wél een gelijk speelveld met hun Europese collega’s is.’

Zorg daarom eerst dat je de zaken nationaal goed geregeld hebt, stelt het ChristenUnie-Kamerlid. Daarbij kan ook een voorbeeld worden genomen aan andere Europese landen. Frankrijk is een land waar bijvoorbeeld al stevige due diligence-wetgeving bestaat. ‘Daar zijn ze al heel ver. Maar het Franse model is gebaseerd op strafrecht. Franse bedrijven die zich niet aan de regels houden, kunnen een boete krijgen. Daar ben ik niet voor. Ik kies liever voor een model waarin je bedrijven niet straft, maar aanzet tot verbetering. Dus bemiddeling in plaats van juridisering.’

Voordewind ziet daarbij een belangrijke rol weggelegd voor het Nationaal Contactpunt Nederland (NCP). Elk land dat de OESO-richtlijnen onderschrijft heeft zo’n contactpunt. Bedrijven kunnen daar aankloppen voor informatie, maar er kan ook melding worden gedaan in geval van conflict tussen een bedrijf en een ngo over het toepassen van de richtlijnen. Voordewind ziet in de toekomst een extra taak voor de NCP weggelegd. ‘Breid je de NCP uit, dan kan het helpen bemiddelen na een tip van een ngo of door eigen onderzoek. Vervolgens kan dan met zo’n bedrijf worden gekeken hoe de regels beter kunnen worden nageleefd. Als dat alleen maar leidt tot weigering van meewerken, dan kun je overgaan tot een boete. Maar in eerste instantie moet opheldering gezocht worden, en niet de juridische kant.’

Uitgespeeld

Is de rol van convenanten bij eventuele wetgeving uitgespeeld? Gerjan Agterhof, politiek adviseur bij Woord en Daad, denkt van niet. De convenanten bestaan immers pas relatief kort en bedrijven zijn niet verplicht eraan deel te nemen. ‘Het convenant voedingsmiddelen is pas twee jaar geleden ondertekend, dus daar mag je nog geen wonderen van verwachten’, geeft hij aan. ‘In die zin is het te vroeg voor een finaal oordeel. Of we de convenanten een eerlijke kans hebben gegeven? Ik denk niet dat ze worden afgeschreven met de huidige evaluaties. Er worden ook stappen gemaakt. Maar als je kijkt naar de omvang van de hele uitdaging, dan gaat het niet snel genoeg. Te vaak wordt, onder meer via de media, nog melding gedaan van misstanden die bedrijven begaan.’

Ondertekening textielconvenant door oud-minister Ploumen.

Agterhof heeft juist goede hoop dat de introductie van wetgeving de convenanten een boost kan geven. ‘Het kan elkaar versterken. Met enerzijds stimulerende en anderzijds afdwingende maatregelen voor bedrijven die zich nu nog onvoldoende bezighouden met IMVO. Ik denk dat een convenant door bindende maatregelen écht tot zijn recht komt, omdat bedrijven dan harder op zoek zullen gaan naar plekken waar ze meer kunnen leren over IMVO en hun aanpak op dat terrein kunnen verbeteren.’

Ook De Morrée ziet een ondersteunende rol voor de convenanten weggelegd. ‘In de convenanten zijn allerlei partijen vertegenwoordigd: vakbonden, ngo’s, de overheid, bedrijven. Met zoveel partijen heb je een brede blik op het speelveld, dus is alle kennis aan boord om due dillegence goed uit te voeren. In dat licht is het mooi dat in de convenanten al een beetje ontdekt is wat bedrijven nodig hebben. Dat kun je dan uiteindelijk gebruiken bij een eventuele uitvoering van de wet.’

‘Toekomstige wetgeving zal natuurlijk ook vooral over due diligence gaan’, reageert CNV Internationaal-voorzitter Anneke Westerlaken. ‘Dat maakt het juist nu al belangrijk dat bedrijven al goed kijken hoe hun productieketen eruitziet. Ik hoop vooral dat er vanuit fatsoen prioriteit aan zal worden gegeven. Aan de andere kant: de effecten kunnen enorm zijn. We weten wat er is gebeurd in Bangladesh (het instorten van de Rana Plaza-fabriek met meer dan duizend doden tot gevolg, red.). Als je daar betere due diligence had toegepast, dan had je dat misschien kunnen voorkomen. Dus misschien moeten we op den duur ook concluderen dat de huidige aanpak onvoldoende is.’

Foto: Werknemers van peulenverwerkingsfabriek in Guatemala.Credit: Jaco Klamer.

Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) is een van de belangrijkste beleidsterreinen binnen de Hulp en Handelsagenda. In 2020 staat er veel op het spel. Zo staan er verschillende evaluaties op het programma en zal minister Kaag in dit najaar het nieuwe IMVO-beleid van het kabinet presenteren.

Vice Versa wil met het dossier het debat in Nederland over IMVO voeden en levendig houden.

Het kennisdossier is een initiatief van Vice Versa in samenwerking met de Civic Engagement Alliance,  het Initiatief Duurzame Handel (IDH) en de Fair, Green and Global Alliance.

 

SER wijst Kaag de weg naar wetgeving

Door Lennaert Rooijakkers | 21 september 2020

Nederland moet inzetten op het invoeren van due diligence-wetgeving en betere sectorsamenwerking als het een volgende stap op het gebied van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO) wil zetten. Dat zijn de hoofdpunten uit het advies dat de Sociaal Economische Raad over de toekomst van IMVO op verzoek van minister Kaag voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft opgesteld.

Lees artikel

Gelijkwaardige samenwerking levert wederzijds voordeel op

Door Marc van Dijk | 17 september 2020

Er is nog lang geen sprake van volledige gelijkwaardigheid tussen het globale Noorden en Zuiden in de wetenschap. Ook in onderzoek naar inclusieve mondiale ontwikkeling is het Noorden dominant. Peter Taylor en Irene Agyepong, voortrekkers op dit gebied, proberen oude patronen te doorbreken.

Lees artikel

Groot contrast Troonrede en begroting Kaag

Door Marc Broere | 16 september 2020

Gisteren was het Prinsjesdag. We vroegen Paul van den Berg, politiek adviseur van Cordaid, of de koning het in zijn Troonrede nog over internationale samenwerking had en hoe de begroting van minister Kaag eruitziet.

Lees artikel