Door:
Marlies Pilon

15 juni 2020

Tags

De Congolese modeontwerper Samir ‘Breezy’ Mahombi leeft al zes jaar in het Keniaanse Kakuma, Afrika’s één na grootste vluchtelingenkamp. Hij en 196 duizend lotgenoten overleefden oorlog en geweld, maar hoe overleef je corona in een overvol kamp zonder goede hygiëne? Samir gooit zijn naaimachine in de strijd en maakt kleurige mondkapjes voor de meest kwetsbaren.

Kakuma ligt in het hoge droge Noorden van Kenia en betekent letterlijk vertaalt ‘nergens’. Vergeet het stereotype beeld van een vluchtelingenkamp; Kakuma oogt eerder als een geïmproviseerde multiculturele stad, opgetrokken uit tinnen platen, hout en dekzeil. In tegenstelling tot bijvoorbeeld kamp Moria in Griekenland kunnen vluchtelingen hier naar school, lessen en trainingen volgen en zelfs via een lening een eigen bedrijfje opzetten (daarvan zijn er zo’n 2.000). De nadruk ligt hier op het ontwikkelen van talent en ondernemerschap.

Samir deelt mondkapjes uit aan iedereen die er eentje nodig heeft. Bron: Samir Mahombi

Er is een filmstudio, een bibliotheek, een supermarkt en telefoonwinkel. En een begraafplaats, waar de wifi-verbinding het best schijnt te zijn. Handelaren van buiten crossen op motortaxi’s en met busjes het kamp in- en uit, waardoor er op de markten groente, fruit en houtskool te koop is. Er zijn kerken en moskeeën.

Maar nu zit ook Kakuma in een lockdown. Door de dreiging van corona is er weinig over van alle bedrijvigheid. De angst voor het virus zit er goed in, helemaal toen op 25 mei jongstleden het rampscenario van politici, beleidsmakers en vluchtelingen realiteit werd. Een Keniaanse man uit Nairobi vertrok – ondanks de lockdown in de hoofdstad – naar Kakuma en bracht het virus met zich mee. Op 9 juni telde Kenia in totaal 2.872 corona besmettingen, en zijn 85 mensen aan het virus overleden. De politie treedt met traangas, kogels en geweld op tegen mensen die de lockdown of avondklok niet respecteren.

Een afgesloten wachtkamer 

Terug naar Kakuma, waar bijna 200 duizend mensen in een grote afgesloten wachtkamer op elkaar gepakt zitten. De anderhalvemetersamenleving is praktisch niet haalbaar, honderd mensen moeten één waterpomp delen en niet iedereen kent de luxe van zeep. Kakuma staat op sluimerstand. De scholen zijn gesloten, handelaren mogen het kamp niet meer in en de avondklok is ingesteld. Maar toch komt uit Kakuma 1 – het deel van het kamp waar vluchtelingen winkels en bedrijfjes mogen opzetten – het geluid van bedrijvigheid.

Uit de houten kledingwinkel van Samir Mahombi klinkt een ritmisch orkest. Vier mintgroene Janome naaimachines ratelen er lustig op los. Rechts in de hoek zit een lange man met lichtbruine huid gebogen over zijn naaimachine. Een zweetdruppel rolt via zijn voorhoofd over zijn wang naar beneden. Zo zit Samir nu al bijna twee maanden lang samen met drie van zijn werknemers mondkapjes te naaien. Vandaag is hij gestoken in een wit t-shirt met een zelfgemaakt Batman-logo. Daaronder een skinny jeans met geometrische patronen en leren sandalen.

Sinds hij bij zijn buurman, die wél een televisie heeft, zag hoe het coronavirus rondwaarde door Wuhan, wilde hij iets doen voor zijn gemeenschap in Kakuma. Hij zag dat de Chinezen mondkapjes dragen, en besloot zijn liefde voor mode in te zetten om de verspreiding van het virus in het kamp te stoppen. ‘Ondanks de voorlichtingscampagnes is er weinig kennis over corona. Er is gebrek aan medische voorzieningen, aan informatie en aan de mogelijkheid om afstand te houden van elkaar’, vertelt hij over Skype. Het nieuwsteam van Kakuma, Kanere, bericht dat er onwaarheden rondzingen in het kamp, zoals dat thee drinken corona kan stoppen, of dat alleen witte mensen en christenen corona kunnen krijgen.

Een voorbeeld zijn

Een van de flamboyante creaties van Samir Bron: Samir Mahombi

De welbespraakte en zachtaardige Samir verloor zijn familie zeven jaar geleden aan Congo’s voortslepende oorlog. Hij vluchtte helemaal alleen naar Kakuma. Het verleden ziet hij als een slechte plek die hij niet graag bezoekt. Naar Congo wil hij nooit meer terug. Toch heeft de nijpende situatie heeft hem nog niet van zijn dromen en ambities beroofd: ‘Ik wil internationaal modeontwerper worden, zodat de wereld ziet dat ook vluchtelingen talent hebben. Ik wil een voorbeeld zijn voor andere vluchtelingen.’ Als hij het zegt, gaan zijn ogen twinkelen.

Het is hem één keer gelukt om de felbegeerde ‘movement pass’ te krijgen van de autoriteiten. Hiermee mogen vluchtelingen het kamp tijdelijk verlaten voor medische redenen of werk. Omdat Samir tweemaal op rij de prijs voor beste kledingmaker van Kakuma won, werd hij uitgenodigd om zijn kleding te presenteren tijdens de Nairobi Fashion Week. In de Keniaanse hoofdstad mocht hij zijn ontwerpen, die hij omschrijft als een mix van urban elementen en traditionele Afrikaanse patronen, aan het grote publiek laten zien. Voor even mocht hij proeven van de smaak van vrijheid en succes.

Kakuma’s realiteit was bij terugkomst confronterend. ‘Eerlijk, terwijl ik wegdroom bij de theatrale creaties van Alexander McQueen, proberen mensen hier te overleven. In Kakuma ligt de prioriteit niet bij mode, zeg maar. Ik begrijp het wel, maar dat maakt het niet minder frustrerend. Door de coronamaatregelen heb ik geen inkomen meer. Voor corona verdiende ik ongeveer 155 euro per maand. Daarvan betaalde ik drie werknemers, nieuwe stoffen en de maandelijkse huur van mijn winkel. Van de rest kan ik wat eten en drinken kopen. Mensen zien mij hier als succesvol, maar ik kan nog zoveel meer. Ik ben een vluchteling, ja, maar wat betekent dat? Ik ben vooral een mens, net als iedereen. Waarom mag ik mijn talent en mijn dromen niet delen met de wereld?’

Een gedwongen eindstation

Naar Congo wil hij nooit meer terug. En de Keniaanse overheid staat het niet toe dat vluchtelingen toetreden tot de arbeidsmarkt. Een nieuw leven in Amerika, Canada of een Europees land zit er niet in, alleen de meest schrijnende gevallen krijgen die kans (per jaar mogen slechts een paar duizend vluchtelingen hun koffers pakken). Mede ook dankzij het anti-immigratiebeleid van Donald Trump en Europa’s ‘opvang in eigen regio’-mantra, is de droom van een nieuw leven verder weg dan ooit. En dus is het woestijnachtige Kakuma niet een tussenstop, maar voor de overgrote meerderheid een gedwongen eindstation geworden.

Samir maakt met zijn werknemers per dag zo’n 250 mondkapjes. Foto: Samir Mahombi

Ondertussen heeft Samir nauwelijks geld meer om nieuwe stoffen voor mondmaskers te kopen, zijn toch al schamele inkomen uit zijn kledingzaak viel weg toen de coronamaatregelen van kracht werden. Maar hij wil doorgaan. ‘Of je nu wel of geen vluchteling bent, iedereen, waar dan ook, heeft met corona te maken. En iedereen heeft een keuze. Ik ga niet lijdzaam toekijken, ik wil bijdragen aan de gezondheid en weerbaarheid van mijn gemeenschap.’

Een geluk bij een ongeluk is dat Kakuma, vlak voor corona uitbrak, een cholera-uitbraak overwon. Daardoor is er al bewustwording rondom hygiëne en is een systeem opgezet dat gezondheidsinformatie via leiders van de verschillende etnische groepen in het kamp kan doorspelen. In het kamp zijn slechts twee ziekenhuizen met weinig capaciteit. Een intensive care is er niet, en er bestaat een nijpend tekort aan beschermende kleding en beademingsapparaten. Zeven scholen zijn nu aangewezen als mogelijke quarantaineplekken.

Rampscenario

Tijdens de maandelijkse voedseldistributie houden vluchtelingen anderhalve meter afstand. Bron: UNHCR op Twitter

Kakuma wordt gerund door de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties. Er is vooral ingezet op preventie; voorlichting over hygiëne en afstand houden. Maar preventie is lastig als mensen op elkaars lip leven en alle bijna 200 duizend vluchtelingen in de rij moeten staan voor voedseldistributie. In plaats van eens in de twee weken is de voedseldistributie naar eens per maand gegaan, en krijgen vluchtelingen ‘Bamba Chakula’; een klein geldbedrag om zelf voedsel in te slaan en lokale handelaren te steunen.

Shamir zegt dat hij per maand een kilo rijst, een kilo graan en een liter zonnebloemolie krijgt, volgens hem niet genoeg om geen honger te hebben. Normaliter kan hij in de winkels in het kamp tomaten, bonen en papaya kopen, maar dat zit er nu niet in. Ondertussen heeft hij de productie opgeschroefd van 100 naar zo’n 250 mondmaskers per dag. Mensen met weinig geld krijgen het masker gratis, de mensen die het kunnen missen betalen 200 Keniaanse Shilling (omgerekend zo’n  1,60 euro). Met de opbrengsten koopt de jonge Congolees nieuwe stoffen om nog meer mondmaskers te maken. Maar zijn voorraad is slinkende. Hij is bezorgd.

Samir maakt moderne urban kleding gebaseerd op tradtionele Afrikaanse patronen. Foto: Samir Mahombi

‘Ik heb meer stof nodig, meer mensen hebben maskers nodig. Maar het geld is op. Ik krijg geen nieuwe bestellingen voor kleding binnen.’ Ondanks dat hij geen familie heeft en onzeker is over zijn toekomst, blijft Samir optimistisch. Elke ochtend als hij wakker wordt, geeft hij zichzelf een portie positieve energie door te dansen op Congolese soukous of Amerikaanse hiphop. Dan gaat hij naar zijn kledingwinkel om nog meer mondmaskers te maken. ‘Ik heb al zoveel overleefd, corona krijgt mijn ambities niet klein. Zolang we elkaar blijven helpen, staan we samen sterk.’

Wil je met Samir in contact komen, een bestelling plaatsen of wat geld doneren zodat hij meer mondkapjes kan maken? Contacteer hem via Instagram @samir_fashion_designer of stuur een mailtje naar info[at]viceversaonline.nl.

Voor meer persoonlijke verhalen van mensen die leven in Kakuma bezoek je https://www.i-am-kakuma.online/

 

De erfenis van vier bevlogen vrouwelijke ministers

Door Paul Hoebink | 07 juli 2020

Vier vrouwelijke ministers van Ontwikkelingssamenwerking sloegen eind vorige eeuw de handen ineen met de ‘Utstein-4’. De Nederlandse Eveline Herfkens was een van hen. Wat hebben zij samen bereikt? Herfkens’ long time partner in life and work poogt in zijn nieuwste boek de balans op te maken, maar raakt verstrikt in de feiten.

Lees artikel

‘Opgeven is erger dan verliezen’

Door Marc Broere | 29 juni 2020

Carolyne Ndalilah, directeur van de spraakmakende Keniaanse jongerenorganisatie TYSA, helpt jongeren zichzelf én de uitdagingen van hun gemeenschap te leren kennen. ‘Wat onze samenleving nodig heeft, zijn jongeren die voorbij de dag van morgen denken; die het als een uitdaging zien het onmogelijke uit te proberen.’

Lees artikel

In coronatijd schiet de noodhulpsector terug in oude reflexen

Door Sarah Haaij | 18 juni 2020

Noodhulp moet effectiever en meer lokaal worden georganiseerd, sprak de internationale gemeenschap in 2016 af. Voortaan zou een kwart van het hulpgeld zo direct mogelijk naar lokale partners gaan. De kloof met de praktijk is ‘schokkend’: o,1 procent van het corona-noodhulpgeld gaat rechtstreeks naar lokale ngo’s, voor wie inspraak en toegang tot fondsen tijdens de pandemie nog moeilijker lijkt te worden.

Lees artikel