Door:
Kunera Moore

12 juni 2020

Tags

Vandaag is de Werelddag tegen Kinderarbeid. Wereldwijd doen nog steeds 152 miljoen kinderen werk dat hun gezondheid of ontwikkeling schaadt of zorgt dat ze niet naar school kunnen gaan. Bij een crisis, zoals Covid-19, is de kans dat kinderarbeid toeneemt extra groot. Hoewel een verbod of “zero tolerance policy” vaak wordt beschouwd als de beste manier om kinderarbeid uit te bannen, blijkt deze zwart-wit-benadering volgens Kunera Moore van de Rainforest Alliance verre van effectief. Hoe kan het dan wel?

Wist je dat sommige van je favoriete etenswarenmogelijk zijn geproduceerd met kinderarbeid? Neem bijvoorbeeld chocolade: 60% van het belangrijkste ingrediënt, cacao, wordt verbouwd in Ivoorkust en Ghana, waar kinderarbeid een wijdverbreid probleem blijft.

Vanwege de gevolgen van COVID-19 kan kinderarbeid in en buiten deze landen toenemen. Als kinderen niet naar school gaan, is de kans groot dat ze vaker betrokken zijn bij werk in slechte omstandigheden. Ook kunnen beperkingen die door het virus zijn veroorzaakt, leiden tot verstoringen in de cacaoleveringsketen, wat tot economische problemen zou kunnen leiden onder de cacaoboeren op het platteland.

Een recent rapport van het International Cocoa Initiative vergeleek meer dan 50 onderzoeken naar de invloed van veranderingen in inkomen op kinderarbeid. Het blijkt dat wanneer gezinsinkomens of verdienmogelijkheden onverwachts dalen, kinderarbeid neigt toe te nemen. Een voorbeeld uit Ivoorkust laat zien dat een daling van het inkomen met 10% als gevolg van een daling van de cacaoprijs, leidde tot een toename van kinderarbeid met meer dan 5%. Bovendien lopen cacaoboeren – net als iedereen- kans op infectie – wat hun werkvermogen zou kunnen beïnvloeden. Zodoende kan er een beroep worden gedaan op kinderen van zieke ouders of kinderen met nog maar één ouder om al het werk op het land te doen, in een poging om zo het hoofd van hun familie boven water te houden.

Flinke vorderingen

Er zijn de afgelopen 20 jaar flinke vorderingen gemaakt om het aantal kinderen betrokken bij kinderarbeid wereldwijd terug te dringen. Het VN Sustainable Development Goal 8.7, dat erop is gericht alle vormen van kinderarbeid tegen 2025 uit te bannen, heeft een nieuw elan gecreëerd voor dit dringende probleem.

En toch schat de Internationale Arbeidsorganisatie dat maar liefst 152 miljoen kinderen wereldwijd nog steeds betrokken zijn bij kinderarbeid. De meerderheid van hen, ongeveer 71%, werkt in de landbouw: werk dat gevaarlijk en vermoeiend kan zijn, vaak met lange uren in de hete zon. Het probleem is vooral zeer acuut in Afrika, waar bijna de helft van de werkende kinderen (72,1 miljoen) wordt aangetroffen, waarvan de meerderheid in de landbouw.

Hier kan en moet verandering in komen. Hoewel men het verbieden van kinderarbeid vaak ziet als een wondermiddel, is dit niet voldoende. Jarenlange ervaring en onderzoek in de cacao-, koffie-, thee- en andere landbouwsectoren toont aan dat een bestraffende aanpak van kinderarbeid boeren en hun gemeenschappen niet in staat stelt het werkelijke probleem op te lossen. In plaats daarvan zullen boeren kinderarbeid proberen te verbergen voor inspecteurs die moeten controleren of er voldaan wordt aan de arbeidsnormen. Dit maakt het lastiger om kinderarbeid op te sporen en dus nog moeilijker om het probleem daadwerkelijk aan te pakken. Bovendien is het voor inspecteurs onmogelijk om álle plantages elke dag het hele jaar door te controleren, wat nog een reden is dat inspecties er vaak niet in slagen om kinderarbeid vast te stellen.

Toesnijden op lokale context

Dus hoe kan kinderarbeid het beste worden aangepakt? Ten eerste is het cruciaal dat alle maatregelen zijn toegesneden op de lokale contexten. Deze kunnen variëren van afgelegen familiebedrijfjes die onder de armoedegrens leven tot grote plantages met arbeidsmigranten die hun kinderen meenemen om te helpen bij de oogst en zo een centje extra te verdienen.

Kinderarbeid is een ingewikkeld vraagstuk met verschillende sociale, economische en politieke oorzaken. Voorbeelden van zulke oorzaken zijn gebrek aan toegang tot onderwijs, ondermaatse handhaving van arbeidswetten, gebrek aan zelfbeschikkingsrecht van vrouwen, armoede en onvoldoende sociale bescherming voor de armen. Daarbovenop is er nu een ernstige pandemie aan deze lijst toegevoegd.

Geschat wordt dat een typische cacaoboer in Ivoorkust bijvoorbeeld een kleine US $ 1908 per jaar verdient aan cacao en $ 2900 aan alle inkomsten bij elkaar. Dit is ver onder het leefbare inkomen – bepaald op $ 5448 – dat nodig is om verzekerd te zijn van een behoorlijke levensstandaard. Lage inkomens kunnen ertoe leiden dat boeren hun kinderen van school houden om op de plantage te werken, omdat het inhuren van extra arbeiders tijdens de oogst te duur kan zijn.

Het is belangrijk om te vermelden dat niet alle taken van kinderen op de plantage als kinderarbeid worden beschouwd. Integendeel, werk kan positief zijn voor een kind. Afhankelijk van hun leeftijd kunnen kinderen betaald of licht werk verrichten of werken voor hun familiebedrijf, als dit niet gevaarlijk is en het hun onderwijs niet in de weg staat. Werk kan een belangrijk onderdeel zijn om iets te leren over het familiebedrijf en zo te helpen toekomstige generaties cacaoboeren in stand te houden.

Geen sancties opleggen

In plaats dat bedrijven en certificeringsorganisaties de relatie met een boer onmiddellijk verbreken wanneer er een geval van kinderarbeid is geconstateerd, kunnen bewustmaking en steun de kans vergroten dat het kind weer teruggaat naar school en zijn of haar gezin kan ondersteunen met voor de leeftijd geschikt werk tijdens middagen en weekenden. Het opleggen van sancties zonder de grondoorzaak aan te pakken, kan vernietigend zijn voor boerenfamilies en gemeenschappen. Het draagt niets bij aan het doel om boeren uit de armoede te halen of kinderarbeid op te lossen.

Daarom is de Rainforest Alliance, een organisatie die werkt aan het verbeteren van het levensonderhoud van boeren en het beschermen van het milieu, een van de vele die overstappen op een nieuwe aanpak om het wereldwijde probleem van kinderarbeid aan te pakken. De benadering ‘assess and address’ (beoordelen en aanpakken) is gericht op het aanpakken van de hoofdoorzaken van kinderarbeid en ligt op één lijn met de UN Guiding Principles on Business and Human Rights en de OECD Guidelines for Multinational Enterprises.

Deze aanpak stimuleert boeren de hoofdoorzaak van kinderarbeid aan te pakken, in plaats van te proberen het te verbergen. Boeren en boerencoöperaties zullen een interne commissie moeten instellen die verantwoordelijk is voor het voorkomen van kinderarbeid, maar ook van dwangarbeid, discriminatiegeweld en intimidatie. Ze gaan proactief aan de slag om kinderarbeid te voorkomen door de lokale oorzaken van kinderarbeid te onderzoeken en die aan te pakken, door bewustzijn te creëren van wat voor werk kinderen wel en niet mogen doen en door cases te monitoren, te identificeren en op te lossen. Boeren en boerencoöperaties kunnen informatie over de voortgang die ze maken om kinderarbeid te voorkomen, delen met hun partners in de toeleveringsketen en proberen verdere ondersteuning van hen te krijgen bij het aanpakken van het probleem.

Kinderarbeid wordt nog steeds niet getolereerd op gecertificeerde plantages, maar een geconstateerd geval zal niet leiden tot onmiddellijke decertificatie. In plaats daarvan moeten plantages het kind uit kinderarbeid te verwijderen en het gezin ondersteunen om verdere uitbuiting van het kind te voorkomen. Deze ondersteuning kan variëren van hulp bij het verkrijgen van de geboorteaktes van hun kinderen, zodat zij zich voor school kunnen inschrijven, tot het vragen van betere toegang tot onderwijs en het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs, dan wel het ondersteunen van een boer om het gezinsinkomen te verbeteren.

Langdurige samenwerking vereist

Het is duidelijk dat één enkele organisatie een uitdaging van deze complexiteit en schaal niet alleen kan oplossen. Om dit op te lossen, is een langdurige samenwerking tussen verschillende actoren vereist.

Regeringen moeten ervoor instaan, dat de wetten op kinderarbeid in overeenstemming zijn met internationale arbeidsovereenkomsten en dat dergelijke wetten door middel van regelmatige inspecties worden gehandhaafd. Overheden moeten ook toegang bieden tot gratis en goed onderwijs voor kinderen en toegang tot fatsoenlijke gezondheidszorg voor iedereen. Het ondersteunen van kwetsbare gezinnen door middel van sociale bescherming en inkomenssteun is ook essentieel.

Veel grote chocoladebedrijven staan vooraan in de strijd tegen kinderarbeid en maken hierbij gebruik van monitoring- en herstelsystemen. Anderen hebben beduidende voortgang geboekt bij het in kaart brengen van hun leveranciers tot op de plantage, wat een cruciale eerste stap is. Het is ook essentieel dat bedrijven samenwerken met ngo’s en regeringen aan programma’s die een aantal van de hoofdoorzaken van kinderarbeid aanpakken. En last but not least: het betalen van eerlijkere prijzen om cacaoboeren een leefbaar inkomen te laten verdienen, moet ook deel uitmaken van de oplossing.

Certificatie-organisaties en andere ngo’s die werken aan het creëren van duurzamere cacaoketens moeten hun centrale rol blijven spelen door beleidsverandering te stimuleren en gezinnen en gemeenschappen te ondersteunen bij het voorkomen en oplossen van kinderarbeid.

Ten slotte kunnen consumenten hun steentje bijdragen door erop te staan dat de merken die ze kopen boeren een betere prijs betalen voor cacao, en cacaogemeenschappen ondersteunen bij duurzamere landbouw.

Kinderarbeid – niet alleen in de cacao-industrie, maar ook in sectoren als die van koffie, hazelnoten en andere wereldwijde toeleveringsketens – vraagt onze dringende aandacht. We moeten allemaal ons steentje bijdragen om het levensonderhoud van boeren en boerengemeenschappen over de hele wereld te verbeteren op een manier die kinderen ondersteunt en hen toegang geeft tot de kansen die ze verdienen.

Het aanpakken van de onmiddellijke gevolgen en verdere verspreiding van COVID-19 in West-Afrika is cruciaal. Laat dit ons er echter ook aan herinneren dat we verder moeten kijken en dat we weerbaardere systemen zullen moeten creëren voor langdurige verandering.

Kunera Moore werkt bij Rainforest Alliance waar ze Lead Tackling Child Labor is.

 

 

 https://hetnieuwe.viceversaonline.nl/site/wp-content/uploads/2020/04/Internationaal-Maatschappelijk-Verantwoord-Ondernemen.jpg

Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) is een van de belangrijkste beleidsterreinen binnen de Hulp en Handelsagenda. Dit jaar staat er veel op het spel. Zo staan er verschillende evaluaties op het programma en zal minister Kaag in dit najaar het nieuwe IMVO-beleid van het kabinet presenteren.

Een belangrijke vraag is bijvoorbeeld of onverantwoord ondernemen via dwingende wetgeving een halt moet worden toegeroepen. Vice Versa wil met het dossier het debat in Nederland over IMVO voeden en levendig houden.

Het kennisdossier is een initiatief van Vice Versa in samenwerking met de Civic Engagement Alliance (ICCO, CNV Internationaal en Woord en Daad), het Initiatief Duurzame Handel (IDH) en Action Aid.

De erfenis van vier bevlogen vrouwelijke ministers

Door Paul Hoebink | 07 juli 2020

Vier vrouwelijke ministers van Ontwikkelingssamenwerking sloegen eind vorige eeuw de handen ineen met de ‘Utstein-4’. De Nederlandse Eveline Herfkens was een van hen. Wat hebben zij samen bereikt? Herfkens’ long time partner in life and work poogt in zijn nieuwste boek de balans op te maken, maar raakt verstrikt in de feiten.

Lees artikel

‘Opgeven is erger dan verliezen’

Door Marc Broere | 29 juni 2020

Carolyne Ndalilah, directeur van de spraakmakende Keniaanse jongerenorganisatie TYSA, helpt jongeren zichzelf én de uitdagingen van hun gemeenschap te leren kennen. ‘Wat onze samenleving nodig heeft, zijn jongeren die voorbij de dag van morgen denken; die het als een uitdaging zien het onmogelijke uit te proberen.’

Lees artikel

In coronatijd schiet de noodhulpsector terug in oude reflexen

Door Sarah Haaij | 18 juni 2020

Noodhulp moet effectiever en meer lokaal worden georganiseerd, sprak de internationale gemeenschap in 2016 af. Voortaan zou een kwart van het hulpgeld zo direct mogelijk naar lokale partners gaan. De kloof met de praktijk is ‘schokkend’: o,1 procent van het corona-noodhulpgeld gaat rechtstreeks naar lokale ngo’s, voor wie inspraak en toegang tot fondsen tijdens de pandemie nog moeilijker lijkt te worden.

Lees artikel