Door:
Fons van der Velden

28 april 2020

Tags

Met de Shift the Power-special (zomer ’19) en het gelijknamige debat en kennisdossier heeft Vice Versa het debat geopend voor veranderende machtsverhoudingen in de ontwikkelingssamenwerking. Ntombi Nyathi en Fons van der Velden bouwen daarop voort: zeven aanbevelingen om deze machtsverschuiving de juiste richting op te helpen.

Door Ntombi Nyathi en Fons van der Velden

Er was eens een overstroming. De apen klommen de hoogste bomen in en keken naar de vissen die opgewonden opsprongen. De apen dachten dat de vissen niet sterk genoeg waren om naar het droge land te springen en dus namen de apen het op zich om de vissen te helpen. In stilte begonnen ze de vissen te vangen en naar het droge land te gooien. Natuurlijk stierven alle vissen die uit het water werden gegooid. In Zwemmen met droog haar (1991) merkt Kees van Kooten kernachtig op: ‘Wie het in Nederland goed heeft, kan het pijnlijk verkeerd hebben wanneer hij elders goed wil doen; zonder te weten wat hij eigenlijk fout deed.’

Het boek van de Britse ontwikkelingsdeskundige Robert Chambers, Rural Development; Putting the last first (1983), gaat over de inherente spanning tussen ‘buitenstaanders’ (in zijn geval plattelands-ontwikkelingswerkers) en ‘insiders’ (armen en gemarginaliseerde gemeenschappen in landelijke gebieden). Zijn boek kan worden gezien als een bijdrage aan het Shift the power-debat avant la lettre. In het boek betoogt Chambers dat buitenstaanders veelal de voorkeur geven aan diagnose en oplossingen die vooral henzelf tevreden stellen, en die tastbare en snelle resultaten opleveren. Hij houdt vervolgens een krachtig pleidooi dat het belangrijk is om omkeringen te bevorderen, die eerst en vooral wensen van armen zelf voorop stellen. Om dit te laten gebeuren, zo betoogt Chambers, is het van belang dat machtsverhoudingen tussen gever en ontvanger, outsider en insider veranderen.

‘Wie het in Nederland goed heeft, kan het pijnlijk verkeerd hebben wanneer hij elders goed wil doen’

Het door Vice Versa en Wilde Ganzen in samenwerking met zuidelijke partners geïnitieerde en geleide Shift the power-traject is dan ook zo belangrijk, omdat daarmee veranderende machtsverhoudingen als een kritieke noodzakelijke voorwaarde voor innovatie van hedendaagse internationale ontwikkelingssamenwerking centraal komt te staan.

Internationale ontwikkelingssamenwerking heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld van ‘personele assistentie’ (in die jaren in Nederland verzorgd door het ministerie van Buitenlandse Zaken (DGIS), de Vereniging PSO, SNV, VSO), naar technische assistentie, tot wat momenteel ‘capaciteitsopbouw’ wordt genoemd. Wie vanaf een afstandje naar deze ontwikkelingen kijkt, moet constateren dat tientallen jaren van internationale ontwikkelingssamenwerking hebben geleid tot wat de Zuid-Afrikaanse intellectueel en publicist Xolela Mangcu een ‘technocratic creep’ noemt. Mangcu zegt: ‘Deze technocratische griezel creëert professionele identiteiten gescheiden van burger-identiteiten. Het belichaamt instrumentele rationaliteit die zich richt op efficiëntie van middelen (en daarmee de vraag: Doen we de zaken op een goede manier?), en niet of nauwelijks aandacht heeft voor de meer fundamentele vraag: Doen we de goede dingen? Het beschouwt wetenschappelijke kennis als objectieve waarheid in plaats van als krachtbronnen die in relatie moeten staan tot andere soorten kennis voor effectieve actie.’

Een dergelijke benadering heeft veel ontwikkelingsprofessionals (in Noord en Zuid, Oost en West), hun benaderingen, methoden en hulpmiddelen losgemaakt van het maatschappelijk leven van de mensen die ze proberen te ondersteunen – er is bijna een parallel universum ontstaan met bijbehorend jargon. Het is tijd om het tij te keren en de kracht en eigenaarschap van betrokkenen opnieuw centraal te stellen in veranderingsprocessen. Om aan een dergelijke omkering bij te dragen, worden de volgende zeven – op praktijkervaringen van ontwikkelingsorganisaties en sociaal ondernemers gebaseerde – samenhangende strategische suggesties aangeboden.

In de eerste plaats moet onderkend worden dat arme en gemarginaliseerde groepen in de regel zelf heel goed weten wat hun prioriteiten zijn, én zelf de leiding kunnen nemen in veranderingsprocessen. N.C. Saxena, Tushaar Shah en Robert Chambers gaat het kernachtig om drie zaken: survival (overleven), security (zekerheid) en self-respect and dignity (zelfrespect en waardigheid). Mensen zijn vormgevers van hun eigen leven, van hun gemeenschappen en samenleving en zijn zelf agenten van verandering. Ze doen dit op basis van hun eigen geschiedenis, ervaringen en wijsheid. Het is daarom bij veranderingsprocessen van groot belang om arme en gemarginaliseerde mensen en gemeenschappen niet als machteloos, apathisch, of levend in een cultuur van zwijgen te beschouwen, en hen niet als zodanig te betitelen (door bevoordeeld te spreken over ‘begunstigden’, een term die als kleinerend kan worden ervaren, vanwege de connotatie met ‘iemand bescherming bieden’).

Les 1: niemand – ook niet ontwikkelingsprofessionals – ontwikkelt de ander; mensen ontwikkelen zichzelf en kunnen zelf hun eigen prioriteiten stellen. Het is in dit verband een goed begin als professionals en de organisaties waarbinnen ze werken in ieder geval beginnen hun taalgebruik, dat vaak een manifestatie is van diepgewortelde opvattingen, aan te passen, en niet langer spreken over ‘doelgroep’, ‘capaciteitsopbouw’, ‘empowerment’, ‘begeleiding’, et cetera en daarvoor meer respectvolle alternatieven ontwikkelen.

De naoorlogse internationale samenwerking is veelal geschoeid op het westerse moderniseringstraject en het westerse wereldbeeld van ontwikkeling en beschaving. Veel buitenstaanders hebben de neiging de daaraan verbonden moderniseringstheorie als universeel geldend te verklaren. Daarbij wordt uitgegaan van een lineair concept van ontwikkeling, waarbij alle landen min of meer dezelfde stadia van ontwikkeling doorlopen (Walt Rostow en latere volgers).

Maar er bestaat meer dan één wereldbeeld en één werkelijkheid. Vooraanstaande internationale wetenschappers zoals wijlen Gerrit Huizer (toenmalig directeur en hoogleraar Centre for International Development Issues Nijmegen), Harry Boyte en James Scott betogen al decennialang dat gewone mannen en vrouwen een cruciale rol spelen bij het creëren van sociale of wetenschappelijke intelligentie: kennisproductie op hoog niveau komt vaak ver van de academische wereld tot stand. Dit betekent dat er niet één bron van kennis is, dat niet één benadering dominant kan zijn, maar dat verschillende kennissystemen naast elkaar bestaan.

Er is dan ook in lage- en middeninkomenslanden een beweging op gang gekomen die pleit voor cognitieve rechtvaardigheid: besteed aandacht aan en respect voor meerdere kennissystemen die maatschappelijk handendelen informeren. Dit wordt (vooral in Zuid-Afrika) cognitive justice genoemd.

Les 2: houd er rekening mee dat dominante, op westerse leest geschoeide kennissystemen, geschiedenis en ervaringen niet universeel relevant, geldig en geaccepteerd zijn. Ontwikkel aandacht voor andere opvattingen, en respecteer die.

Kennisproductie op hoog niveau komt vaak ver van de academische wereld tot stand

In het licht van het voorafgaande gaat het er om gevoelig te zijn voor conflicten tussen endogene (van binnenuit) en exogene (van buitenaf) waarden, benaderingen, methoden en hulpmiddelen. De misfit tussen geïmporteerde modellen en concepten van professionals aan de ene kant en die van armen aan de andere zijde is vaak substantieel. Zoals Robert Chambers ooit welhaast cynisch opmerkte: ‘Degenen die moeten overleven in extreme omstandigheden kunnen zich geen onnauwkeurige waarnemingen of misleidende interferenties veroorloven.’

Gemeenschappen genereren zelf ‘inheemse kennis’ en geven deze door om hun sociaaleconomische en ecologische uitdagingen aan te gaan. Externe benaderingen (zoals de Groene Revolutie die in de periode 1960 – 1980 vooral in Azië werd gepromoot), geïntroduceerd door technocraten, hebben niet altijd bijgedragen aan lange-termijn-oplossingen met betrekking tot bijvoorbeeld natuurlijke rijkdommen, zo heeft de geschiedenis uitgewezen.

Buitenstaanders dienen oog te hebben voor wat er al is, daarop voort te bouwen, en uiterst voorzichtig te zijn. Of nog beter: te stoppen met het van buitenaf inbrengen van nieuwe benaderingen, methoden en hulpmiddelen. Verschillende donoren, inclusief het Nederlandse en Belgische ministerie van Buitenlandse Zaken, verplichten met methodieken te werken zoals het Logisch Kader, Verandertheorie, 5 C Model, en met de in Brussel, London, Washington en Den Haag ontwikkelde Planning Monitoring Evaluatie-matrixen. Dat dient te stoppen. Maak vooral gebruik van reeds bestaande lokale planning-, monitoring- en evaluatiepraktijken. Ook is het wenselijk dat outsiders leren aan te sluiten op bestaande netwerken en samenwerkingsverbanden, in plaats van nieuwe structuren op te leggen of te initiëren (zoals door een aantal organisaties gebeurt onder het mom van ‘programmatisch werken’).

De voorafgaande punten impliceren een verschuiving: van het zien van de armen en gemarginaliseerde groepen als louter benadeelde en machteloze wezens, naar het zien van alle mensen als potentiële probleemoplossers en mede-makers van publieke goederen. Het houdt een verschuiving in van de rol van professionals: van dienstverleners en experts die oplossingen brengen, naar *facilitators en gelijkwaardige partners.

Les 3: ontmythologiseer de rol van buitenstaanders als ‘expert’; begin met luisteren en doorvragen en stop het werken met geïmporteerde benaderingen, modellen en hulpmiddelen; sluit aan bij en bouw voort op wat er al is in termen van benaderingen, methodieken, hulpmiddelen en organisatorische verbanden.

Veranderingsprocessen, waar dan ook ter wereld, zijn in de regel inherent onzekere, complexe, onbestemde processen waarbij maatschappelijke coproductie van cruciaal belang is. Het is daarbij van groot belang dat alle relevante partijen vanaf de beginfase van een programma of project samenwerken. Dit betekent dat de analyse van uitdagingen en kansen, het design van programma’s en subsidieregelingen, én daaraan gekoppelde formats, vanaf het allereerste begin middels een authentiek proces van co-creatie worden uitgevoerd, gekenmerkt door gelijkwaardigheid en wederkerigheid.

Bij de planning, uitvoering en evaluatie van complexe veranderingsprocessen dienen oog voor context en ervaringen uit de dagelijkse praktijk leidend te zijn, en is coördinatie en leiderschap door uitvoerende partijen van cruciaal belang. In de praktijk impliceert dit dat besluitvorming (ook over financiën) niet langer centraal door investeerders en/of subsidieverstrekkers geschiedt, maar dat er meerdere centra van besluitvorming over financiën zijn. Een en ander impliceert dat binnen projecten en programma’s buitenstaanders niet langer automatisch budgetten beheren en de finale stem hebben over toekenning van fondsen, maar dat er op z’n minst sprake is van gedelegeerde en gezamenlijke besluitvorming.

Les 4: co-creatie van veranderingsprocessen vanaf de beginfase: in de formulering van strategische uitgangspunten van degenen die fondsen verstrekken (donoren, sociale investeringsfondsen), bij de formulering van beleid en subsidiekaders, en in het ontwikkelen van operationele richtlijnen.

Veranderingsprocessen zijn geen waardevrije, neutrale technocratische, apolitieke processen: het gaat meestal over de machtsvraag ‘wie krijgt wat, wanneer en hoe’. Het politieke karakter van veranderingsprocessen moet dan worden erkend en in aanmerking worden genomen. Verder dient ook bewust en expliciet aandacht te worden geschonken aan machtsverhoudingen binnen samenwerkingsrelaties.

Martin Luther King Jr. roept mensen op om macht te erkennen als de energie om dingen te laten gebeuren, maar om dat onafscheidelijk te verbinden met liefde, ‘het vermogen om relaties te creëren’ met mensen. Hij zegt: ‘Macht zonder liefde is beledigend en roekeloos, en liefde zonder macht is sentimenteel en bloedarm. Macht op zijn best is het implementeren van de eisen van rechtvaardigheid. Rechtvaardigheid op zijn best corrigeert alles wat tegen liefde staat.’ Het argument van Martin Luther King is dat macht in de praktijk niet los kan worden gezien van liefde; beide elementen zijn noodzakelijk om gelijkheid te creëren en gelijkwaardigheid tussen buitenstaanders en individuen te bevorderen. In ontwikkelingswerk kunnen zowel macht als liefde verweven worden in constellaties van privileges en posities die op hun beurt kunnen worden gebruikt om insiders te ondersteunen of te onderwerpen door buitenstaanders.

Les 5: beschouw veranderingsprocessen niet als apolitieke, technocratische, neutrale processen en schenk aandacht aan machtsverhoudingen, zowel in de context van een programma of project als in de samenwerkingsrelaties.

Fanon en Biko leren ons het belang van zaken benaderen vanuit het perspectief van onderdrukten en gemarginaliseerden

Het lijkt erop dat Rudyard Kipling met zijn beroemde gedicht The white man’s burden (1899) vooral een oproep wilde doen tot het koloniseren van ‘minder beschaafde’ volkeren door de westerse mogendheden. Het gedicht is tegenwoordig een eufemisme geworden voor racisme, kolonialisme en imperialisme.

De Afrikaanse psychiater, schrijver, filosoof en activist Frantz Fanon heeft met zijn boeken Zwarte huid, blanke maskers (1952) en Verworpenen der aarde (1961) een belangrijke bijdrage geleverd aan het denken over racisme. Hij betoogt in essentie dat racisme niet gaat over huidpigmentatie, maar meer over macht. ‘Een zwarte man wil blank zijn en een blanke man worstelt vaak hoe om te gaan met mensen.’ Ook oud-president van Ghana Kwame Nkrumah stelt dat identiteit intern wordt gedefinieerd, ‘niet omdat iemand op een bepaalde plaats geboren is, maar vanwege wie je bent. Niemand heeft de macht om een ander geweld aan te doen, tenzij de ander die macht weggeeft.’ De Zuid-Afrikaanse antiapartheidsactivist en leider van de Black Consciousness beweging Steve Biko (die in 1977 door het toenmalige apartheidsregime is vermoord) stelt dat zwarte personen hun identiteit van binnenuit moeten erkennen als een bron van macht.

Van mensen zoals Fanon en Biko kan onder andere worden geleerd dat – zoals de Nederlandse filosoof Hans Achterhuis jaren geleden al heeft betoogd – het belangrijk is om zaken te benaderen vanuit het perspectief van onderdrukten en gemarginaliseerden. Verder is het van belang –  analoog aan het betoog van Biko dat ‘zwarten’ zich bewust moeten worden van hun geïnternaliseerde onderdrukking – dat ‘witte’ mensen bewustzijn nodig hebben om te erkennen wat witheid betekent. ‘Dekolonisatie van de geest’ en bewustzijn zijn dan ook nodig. Niet alleen op individueel niveau, maar ook organisatieniveau ten aanzien van het veelal op westerse waarden geschoeide naoorlogse moderniseringsproject in het algemeen.

Les zes: schenk in ontmoetingen, evaluaties en leersessies bewust en systematisch aandacht aan uitingen van racisme, ook binnen samenwerkingsverbanden tussen outsiders en insiders. Besteed regelmatig en bewust aandacht, zowel op organisatie- als op team- en individueel niveau aan dekolonisatie van de mind-set.

In de regel is kritische zelfreflectie niet één van de meest prominente kenmerken van ‘do-gooders’, buitenstaanders die proberen assistentie te bieden. Toch is het vooral binnen internationale (ontwikkelings)samenwerking van cruciaal belang om het dominante ontwikkelingsparadigma en het daaraan gekoppelde kennissysteem, de houding en het gedrag van mensen actief binnen deze sector aan de orde te stellen. Het begint in wezen allemaal met dat buitenstaanders eens rustig gaan zitten, open vragen stellen, luisteren, leren van degenen die ze zo graag helpen, respect hebben voor – en leren van – inheemse kennissystemen; en vooral in gezamenlijkheid en op basis van wederzijds respect en gelijkwaardigheid aan een betere wereld samenwerken. Daarbij hoort dat buitenstaanders goed reflecteren op hun functie en rol binnen een dergelijk geheel.

Les 7: maak als buitenstander zowel op organisatie- als op individueel niveau en in de samenwerkingsrelatie met andere organisaties kritische zelfreflectie een integraal onderdeel van het werk (bijvoorbeeld als onderdeel van de jaarcyclus) en stel daarbij vooral de vraag: Doen we de goede dingen?, in plaats van alleen: Doen we ons werk goed?

Wilde Ganzen, Vice Versa en hun collega-organisaties uit het Zuiden verdienen waardering dat ze dit onderwerp met het Shift the power-traject weer eens stevig en systematisch op de agenda hebben gezet. Nu komt het er op aan dat deze belangstelling ook in daadwerkelijk handelen wordt omgezet.

Ntombi Nyathi is directeur van Training for Transformation in Zuid-Afrika. Fons van der Velden is directeur van Context, international cooperation. Met dank aan Laila Bouallouch, Dirkje Jansen en Siri Lijfering voor feedback op een eerdere versie van dit artikel.

Dit artikel maakt onderdeel uit van het kennisdossier ‘Shift the Power’, dat een samenwerking is tussen de Change the Game Academy van  Wilde Ganzen en Vice Versa. Met dit kennisdossier willen we de discussie over machtsverhoudingen binnen internationale samenwerking van input voorzien. 

Illustratie: Selma Sofie van Gorkum

Wacht nou eens op de hulpvraag!

Door Anika Altaf | 29 mei 2020

Bij deze COVID-19 crisis initiëren ontwikkelingsorganisaties allerlei acties in tientallen landen in Azië en Afrika. Maar sluiten die wel aan op waar mensen behoefte aan hebben en zijn deze wel kosteneffectief? Anika Altaf en Betteke de Gaay Fortman pleiten ervoor om niet in oude reflexen terug te vallen, maar nauwgezet uit te zoeken wat de hulpvraag is en goed te luisteren naar de mensen om wie het gaat.

Lees artikel

Corona steun via particuliere initiatieven

Door Marc Broere | 28 mei 2020

Niet alleen grote organisaties zijn actief met het geven van noodhulp tijdens de coronacrisis. Wilde Ganzen is een speciaal corona fonds gestart voor Nederlandse particuliere initiatieven en hun lokale partners. Zij zitten vaak in haarvaten van de samenleving en kunnen de meest gemarginaliseerde groepen bereiken.

Lees artikel

5 kernwaarden voor inclusieve waardeketens

Door Maria van der Heide | 27 mei 2020

De coronacrisis biedt kansen om te praten over wat het begrip waarde echt betekent in waardeketens, schrijven Maria van der Heide en Danielle Hirsch in deze opiniebijdrage. Waarde wordt nu uitgedrukt in economische termen als winst en groei. Maar wat hebben we aan winst en groei als de grondstoffen op zijn, mensen onbeschermd op straat staan en het klimaat de aarde onleefbaar maakt? Er zijn waardeketens, die wél werken en waar waarde een veel breder begrip is. 5 kernwaarden voor inclusieve waardeketens.

Lees artikel