Door:
Ayaan Abukar

22 januari 2020

Tags

Vóór de crisis in 2012 was Mali op het oog een modeldemocratie, maar door migratie en geweld in het noorden is het land nu van geopolitieke betekenis. En het ligt in een van de drie focusregio’s van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. Een tweeluik over het Malinese partnerschap: om te beginnen de politieke achtergrond, ter plekke geschetst.

Het nationale motto van Mali – ‘Eén volk, één doel, één geloof’ – valt op als we langs de cité administrativerijden, de ministeriële wijk in Bamako. De imposante gebouwen domineren het stadsbeeld en zijn vanuit de verte helder te zien.

Deze wijk is het politieke hart van de hoofdstad. Het West-Afrikaanse land werd tot voor kort beschouwd als een modeldemocratie, een illusie die op 22 maart 2012 uiteenspatte na de staatsgreep door kapitein Amadou Sanogo.

De militairen maakten zo een einde aan een democratisch experiment van twintig jaar. Op de coup d’état volgde weliswaar een overgangsregering en de verkiezingen in 2013 verliepen relatief rustig, maar sindsdien is de hoop vervlogen en verkeert het land in een toestand van instabiliteit en onveiligheid.

Het is 37 graden in Bamako en de drukkende hitte is voelbaar in het verkeer. Onderweg, in de taxi, valt de vertrouwde geur van Afrika over ons heen: van verbrand hout en alles wat op straat wordt gekookt, versterkt door de chaos van de duizenden brommers en groene busjes, die een dikke laag rood stof achterlaten. Wie hier te lang stilstaat, in grote hoeveelheden uitlaatgas, moet naar adem happen.

We rijden over een brede brug en steken de Niger over. De brug is in de jaren tachtig aangelegd met financiële hulp van het Saoedische koningshuis en heeft haar naam daaraan te danken: ze is vernoemd naar Fahd bin Abdoel Aziz al-Saoed, de derde Saoedische koning.

De rit voert naar Moussa Mara, een voormalige premier, die op ons wacht in zijn kantoor in het hart van de wijk Commune III, waar hij burgemeester is geweest. Ondanks de zichtbare armoede is Bamako het belangrijkste administratieve centrum en commerciële hart van Mali.

We zullen bespreken hoe het is om aan democratisering te werken in een land met politieke instabiliteit, corruptie en armoede. Mali wordt al jaren gezien als het voorbeeld van een succesvolle democratie met een grondwet, een democratisch gekozen parlement, politieke partijen en persvrijheid. Maar het kaartenhuis viel in 2012 in elkaar, na de opstand in het noorden en de staatsgreep in de hoofdstad.

 

Politieke motivatie

Moussa Mara

Moussa Mara, het gezicht van de nieuwe generatie Malinese politici, ontvangt in zijn kantoor. Zijn medewerker vraagt of wewillen wachten. De antichambre oogt als een gewone kantoorruimte, maar het enorme schilderij van de politicus en de gewapende bodyguard bij de deur doen die indruk vlug vervagen. De bewaker vraagt onze tolk om niet tegenover het kantoor van zijn baas te zitten; dat zou in strijd met de veiligheidsvoorschriften zijn.

We worden warm onthaald door Mara. Zijn werkvertrek staat vol met traditionele voorwerpen, een imposant zwaard hangt aan de muur en in de vele kasten staan boeken opgestapeld. Hij wijst naar de exemplaren die hij zelf schreef: over politiek, Afrikaanse jeugd, de toekomst van Mali.

Als hij terugdenkt aan zijn begindagen, is er een glimlacht en vertelt hij met beheerste stem over zijn beweegreden om de politiek in te gaan: ‘Mali is een arm land,’ zegt Mara, ‘waar weinig kansen zijn – als je mogelijkheden krijgt om in zo’n land naar school te gaan, dan moet je iets terugdoen voor de samenleving. De politiek bood die kans.’

Als zoon van een christelijke vader en islamitische moeder raakte hij in de jaren negentig maatschappelijk betrokken en in 2003 begon hij in de lokale politiek. Hij werd burgemeester van zijn wijk Commune III, met zeshonderdduizend inwoners.

‘Die verantwoordelijkheid gaf me de kans mensen te helpen’, vertelt hij. ‘Ik stond dicht bij de bewoners, maar was tegelijk onafhankelijk.’ Het meest trots is hij op de samenwerking met jongeren en met maatschappelijke en vrouwenorganisaties. Het direct leveren van basisvoorzieningen is volgens hem de essentie van politiek.

Zijn collega-politici hebben een ander beeld daarvan: ‘Maar twee procent is geïnteresseerd in het algemeen belang, de overige 98 procent gaat de politiek in omwille van het eigenbelang. Politiek is voor de meesten de enige manier om geld te verdienen – ze hebben geen beroep of alternatief.’

Hij wijst naar zijn bureau. ‘Dit is mijn kantoor,’ zegt hij, ‘ik ben boekhouder, de politiek vormt niet mijn hoofdinkomen.’ Zo onderscheidt hij zich van veel collega’s, vindt hij. Ze opereren als beroepspolitici en hebben daardoor veel te verliezen tijdens de verkiezingen.

 

Burgers en de politiek

Mali werd in 1960 onafhankelijk van Frankrijk en viert volgend jaar zes decennia van ‘vrijheid’, maar de zelfstandige republiek kende veel instabiliteit en conflict. Ze werd geteisterd door opstanden in het noorden en door drie staatsgrepen.

Dat de recente geschiedenis turbulent was, verbaast Moussa Mara niet. De erfenis van de vrijmaking is een staat die ‘zichzelf staande houdt door geweld’, zegt hij. ‘We zijn verdergegaan met deze manier van regeren. Daarom herkennen mensen zichzelf niet in de politiek, zijn we nog steeds arm en vragen we Frankijk telkens om hulp.’

Hij ziet een uitweg om de vicieuze cirkel te doorbreken: ‘De route naar politieke stabiliteit en een sterke democratie loopt via een staat die voldoet aan de verwachtingen van de inwoners, waarbij de leiders in dienst van de mensen regeren en niet voor hun privébelang.’

De negentien miljoen inwoners zijn zeer verschillend: ‘De culturele, etnische en territoriale diversiteit moeten we als kans zien, niet als bedreiging’, voegt hij eraan toe. Dit optimisme over de toekomst van de Malinese democratie wordt alleen niet breed gedeeld.

‘De gemiddelde burger hier ziet de politiek als een “leugen” voor zelfverrijking’, zegt Mara. Het heeft een slecht imago, dat onderkent hij. ‘Dat verklaart ook de lage opkomstpercentages bij verkiezingen. De Malinese staat heeft – zoals het nu functioneert – weinig toegevoegde waarde voor hen. Zo komt het volk niet uit de armoede.’

Een drastische verandering in het politieke leiderschap is gewenst: er is behoefte aan jonge leiders die de mensen kennen, die kunnen omgaan met technologie en de principes van goed bestuur. Hij illustreert de noodzaak door verwijzing naar de statistieken: ‘Maar liefst tachtig procent van de Malinezen is onder de 25 jaar en tachtig procent van de politieke leiders is zeventig of ouder. We hebben politici die nooit een computer hebben gebruikt.’

Moussa Mara is desondanks positief over de toekomst: hij ziet verandering die door de jeugd wordt gedreven. ‘Jongeren in de grote steden stemden bij de laatste verkiezingen niet voor het geld, maar uit overtuiging. We moeten blijven investeren in jongeren en in onderwijs over burgerschap.’

Het establishment verzet zich tegen de verandering; de beroepspolitici zien het als bedreigend. Politiek is hun hoofdactiviteit en daarom een nulsomspel. Ze zullen alles doen voor hun benoeming – en om hun plaats te behouden.


Kantelmoment voor de democratie

De loopbaan van Mara in de landelijke politiek valt samen met de turbulente jaren. Toeareg-milities en islamitische fundamentalisten namen in 2012 de macht over in het noorden. De Malinese regering diende op 10 januari 2013 een verzoek in voor een Franse militaire interventie tegen de rebellen, die met een offensief bezig waren tegen het zuiden.

De gebeurtenissen vormen volgens Mara een kantelmoment voor de democratie.Jihadisme liet onze tekortkomingen zien. Het is een thermometer, de consequentie van een slecht bestuur en niet de oorzaak van de onrust. Mensen bleken meer vertrouwen te hebben in de jihadisten, die hun verlangen naar ander bestuur en gerechtigheid blijkbaar konden vervullen.

‘We moeten op zoek gaan naar nieuwe vormen van goed bestuur,’ vervolgt hij, ‘waarbij we rekening houden met de belangen van de bevolking. Dat is nodig in de strijd tegen jihadisme.’ Mara is een voorstander van decentralisatie van de macht en bestuurlijke verantwoordelijkheid.

‘In Mali is en blijft negentig procent van het overheidsgeld in de hoofdstad Bamako. De belangrijkste beslissingen worden hier genomen, maar Mali is twee keer groter dan Frankrijk en dertig keer groter dan Nederland.’ Decentralisatie is daarom essentieel voor de democratie. ‘Lokale macht is efficiënter en voldoet aan de verwachtingen van de bevolking.’

Maar de meerderheid van het establishment gaat niet akkoord met deze vorm van democratie, omdat het niet in zijn belang is zeggenschap af te staan. De regering deed in de laatste twintig jaar beloften over federalisme, om meer macht te verplaatsen naar het noorden, maar in de praktijk kwam daar weinig van terecht.

 

Een simpele ingreep

Al zijn er democratische elementen die wel werken. Hij is te spreken over hoe vrijheid van meningsuiting in Mali werkt. ‘We hebben zelfs te veel vrijheid, als je het mij vraagt’, zegt hij lachend. De pers is vrij, al vindt Mara de kwaliteit vaak matig.

‘Het grootste probleem van onze democratie is de mensen. Malinezen nemen nauwelijks deel aan het democratische proces. We zien dat degenen die naar de stembus gaan, dat doen voor het geld. De geldstroom is een serieus probleem in ons systeem; er is geen controle over de instroom tijdens verkiezingen. Democratie functioneert daarom niet.’

Hij heeft een oplossing bedacht, een simpele ingreep: alle kandidaten moeten de bron van hun inkomsten publiceren. Dat bestaat al in Europa, maar niet in Mali, waar je grote bedragen kunt ontvangen zonder enige controle.

De inkomsten van de campagnes moeten transparant zijn, en hij pleit ook voor een limiet aan de uitgaven tijdens de verkiezingen en voor maatregelen tegen wie zich niet aan deze regels houdt. Zijn voorstel werd kritisch onthaald, niet alleen door de regeringspartij, maar ook door de oppositie.

Dankzij de steun van ngo’s is het gelukt zijn voorstel op te nemen in de conclusies van de eerste ronde van de nationale dialoog. Hij heeft hoop en ziet een mentaliteitsverandering in de praktijk, vooral onder de maatschappelijke organisaties. Echte verandering moet van bovenaf komen, uit politiek leiderschap.

Mali heeft het Franse politieke model overgenomen, een semi-presidentiële meerpartijendemocratie, met een sterke uitvoerende macht. De president benoemt de premier, die de regering vormt, maar behoudt zelf een zwaarwegende stem in de besluitvorming.

‘De president’, zegt Mara, ‘beschikt over de regering en de staatsmiddelen en heeft het parlement indirect in zijn macht. In dit model is slecht leiderschap een ramp voor het land. De verkiezingen zullen niet tot de nodige verandering leiden als we de mechanismen voor financiering niet een halt toeroepen.’

Het systeem wordt volgens hem in stand gehouden door dezelfde groep politici die over veel middelen beschikt voor dure campagnes, het opkopen van stemmen en zo de verkiezingen wint en aan de macht blijft.

 

Discussie op de buitenplaats

De avond is nog steeds warm en stoffig als we het verkoelde kantoor van Moussa Mara verlaten. We nemen een taxi en steken de brug weer over. Onze volgende afspraak is aan de andere kant van de Niger, de rivier die als coördinatiepunt dient in een stad zonder straatnamen.

De hoofdwegen van Bamako zijn redelijk verlicht en in de ban van een enorme file. Aan beide kanten van de weg zitten mannen in kleine groepen en ook verkopers aan lage tafeltjes. Bamako bij maneschijn is net zo chaotisch als bij daglicht, maar de grens tussen chaos en stil is smal.

Als we een zijstraat inrijden, heerst er een onverklaarbare kalmte. Het geluid van krekels, gedragen door de afgekoelde avondbries, zorgt voor ontspanning en maakt de tocht over het slechte wegdek aangenamer.

Bij aankomst ontmoeten we vijf jongemannen, tussen de 24 en 31 jaar, die samen een grin vormen, een groepje. De jongste volgt een masterstudie in personeelszaken en de oudste een in internationaal publiekrecht.

We spreken elkaar op de buitenplaats van een woning – de eigenaar is arts geweest en verhuurt dit huis aan een Nederlandse journalist en zijn vrouw. De jongeren zijn goed op de hoogte van de laatste ontwikkelingen; ze komen elke avond bijeen voor een ronde actualiteit en analyse, afgewisseld met fikse discussie.

Grins vormen een bepalend onderdeel van het Malinese straatbeeld. Politiek leeft op straat, maar het zijn tegelijk vooral de jongeren die de weg naar de stembus niet vinden. De opkomst is dramatisch laag, ongeveer een derde – en het aandeel van de jongeren daarin is gering.

We vallen bij het gesprek met de deur in huis en vragen of ze vorig jaar gestemd hebben. De helft níet, maar dat was geen onwil en had vooral technische redenen, zoals het niet hebben van de juiste papieren. Maar op de toelichting volgt dat ze tòch niet zouden stemmen – het is niet populair.

Seydou Keïta doet een poging het sentiment te vertolken: ‘Jonge mensen zijn niet overtuigd van politici, dat zijn leugenaars; ze liegen heel de tijd. Als ze eenmaal aan de macht zijn, stelen ze alles in ons land. En in verkiezingstijd beloven ze dingen die ze nooit kunnen waarmaken, zoals een baan voor iedere jongere.’

Er is een groep die wèl stemt, maar met een ander motief: voor het geld. ‘Niet omdat ze denken dat ze iets aan de situatie in Mali kunnen veranderen’, zegt Oumar Togo. De 27-jarige blogger en leraar Frans is gefrustreerd over de status quo in de politiek. ‘Sinds de onafhankelijkheid is het altijd dezelfde elite die aan de macht is. Het is al zestig jaar een gesloten cirkel.’


‘Uit liefde voor je land’

De perverse verhouding tussen jongeren en politiek komt voort uit een diep wantrouwen – en verandering zal volgens hem niet vanuit de jeugd komen. Togo wijt dat aan het gebrek aan burgerschap.

In Mali wordt het hebben van rechten gezien als een afwezigheid van plichten, zegt hij. ‘Die mentaliteit moet eerst veranderen. Je hoort niet vanwege het geld op iemand te stemmen, maar uit liefde voor je land’, voegt Togo verontwaardigd eraan toe.

Ook Keïta is pessimistisch en merkt op dat de jeugd nog niet klaar is om te stemmen. De heersende gedachtegang gaat uit van snelle winst, zoals uitgedeelde zakken suiker en rijst en soms zelfs een wasmachine. Of een geldbedrag, veelal 2.500 CFA-frank: vier euro. ‘Daarom stemmen mensen op een kandidaat,’ zegt hij, ‘bijna niemand denkt aan het land – hooguit een kwart.’

Hij zegt dat bij het stemmen nog iets anders meespeelt: jongeren zien het vooral als iets voor de ‘hogere mensen’, die al een positie in de maatschappij bekleden. Verkiezingen zijn ook vaak de zaak van de volwassenen thuis, jongeren zouden dat dienen te respecteren.

De later aangeschoven boekhouder Abdoulaye Dagno gaat in op het kopen van stemmen. Het is voor arme mensen handiger het geld aan te nemen dan bewust te stemmen in het landsbelang, denkt hij. Zestig procent van het volk is bovendien ongeletterd, wat zeker buiten de steden een probleem is. ‘Zij weten meestal niet eens wat een regering is’, zegt hij.

De groep begint te discussiëren over het concept van democratie: in wezen gaat het over vrijheid en burgerschap, over rechten en plichten, daarover zijn ze het eens. Het is alleen lastig discussiëren met iemand die niet kan lezen en schrijven en niet weet wat een regering is – en die is dus als stemmer moeilijk te benaderen.

Dagno neemt daarop de recente geschiedenis door, met de introductie van democratie in 1991. Onder de dictatoriale regering ervóór wist iedereen waar hij aan toe was, maar vanaf ’91 deed de denkwijze van je kunt doen wat je wilt opgeld en dezelfde politici die toen naar voren kwamen, zijn nu nog steeds actief. Sindsdien is de corruptie enorm toegenomen.

 

Democratie in Afrikaanse stijl

Een verwijzing naar de vroegste democratisering van Mali, die begon kort na de beroemde toespraak van François Mitterrand op de Frankrijk-Afrikatop in La Baule. De Franse president eiste in 1990 van de oud-koloniën een meerpartijensysteem en hij koppelde dat aan economische steun: ‘Geen ontwikkelingshulp zonder democratisering.’

Oumar Togo zegt dat er in Mali een neiging is alles wat van buiten komt maar aan boord te nemen. ‘We moeten een democratie hebben die aansluit bij de Afrikaanse stijl van leven. Nu is er voor een vorm gekozen die volkomen is opgelegd.’

Keïta knikt en zegt dat als je een huis wilt bouwen, je eerst moet zorgen dat de grond erop berekend is. In 1991 is het huis van de democratie in Mali gebouwd, maar de grond was nog niet ervoor geplaveid. Er is Malinezen nooit uitgelegd hoe ze met de democratie moesten omgaan.

Hoe zou een democratie volgens de jongemannen eruit moeten zien? Wat zouden zij zelf als maatregelen nemen? Het gesprek valt even stil, dan wordt er gelachen en eerst onderling gediscussieerd. Het begint bij het onderwijs, meent Dagno. Hij pleit voor hervormingen, voor veel meer aandacht voor Afrikaanse cultuur en Afrikaanse normen en waarden.

Seydou Keïta erkent de voordelen van democratie, zegt dat het concept op zich niet slecht is: vroeger had men geen recht op vrije meningsuiting, nu wel. ‘Maar het idee van een nieuw Mali ontbreekt nog, dat een democratie rechten en plichten inhoudt.’ Het land heeft volgens hem een goed systeem, maar niet de juiste mensen om het draaiende te houden. Daarom is er educatie nodig.

Togo knikt en zegt dat het huidige geschiedenisonderwijs heel onpraktisch is. Je leert wel over de oude rijken in Ghana, maar niet over de moderne Malinese historie en hoe de staat is ingericht – en meer over het Rusland, China en Frankrijk van nu, altijd weer Frankrijk.

Wat zijn hun eigen dromen, eigenlijk? Waar zien ze zichzelf over vijf jaar staan? Ze zeggen te verlangen naar een mooie, fatsoenlijke baan, maar vooral naar een carrière met de mogelijkheid te reizen, de wereld te ontdekken.

Voor velen blijft het magische Europa lonken. Wat schuilt ten diepste erachter? De boodschap is simpel: ‘Migratie draait om het zoeken naar beter leven en als we dat hier niet vinden, zoeken we het elders. Zolang Europa dit continent blijft plunderen, blijven wij komen.’

 

 https://hetnieuwe.viceversaonline.nl/site/wp-content/uploads/2018/09/perry-grone-732606-unsplash-scaled.jpg

In 2016 werd het programma ‘Samenspraak en Tegenspraak’ gelanceerd, waarmee de Nederlandse overheid zich inzet voor een krachtig en onafhankelijk maatschappelijke middenveld in lage- en lage middeninkomenslanden en maatschappelijke organisaties ondersteunt in hun rol van waakhond en als constructieve speler in duurzame ontwikkelingsprocessen. De totale financiële bijdrage bedroeg  925 miljoen euro voor 25 allianties van maatschappelijke organisaties voor een periode van vijf jaar. Binnen deze allianties zijn in totaal 61 organisaties betrokken, werkzaam in zo’n zestig landen, in strategisch partnerschap met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

De komende zes weken brengt Vice Versa achtergrondverhalen en reportages over deze strategische partnerschappen uit Nigeria, Myanmar, Guatemala en Mali. Hoe gingen de partnerschappen te werk en op welke wijze werd er een verschil gemaakt? En wat zijn de geleerde lessen?

‘Samenspraak en Tegenspraak: de oogst’ is een samenwerking tussen Vice Versa en het ministerie van Buitenlandse Zaken.

‘De allerarmsten worden niet geholpen. En dat kan wél.’

Door Marc van Dijk | 05 augustus 2020

Te vaak lanceren hulporganisaties projecten zonder eerst te praten met degenen om wie het gaat. Onderzoeker Anika Altaf sprak met de allerarmsten in Ethiopië, Benin en Bangladesh. Om hen te bereiken moet het roer om.

Lees artikel

Richt je niet alleen op laaghangend fruit

Door Marc Broere | 30 juli 2020

In zijn hoofdredactioneel commentaar in de nieuwe Vice Versa doet Marc Broere een oproep aan ontwikkelingsorganisaties om een extra mijl te lopen om ook de meest gemarginaliseerden in te sluiten in hun projecten. Onderzoeker Anika Altaf laat zien dat het kan.

Lees artikel

Column Eva Nakato: Van nadeel tot voordeel

Door Eva Nakato | 27 juli 2020

Wat vroeger in je leven als ‘ongepast’ werd gezien door je omgeving, blijkt vaak de sleutel tot succes in je latere leven te zijn. Ook voor onze columniste Eva Nakato. Vroeger werd ze soms gepest om haar zware stem, nu wordt ze juist hiervoor uitgekozen voor het spreken in het openbaar en het inspreken van teksten.

Lees artikel