Skip to content

 

Door:
Bente Meindertsma

20 december 2019

Tags

Twee derde van de Myanmarezen leeft van de landbouw, maar velen zijn nog altijd heel arm. De verbinding met de mondiale markten levert kansen op voor de bonenexport, maar de kleine boeren missen de kennis en kunde om de vruchten ervan te plukken. Het partnerschap Civic Engagement Alliance helpt kersverse boerenorganisaties voor meer overheidssteun te pleiten en betere relaties met handelaren op te bouwen.

In de groene delta rondom Yangon verbouwen boeren al eeuwenlang rijst. Nu, tijdens het natte seizoen, worden de velden bewerkt met buffels, die in de vochtige middaghitte staan af te koelen in de modderpoelen langs de weg. Sinds een paar decennia verbouwen veel boeren in het droge seizoen ook bonen en peulvruchten op het land waar in het regenseizoen de rijst groeit.

De belangen en behoeften van kleinschalige boeren werden onder het militaire bewind decennialang verwaarloosd. Hoewel zeventig procent van de werkzame bevolking van Myanmar afhankelijk is van de landbouw, investeerde de overheid weinig in technische ondersteuning en vernieuwing van de sector. Door de recente stappen richting democratisering en verbinding met de internationale markt ontstaan er kansen om de positie en levensomstandigheden van kleinschalige boeren te verbeteren.

Myanmar is na India de grootste producent van bonen en peulvruchten ter wereld en exporteert naar India, China, Japan en sinds kort ook naar de Europese Unie. Vooral mungbonen zijn in Europa in trek, omdat ze in ontkiemde vorm als taugé worden gegeten.

Maar de marktprijs en de afzetmarkt zijn veranderlijk en Myanmar kende tot voor kort zeer beperkte regelgeving over voedselveiligheid, kwaliteit en duurzame landbouwmethoden; voorwaarden om te kunnen exporteren naar hoogwaardige markten. De boeren exporteerden alleen naar buurlanden waar minder strenge eisen werden gesteld.


Meer zeggenschap

In Kayan Township, ten oosten van Yangon, ontmoet ik vijf rijst- en mungboonboeren. Ze zijn vanuit verschillende buurtschappen op de brommer naar het commerciële centrum van de regio gekomen. Op het kantoor van de lokale ngo Network Activities Group vertellen de twee mannen en drie vrouwen honderduit over hun onderlinge samenwerking en de moeizame relatie met het ministerie van Landbouw en de lokale tussenhandelaren.

Alle vijf vertegenwoordigen ze hun dorp binnen de Regional Farmer Development Association (RFDA), een van de boerenverenigingen die werden gevormd onder het project Pulses, People, Planet and Profit (P4) van ICCO Cooperation, met tot doel het inkomen van tienduizend kleinschalige mungboonboeren en vrouwelijke seizoensarbeiders duurzaam te verbeteren.

Om de vertaling naar rechtvaardig landbouwbeleid en inclusieve markten te waarborgen, lobbyt ICCO Cooperation via het strategisch partnerschap Civic Engagement Alliance voor een nationaal beleid waarin de belangen van boeren en gemarginaliseerde groepen beter worden meegenomen. ICCO Cooperation, de Network Activities Group en de boerenverenigingen vertegenwoordigen die belangen bij het bedrijfsleven en de overheid op verschillende niveaus.

Lidmaatschap van de RFDA moet de boeren meer zeggenschap en een betere marktpositie geven. De boerenorganisaties agenderen urgente lokale problemen, zoals gebruik van verboden pesticiden, direct bij de plaatselijke afdeling van het ministerie van Landbouw.

De boeren hebben binnen de RFDA de mogelijkheid om training en een certificering voor goede landbouwpraktijken (GAP) te krijgen. Het ministerie ontwikkelde onlangs GAP-standaarden voor mungbonen, waarmee het mogelijk werd om te exporteren naar de EU. ‘Als groep hadden we genoeg invloed om meer en betere technische voorlichting van de overheid te vragen,’ leggen de boeren uit, ‘waardoor we nu aan de GAP-standaarden voldoen.’

Leden van de Regional Farmer Development Association

 

Lange termijn, vertrouwen en betere prijzen

Voor de tussenhandelaren is het gebrek aan samenwerking maar al te handig, omdat het hen de kans geeft tegen een gunstige prijs in te kopen en een hogere marge te rekenen. Individuele boeren hebben vaak een beperkte kennis van de marktprijs en weinig mogelijkheden voor onderhandeling.

‘Lokale handelaren zijn niet blij met de ontwikkeling van onze organisatie,’ zegt boerin Yin Yin Aye, ‘omdat het voor meer transparantie in de marktprijs heeft gezorgd. Gelukkig hoeven we nu minder zaken met hen te doen; dit jaar hebben we onze bonen collectief verkocht via een nieuwe handelaar.’

Dat is het bedrijf Myi Met Taw Win, dat samen met de boeren van Kayan voor het eerst een collectieve verkoopregeling op touw zette, waardoor de boeren een veel betere prijs voor hun mungbonen kregen dan in voorgaande seizoenen.

‘We hebben de mungbonen met een voorschot van zeventig procent van de marktprijs van de boeren gekocht, maar wachtten met de verkoop aan de exporteur totdat de marktprijs flink was gestegen’, zegt directeur U Myint Aung. Zijn bedrijf bepaalde in overleg met de boerenleiders het gunstigste moment om aan de exporteur te verkopen en betaalde daarna het resterende bedrag; zo verdienden de boeren wel twintig procent méér aan hun oogst.

‘Andere handelaren verklaren mij voor gek. Ik heb veel meer werk, terwijl ik minder marge overhoud,’ lacht hij, ‘maar ik geloof dat dit voor beide kanten op de lange termijn de meeste winst oplevert. Terwijl er over het algemeen een cultuur van wantrouwen heerst tussen producenten en handelaren, heb ik een vertrouwensverband met de boerenorganisaties opgebouwd.’


Technische ondersteuning voor iedereen

De RFDA pleit bij het ministerie van Landbouw voor meer en betere technische ondersteuning. ‘Als we om voorlichting vragen,’ klaagt boer Aung Nay Myo, ‘krijgen we altijd te horen dat ze geen tijd en geld hebben.’ Voorlichting door technische experts over GAP-standaarden zou voor alle boeren toegankelijk moeten zijn, vindt hij. ‘Nu verwacht het ministerie van ons dat wij de andere boeren in ons dorp trainen, terwijl wij de expertise missen om de inhoudelijke kennis goed over te brengen.’

‘Ze behandelen ons respectloos’, voegt Yin Yin Aye toe. ‘Nu we een associatie gevormd hebben, nemen ze ons gelukkig serieuzer en komen ze vaker langs.’

Een ander thema is het gebruik van verboden bestrijdingsmiddelen. Nu de boeren gecertificeerd zijn, mogen ze alleen door de overheid geregistreerde middelen gebruiken, maar vaak weten ze niet welke dat zijn. ‘De overheid kan niets doen, omdat de pesticiden illegaal over de Thaise grens gesmokkeld worden’, zegt Yin Yin Aye. ‘Wij moeten zelf maar erachter zien te komen welke middelen verboden zijn en welke niet.’ De RFDA pleit voor betere handhaving en meer duidelijkheid.

U Kyaw Kyaw, regionaal directeur van het ministerie, zegt dat hij er juist alles aan doet om goed te informeren. ‘Onze voorlichters proberen zoveel mogelijk boeren te trainen en komen langs als er een probleem wordt gemeld’, vertelt hij in zijn kantoor in Yangon.

‘En we hebben een callcenter en een app-groep, waar de boeren technische voorlichting kunnen krijgen.’ Hoewel meer dan 95 procent van de Myanmarezen een smartphone heeft, werken de meeste overheidsinstanties nog nauwelijks digitaal; in het kantoor liggen papieren dossiers en rapporteren hoog opgestapeld.

Hoewel U Kyaw Kyaw doet wat hij kan om de problemen in de regio te adresseren, benadrukt hij hoe beperkt zijn invloed op nationale schaal is. ‘Ik kan problemen alleen doorgeven aan de medewerkers van de directeur-generaal van de landbouwafdeling, in de hoop dat zij het aankaarten bij de minister’, legt hij uit. ‘Mijn enige mogelijkheid om direct in contact te komen met het kantoor van de minister is wanneer hij een bezoek brengt aan Yangon.’


Nationaal dialoog

De boerenorganisaties en lokale ngo’s delen de problemen uit hun regio met ICCO Cooperation en de lokale partners NAG en KMSS, die het agenderen bij de nationale overheid. Inmiddels zijn verschillende beleidsdialogen georganiseerd, waarbinnen ICCO Cooperation de bevindingen uit nieuwe onderzoeken deelt, Landbouw de beleidsvoornemens toelicht en vertegenwoordigers van boerenorganisaties aanschuiven om de betekenis in de praktijk te bespreken.

De eerste beleidsdialoog ging over nieuwe wetgeving voor zaden- en pesticidengebruik, maar inmiddels is een breder gesprek ontstaan over de wijze waarop het ministerie beter kan voldoen aan de wensen en behoeften van de boeren, vertelt Bram Peters van ICCO Cooperation in Myanmar.

‘De advocacy– en lobbyactiviteiten versterken de uitkomsten van ons bredere landbouwprogramma P4,’ zegt Peters, ‘omdat we daarmee de institutionele ondersteuning voor de boeren kunnen verbeteren. Anderzijds vergroot onze ervaring in het P4-project ons advocacy- en lobbysucces, omdat we daarmee een geloofwaardige gesprekspartner voor de overheid zijn geworden.’

Het strategisch partnerschap kiest in zijn lobbystrategie nadrukkelijk voor dialoog en voedt de overheid op verschillende niveaus met bewijzen uit de praktijk. Die insteek werkt uitstekend, omdat de overheid zit te springen om informatie, vertelt Peters.

Deze opstelling als constructieve partner betekent ook dat gevoeliger onderwerpen – zoals landrechten – lastiger aangesneden kunnen worden. Dit ingewikkelde thema wordt bovendien al opgepakt door veel andere organisaties, waarmee het partnerschap in sommige gevallen wel samenwerkt.


Inspraak van de bevolking

De lobby op nationaal niveau wordt met name opgepakt door ICCO zelf, in samenwerking met de lokale partners NAG en KMSS. ‘De boerenorganisaties hebben steeds betere contacten met de lokale overheden, maar met het beïnvloeden van de nationale regering hebben ze nog helemaal geen ervaring’, zegt Peters.

Myanmar kent een rijke geschiedenis van actie en protest, maar de overheid, ngo’s en boerenorganisaties hebben er tot nu toe nauwelijks dialoog gevoerd. Verschillende ministeries lijken wel steeds meer open te staan voor inspraak van de bevolking. Een paar jaar geleden consulteerde Landbouw de bevolking voor het eerst over een nieuw nationaal beleid voor landrechten, gevolgd door een recente consultatie voor de strategie voor landbouwontwikkeling.

Om de dialoog op lokaal niveau succesvoller te maken, willen de boerenorganisaties zich professionaliseren en hun capaciteiten voor lobby en advocacy ontwikkelen – waarmee het partnerschap hen met trainingen helpt. De RFDA-leden in Kayan stelden al een lijstje op met punten die ze in de toekomst willen agenderen.

Ze zijn van plan om te pleiten voor meer transparantie in de markt en willen de overheid oproepen om een compensatieregeling voor door weersomstandigheden verwoeste gewassen in praktijk te brengen. Om de wensen van de boeren goed onder de aandacht te brengen, zouden ze graag regelmatig met het regionale kantoor van het ministerie willen spreken.

En boerenorganisaties zouden voorafgaand aan wetswijzigingen geconsulteerd moeten worden, vindt boer Aung Nay Myo: ‘Beleidsmakers hebben geen goed beeld van wat wij nodig hebben. We willen in nationale discussies goed vertegenwoordigd worden, zodat de beleidsmakers zich meer bewust zijn van onze wensen.’

De toekomst zal uitwijzen of de boerenorganisaties genoeg verbondenheid en capaciteit hebben om ook na de afronding van het project te blijven groeien, om uiteindelijk samen met de lokale ngo’s de belangen van kleinschalige boeren op nationaal niveau te behartigen.

Een voorwaarde is de bereidheid van het ministerie om met hen in dialoog te gaan – en dat valt in het huidige politieke klimaat van Myanmar lastig te voorspellen. Op lokaal niveau beginnen boerenorganisaties zich in ieder geval langzaam te ontwikkelen tot een maatschappelijke factor waar de overheid en het bedrijfsleven niet omheen kunnen.

In het strategisch partnerschap Civic Engagement Alliance werken elf maatschappelijke organisaties – onder het penvoerderschap van ICCO Cooperation – aan verbetering van gemarginaliseerde groepen, zoals vrouwen, jongeren, kleinschalige boeren en invaliden. Het partnerschap loopt in dertien landen en richt zich met name op politieke ruimte, inclusieve markten en verantwoord zakendoen in de agr0foodsector. In Myanmar werkt ICCO Cooperation samen met Kerk in Actie, The Leprosy Mission en verschillende lokale ngo’s, netwerken en onderzoeksinstituten aan een sterkere positie van kleinschalige boeren in de waardeketens van bonen, oliezaden en rijst

In 2016 werd het programma ‘Samenspraak en Tegenspraak’ gelanceerd, waarmee de Nederlandse overheid zich inzet voor een krachtig en onafhankelijk maatschappelijke middenveld in lage- en lage middeninkomenslanden en maatschappelijke organisaties ondersteunt in hun rol van waakhond en als constructieve speler in duurzame ontwikkelingsprocessen. De totale financiële bijdrage bedroeg  925 miljoen euro voor 25 allianties van maatschappelijke organisaties voor een periode van vijf jaar. Binnen deze allianties zijn in totaal 61 organisaties betrokken, werkzaam in zo’n zestig landen, in strategisch partnerschap met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

De komende zes weken brengt Vice Versa achtergrondverhalen en reportages over deze strategische partnerschappen uit Nigeria, Myanmar, Guatemala en Mali. Hoe gingen de partnerschappen te werk en op welke wijze werd er een verschil gemaakt? En wat zijn de geleerde lessen?

‘Samenspraak en Tegenspraak: de oogst’ is een samenwerking tussen Vice Versa en het ministerie van Buitenlandse Zaken.

‘Er wordt hier met grote verbazing naar Nederland gekeken’

Door Marc Broere | 27 maart 2020

Voor Kees Blokland, directeur van Agriterra, heeft de coronacrisis grote impact. Hij is er op meerdere lagen bij betrokken: via zijn zoon die op de spoedeisende hulp van het Rijnstate ziekenhuis in Arnhem werkt, via zijn Spaanse echtgenote met wie hij momenteel in Valencia verblijft en via de gevolgen voor de projecten van Agriterra, dat samenwerkt met  boerencoöperaties in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Een persoonlijk relaas vanuit Spanje waar in sommige media de aanpak in Nederland in één adem genoemd wordt met ‘corona-ontkenners’ als Donald Trump en de Braziliaanse en Mexicaanse  presidenten Bolsonaro en López Obrador. En waar het de marsen op Internationale Vrouwendag (8 maart) waren die voor een explosie en verspreiding van het virus zorgden.

Lees artikel

Het veldkantoor in verandering

Door Manon Stravens | 11 maart 2020

Ontwikkelingsorganisaties reppen aldoor over lokaal eigenaarschap, maar waarom maken Europeanen dan nog steeds de dienst uit in veel veldkantoren? ‘Wij zouden zelf ook vreemd opkijken als er in Nederland een Zimbabwaan wordt ingevlogen om met de vakbond of een ngo te werken.’ Een rondgang langs ICCO, Hivos en de Leprastichting.

Lees artikel

De stilte van Kaag

Door Ellen Mangnus | 10 maart 2020

De situatie aan de buitengrenzen van Europa bereikte deze week een dramatisch dieptepunt. Waarom horen we niets van minister Kaag, vraagt Ellen Mangnus zich af. Was zij immers niet de minister van de veel geroemde Abel Herzberglezing met de titel: ‘Wees niet stil, we zijn met velen.’

Lees artikel
Scroll To Top