Door:
Ayaan Abukar

15 november 2019

Tags

De vlucht uit Venezuela gaat soms per bootje, naar het dichtbije Curaçao. Daar leidt het tot vertwijfeling: de weerslag is xenofobie èn solidariteit, een tekort aan kennis, vrees bij de Venezolanen – en stilte vanuit Den Haag. ‘Zonder politiek leiderschap gaan verhalen een eigen leven leiden.’ Ayaan Abukar vloog erheen en ging in gesprek.

In Amsterdam is het middernacht als ik antropologe Ieteke Witteveen bel, die in Willemstad woont, waar het zes uur eerder is. Ik vertel over mijn geplande bezoek aan Curaçao, om over de vluchtelingen uit Venezuela te schrijven. Haar vriendelijke stem verandert licht. ‘Noem hen geen vluchtelingen,’ zegt ze, ‘dat ligt hier gevoelig.’ Ze rondt het gesprek vlug af: ‘Kom maar, hier praten we verder.’

De echo van haar woorden blijft op het eiland door mijn hoofd galmen. Het weerspiegelt de wijze waarop de politiek omgaat met de problematiek: doen alsof het niet bestaat, alsof de vluchtelingen er niet zijn.

Ik besluit de menselijke verhalen achter de krantenkoppen te onderzoeken. Wat vinden de Curaçaoënaars van het groeiende aantal migranten en vluchtelingen? En waarom bestaat er nog geen adequaat migratie- en asielbeleid?

Door de verslechtering van de politieke en economische toestand verlieten sinds 2014 meer dan vier miljoen Venezolanen hun land, op de vlucht naar Colombia, Brazilië, Peru, Ecuador of Curaçao. Het is de vraag of het leven daar beter is, in Latijns-Amerika is de economie de laatste jaren verzwakt. Maar de achterblijvers in Venezuela hebben het – door het ernstige tekort aan voedsel en medicijnen – erg zwaar.

Deze migratie- en humanitaire crisis lijkt voor de meeste Nederlanders een ver-van-mijn-bed-show, maar niets is minder waar. Curaçao is onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden en ligt voor de kust van Venezuela – en dat is dus een buurland.

Ik heb jarenlang de vluchtelingen- en migratieproblematiek in Noord-Afrika, in de Hoorn en in het Midden-Oosten met veel belangstelling gevolgd. Het ging meestal om vraagstukken die zich ver weg voltrokken, op plaatsen waar geen infrastructuur was of capaciteit om duurzame oplossingen te vinden voor de gevolgen van grote migratie- en vluchtelingenstromen.

De toenemende berichtgeving over de onrust in Venezuela en het groeiende aantal Venezolanen dat met bootjes naar Curaçao probeert over te steken, maakt me nieuwsgierig naar de impact van deze complexe crisis op de bewoners van Willemstad. Het kabinet was zichtbaar als het over de interne politieke strijd in Caracas ging, maar gaf wat betreft de humanitaire crisis die eruit voortkomt niet thuis.

De reis naar Curaçao valt midden in de Caraïbische zomer: augustus en september zijn de heetste maanden van het jaar. Gelukkig verkoelen de briesjes van de noordoostpassaat. Hoe sterk de tropische wind is, blijkt uit de hoge golven die met veel kracht tegen het kalkgesteente langs de kust slaan.

De agenda voor dag één: naar het Sint Martinus College, naast de beroemde Pontjesbrug, die de wijken Punda en Otrobanda verbindt – die kern van de historische binnenstad staat sinds 1997 op de Werelderfgoedlijst van Unesco.

Het straatbeeld wordt bepaald door Hollandse, Caraïbische en Portugese bouwstijlen, die terugkomen in de pastelkleurige, hoogstaande oud-Hollandse herenhuizen. Door de combinatie van die architectuur, de taal en het warme weer voelt Willemstad als Amsterdam in de tropen.

 

Op het Sint Martinus ontmoet ik de oprichter en vrijwilligers van Human Rights Caribbean (HRC). Ieteke Witteveen kon de slechte situatie voor migranten en vluchtelingen niet meer verdragen en lanceerde de stichting op de zeventigste verjaardag van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Ze woont al dertig jaar op Curaçao en was samen met andere verontruste burgers bezig om vanuit een lokaal netwerk de Venezolanen te helpen.

‘Ik werd zeventig’, zegt ze, ‘en dacht: eindelijk kan ik leuke boeken schrijven, maar de impact van de crisis in Venezuela werd voor ons steeds groter. Door de politieke instabiliteit dáár en het groeiende aantal migranten hier werd het mij duidelijk dat er behoefte was aan migratie- en vluchtelingenbeleid.’

Ze schreef toen een brief aan de regering, maar het was het bootongeluk waarbij elf van de dertig migranten om het leven kwamen – tijdens hun overtocht naar Curaçao – dat haar deed besluiten Human Rights Caribbean op te richten.

Witteveen is het gezicht geworden van de strijd voor betere rechten voor migranten en vluchtelingen. Ze houdt de situatie bij sinds 2014, toen ze besefte dat de toestroom van migranten uit Venezuela zou toenemen.

Met name vanuit de deelstaat Falcón is Curaçao een logische bestemming, als je naar de ligging op de kaart kijkt. Vanaf het eiland kun je Venezuela in de verte zien, op zo’n tachtig kilometer afstand. Het verklaart ook de diepgewortelde historische en culturele banden die beide landen delen.

Als antropoloog kan Witteveen als geen ander vertellen hoe indianen uit het huidige Noord-Venezuela als eersten de overtocht maakten naar Curaçao. De band is de laatste jaren versterkt door de komst van een olieraffinaderij, die zorgde voor meer arbeidsmigranten uit Venezuela.

Ieteke Witteveen

Ieteke Witteveen – of ‘Inchi’, zoals ze hier heet – is zelf een migrant. ‘Een makamba’, zegt ze lachend: Papiaments voor ‘Europese Nederlander’. Ze verhuisde in 1968 naar Colombia, als maatschappelijk werkster in een arme wijk in Cali. Ze keerde terug naar Nederland, behaalde in ’83 haar master in culturele antropologie aan de Universiteit van Amsterdam en vertrok naar Curaçao.

In haar eerste onderzoeken als antropoloog op het eiland keek ze naar de kracht van de wijken. Ze werd de directeur van het NAAM, het Nationaal Archeologisch en Antropologisch Museum.

Gevraagd naar de situatie op het eiland en de context waarin de vluchtelingen en migranten zijn beland, merkt Witteveen op dat de kloof tussen de overheid en de bevolking is gegroeid. En de economie verkeert in een crisis, de werkgelegenheid neemt al jaren af.

De raffinaderij ligt plat en het toerisme heeft het zwaar: de Venezolaanse toeristen zijn vluchtelingen geworden. Er komt ook geen voedsel meer uit Venezuela, wat op den duur tot schaarste kan leiden. Het is lastig voor de Curaçaoënaars.

In Venezuela loopt het al jaren uit de hand. ‘Je kon dit zien aankomen’, zegt ze met bezorgde stem. Nederland erkende onlangs de oppositieleider in Caracas, waarmee Den Haag een kant kiest in de machtsstrijd. Maar wie A zegt, moet ook B zeggen: men moet verantwoordelijkheid nemen voor deze crisis.

Om hoeveel mensen het gaat, vindt Witteveen lastig in te schatten. De meeste Venezolanen verblijven bij familie of vrienden of ze huren illegaal bij oude migrantengroepen, zoals de Dominicanen. Meerdere bronnen – waaronder de Internationale Organisatie voor Migratie – melden dat het 26.000 mensen betreft.

Maar dat aantal is veel te hoog, vindt Witteveen. Niemand heeft de officiële cijfers, het aantal ligt volgens haar tussen de tien- en vijftienduizend ongedocumenteerden. Wat het precieze getal ook is, op een eiland met 160.000 inwoners is het in elk geval hoog.

Het ontbreken van beleid is volgens haar een hardnekkig probleem. Sinds juli 2017 heeft het Curaçaose ministerie van Justitie de registratie van vluchtelingen en migranten overgenomen van UNHCR, de VN-Vluchtelingenorganisatie.

In de praktijk is het nauwelijks mogelijk om asiel aan te vragen en worden Venezolanen – de grootste groep – onder moeilijke omstandigheden gedetineerd en zonder adequate procedure uitgezet. UNHCR is de toegang tot Curaçao ontzegd en er is geen sterk maatschappelijk middenveld dat opkomt voor de rechten van migranten en vluchtelingen.

Het draagt bij aan het klimaat van angst en xenofobie onder de lokale bevolking. Men vreest voor de eigen positie in een economie die steeds verslechtert, maar men hoort ook verhalen dat sommigen vrezen dat het eiland wordt overspoeld met ‘witte migranten’.

‘Zonder politiek leiderschap’, zegt Witteveen, ‘gaan zulke verhalen een eigen leven leiden. De boodschap van de overheid is: ze horen hier niet thuis en daarom is het beleid op uitzetting gericht. “Wat komen ze hier doen?” is het onderliggende gevoel.’ En zo is er geen bescherming – jonge vrouwen vallen in de greep van de mensenhandel en onschuldige vluchtelingen zitten vast.

Wat moet er gebeuren? Ze antwoordt stellig en snel: ‘Het maatschappelijk middenveld moet versterkt worden en meer betrokken raken bij deze problematiek.’ Het huidige middenveld is volgens haar zwak en bestaat uit oud-ambtenaren.

En er moet een nieuw beleid komen voor vluchtelingen op het eiland; ze dienen bescherming te krijgen en arbeidsmigranten moeten met een tijdelijke werkvergunning aan de slag kunnen en belasting betalen. Zo kan Curaçao economisch profiteren van hun komst en creëren ze draagvlak onder de bevolking.

De volgende ochtend word ik opgehaald door Doris Best, een op Curaçao geboren voormalig ambtenaar die sinds 2010 weer op het eiland woont, na een periode in Europa. We kennen elkaar uit Amsterdam, waar ze vrijwilliger was voor maatschappelijke organisaties, vooral van migrantenvrouwen.

Nu is ze met pensioen en woont ze in een huis dat ze zelf in zes jaar heeft gebouwd; ondanks haar – voor Curaçaose begrippen – hoge ambtenarenloon kon ze geen volledige hypotheek krijgen. Ze wil me Willemstad laten zien, de realiteit van het gesegregeerde leven.

Onze eerste halte is haar oude buurt, waar ze opgroeide als klein meisje. Vandaag de dag is Monte Verde eigendom van een paar particulieren – ‘huisjesmelkers’, zegt ze – en is het de achtertuin van het chiquere Pietermaai. De vrijstaande huizen zijn wijdverspreid, zo vind je nummer 5 naast nummer 80.

Het is een wijk die organisch is gegroeid; geen rechtlijnige straten, maar onverharde, U-vormige wegen. Een deel is vervallen, huizen zijn in opbouw of in afbraak en nauwelijks bewoonbaar. Maar toch wonen er mensen, vertelt ze.

Andere huizen zijn in betere staat, dat zie je aan de hekken, de nieuwe verf en planten die het huis omringen. Best wijst steeds naar díe huizen, terwijl ze haar stem kracht bijzet en vertelt dat Curaçaoënaars trotse mensen zijn. Men vindt het belangrijk dat de huizen er fatsoenlijk uitzien, ondanks de armoede.

We rijden langs Caracasbaai, een van de weinige stranden die gratis toegankelijk zijn. Daardoor zijn er niet veel faciliteiten op dit kleine strand, dat een fantastisch uitzicht biedt op de helderblauwe CaraïbischeZee.

Ze rijdt bewust hierlangs, Doris Best wil een punt maken: over de kloof tussen arm en rijk. De lokale bevolking, vertelt ze gefrustreerd, heeft bijna geen toegang tot de prachtigste stranden. In de verte zien we Fort Beekenburg, dat in 1703 aan de Caracasbaai is gebouwd ter verdediging van het Spaanse Water. De ronde toren in de vorm van een schaakstuk geeft het fort een bijzonder karakter. De weg wordt steeds smaller en we komen veel te dicht op het water.

 

Ze vraagt mijn toestemming voor een ommetje, ik moet meer zien van haar stad. De volgende bestemming is de luxe villawijk Jan Thiel, waar je de meeste vakantieoorden vindt. Ik beleef een moeizame overgang vanuit de arme, oude buurt.

In Jan Thiel wonen veel Nederlanders, de grootste migrantengroep op het eiland. De resorts en villa’s vormen enclaves waarbinnen – naast rijke Curaçaoënaars – vooral witte Nederlanders wonen. Ze brengen geld mee en investeren in de economie.

‘Dàt is positief,’ zegt Best, ‘maar hebben ze wel wat met het land? Deze villa’s kunnen evengoed op Ibiza of Mallorca staan, wat is het verschil? Ze vormen geen onderdeel van de gemeenschap en dat leidt tot grote afstand tot de lokale context.’ Ik probeer een brug te maken naar het onderwerp van mijn bezoek, de andere groep migranten.

Zijn zij ook zo zichtbaar? ‘Nee, ik zie ze niet in mijn wijk’, zegt ze. ‘Ik hoor getallen, zoals 26.000: dan zouden ze prominent in het straatbeeld te zien zijn. Maar ik en mijn vrienden zien ze niet.’ Ze wil duidelijk maken dat ze niet tegen migranten is.

Venezuela en Curaçao delen een lange geschiedenis. De relatie gaat verder, tot aan Nederland – zo is de miniatuurstad Madurodam vernoemd naar de Curaçaose George Maduro, een verzetsheld uit de Tweede Wereldoorlog. Nicolás Maduro, de president van Venezuela, is naar eigen zeggen de kleinzoon van een Curaçaose Maduro.

Zelf is ze ook in Venezuela geweest: ‘Om te winkelen, zoals veel Curaçaoënaars, het was vroeger zeker geen arm land.’ Ze heeft moeite met de wijze waarop de problematiek wordt uitvergroot. Men vergelijkt de situatie met die van vluchtelingen uit Syrië, ze verhoogt haar stem en herhaalt dat ze een minister had gehoord die Syrië en Curaçao met elkaar vergelijkt…

Syrië – dat land waar de bommen alle kanten op vliegen – en Curaçao? Ze snapt de vergelijking niet. ‘Wellicht zijn er belangen in het spel, maar het is onverantwoord’, zegt ze, ‘en waarom horen we niets over Haïti?’ Zo wordt er alleen angst gecreëerd in een samenleving waarin complexe problemen spelen.

‘De werkloosheid is veertien procent – onder jongeren: een derde – en de lokale bevolking zit niet te wachten op nog meer werkzoekenden’, zegt ze. ‘De bezuinigingen die Den Haag van plan is op te leggen, zijn het gesprek van de dag. Men is dáármee bezig en kan geen opgeblazen vluchtelingencrisis erbij hebben.’

Tijdens een vegetarische lunch op haar balkon, met uitzicht op de Tafelberg, benadrukt ze het belang van feitelijke informatie over de omvang van de problematiek. Curaçao herbergt al een paar migrantengroepen, zoals Haïtianen, Jamaicanen en Dominicanen. Ze pleit voor gelijke behandeling van alle ongedocumenteerde migranten.

Na de indrukwekkende rondreis door Willemstad word ik afgezet bij mijn volgende afspraak: Alfredo Limongi, een 53-jarige ondernemer en IT-expert. We zitten op het terras van een mooi hotel in Pietermaai, dat zich de voorbije jaren ontwikkelde van een achterstandsbuurt tot een hippe, karakteristieke wijk met veel horeca.

Limongi woont al zestien jaar met zijn vrouw in Willemstad – zijn migratie begon vóór de huidige crisis in Venezuela. ‘We zagen begin 2003 de eerste signalen’, zegt hij. Er was een militaire organisatie die de samenleving uit elkaar haalde. Via een vriendin van zijn vrouw was hij in contact gekomen met een IT-bedrijf in Willemstad, dat personeel zocht. Kort daarop verhuisde hij naar Curaçao.

Om te beginnen de vraag die niemand met zekerheid kan beantwoorden: hoeveel ongedocumenteerde Venezolanen wonen er op Curaçao? Hij pakt zijn schrift en begint de jaren en bijbehorende aantallen uit te tekenen. De conclusie: tien- tot vijftienduizend mensen, het officiële aantal van 26.000 noemt hij ‘absurd’.

Een onderscheid tussen vluchtelingen en arbeidsmigranten is niet te maken, omdat het bijna onmogelijk is een asielprocedure te starten. Vanwege de politieke en humanitaire crisis in Venezuela erkent UNHCR hen als vluchteling, maar op Curaçao bestaat die mogelijkheid niet. Daarom worden ze als economische migranten gezien.

‘Mijn land was een rijk land,’ zegt Alfredo Limongi, ‘we kwamen als toeristen naar Curaçao.’ Tegenwoordig arriveren veel Venezolanen met gammele bootjes op het eiland. Maar het zijn niet allemaal nieuwkomers, een deel woonde en werkte al op Curaçao, meestal bij de olieraffinaderij – na de sluiting zijn ze in de illegaliteit beland.

Over de achtergrond van de nieuwelingen is niet veel bekend: de gemiddelde leeftijd ligt tussen de 25 en veertig jaar, een grote groep is goed opgeleid, maar zonder verblijfsstatus kun je weinig doen met een opleiding.

Mannen kunnen zwart in de bouw werken, vrouwen als huishoudelijke hulp of als animeermeisje in de snèks: lokale kroegjes langs de kant van de weg. Het aantal vrouwen dat in de illegale prostitutie belandt is de laatste jaren gestegen.

Je kunt als hulpverlener weinig voor ze doen, vertelt Limongi. De lokale autoriteiten grijpen niet in, bij invallen worden de vrouwen opgepakt en uitgezet. De mannen van de mensenhandel kunnen de volgende dag nieuwe meisjes inzetten.

Ook Limongi maakt zich zorgen over de toenemende vreemdelingenhaat op Curaçao. Hij kent de dynamiek op het eiland goed, daarom begrijpt hij het antimigrantensentiment dat onder de bevolking leeft. Curaçao maakt een ernstige economische crisis door, de angst heerst dat deze Venezolanen de banen zullen inpikken.

Hij laat me Facebook-berichten zien waarop Venezolanen worden zwartgemaakt. ‘De houding van de regering draagt bij aan de angstcultuur’, voegt zijn vrouw toe. De lokale media bespelen de politiek, kranten zijn machtig en hebben invloed op de politie. De wisselwerking tussen politiek en media is zorgelijk.

Hij hoopt op een beter beleid, waarin migranten een tijdelijke werkvergunning krijgen, alleen zo creëer je een win-winsituatie: de migranten betalen belasting, wat in het belang van Curaçao is. Politici moeten begrijpen dat het toepassen van humaan migratiebeleid niet alleen een morele plicht is, maar ook het juiste om te doen.

Limongi is gepassioneerd in zijn strijd voor betere rechten voor migranten uit zijn geboorteland. Hij mist zijn geboortestad Caracas en tegelijkertijd is hij nuchter en beseft dat wat hij mist er wellicht nooit meer zal zijn. Het is het lot van elke migrant: oneindige heimwee.

 

Op de vroege ochtend van mijn laatste dag ontmoet ik Maya Elzinga-Soumah (27), van het advocatencollectief Scheperboer &

Maya Elzinga-Soumah

Parris. Ze is in Eindhoven geboren en ze is gespecialiseerd in mensenrechten en het internationaal en Europees recht. We zitten in haar mooi ingerichte kantoor, met kalmerende blauwe muren en airconditioning tegen de tropische hitte.

Haar zaken bestaan vooral uit ongedocumenteerde migranten. De meeste bevonden zich op 11 april onder de 33 Venezolanen die in de territoriale wateren van Curaçao werden opgepikt door de vreemdelingenpolitie. Er zaten minderjarigen bij en veel vrouwen, vertelt ze.

De zaken zijn ingewikkeld, door het gebrek aan helderheid over het vreemdelingen- en vluchtelingenbeleid. Dat bleek na de arrestatie van de groep: de vrouwen werden naar de strafafdeling van de vrouwengevangenis gebracht, de mannen naar de vreemdelingenbarakken. Kort daarop gingen ze in hongerstaking, in protest tegen de slechte behandeling en omdat ze niet werden gehoord.

Human Rights Caribbean benaderde het kantoor om de groep bij te staan. Direct daarna beriep Elzinga zich namens de groep op artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat geldt voor alle Nederlandse eilanden in de Caraïben.

Het artikel schrijft voor dat ‘niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen’. De Venezolanen mogen de uitspraak op Curaçao afwachten, met dank aan de voorlopige maatregel waarvoor het collectief een verzoek indiende bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg.

Daardoor kan Justitie op Curaçao niet tot uitzetting overgaan, vóórdat het Hof definitief uitspraak over de zaak heeft gedaan. Elzinga vertelt met verbazing hoe vlak na het verzoek een deel van de groep op mysterieuze wijze kon ontsnappen uit de vreemdelingenbarakken.

Elzinga en haar collega’s worstelen dagelijks met dilemma’s die voortvloeien uit het systeem, dat niet toegerust is op de komst van vluchtelingen. Het gaat om praktische zaken, zoals een onkostenvergoeding. Een kort geding, dat van belang is om uitzetting te voorkomen, kost tussen de 160 en 450 Antilliaanse gulden, omgerekend: tachtig tot 230 euro.

De advocaat moet dat bedrag uit eigen zak betalen en krijgt het alleen terug bij een succesvolle zaak. Dat zorgt voor een onmogelijke situatie: kies je voor zaken met een hoog slagingspercentage of werk je pro deo?

Een lastiger uitdaging is volgens Elzinga gebrek aan kennis in de ambtenarij: men weet zó weinig, waardoor het niet uitmaakt of het om een ongedocumenteerde migrant gaat of om een vluchteling die bescherming nodig heeft. Ze ziet een verband tussen het tekort aan kennis, het gebrek aan draagvlak onder de bevolking en de houding van politici op het eiland.

‘De manier waarop over vluchtelingen wordt gesproken,’ zegt ze, ‘zonder verantwoordelijkheid te nemen, zorgt ervoor dat de ambtenaren ook in een gat vallen. De bewakers van de vreemdelingenbewaring klaagden onlangs dat er geen beleid is voor deze groep mensen. Ze vragen zich af of Venezolaanse migranten dezelfde behandeling moeten krijgen als andere gevangenen.

‘Het is heel frustrerend,’ vervolgt ze, ‘omdat je constant aan het vechten bent tegen het systeem en niet vóór dat waarvoor de mensen komen. Je kunt al je kennis en kunde inzetten, maar je moet eerst zorgen überhaupt gehoord te worden, om niet slecht bejegend te worden en om gebruik te maken van je rechten.’

Gelukkig is er licht aan het einde van de lange tunnel: de druk vanuit het Europees Hof en het maatschappelijk middenveld zorgt voor beweging. Zo is er beleid inzake artikel 3 gepubliceerd, het asielbeleid voor minderjarigen is aangepast en er is toegezegd ze niet meer in een justitiële jeugdinrichting te plaatsen.

Toch is er meer nodig, zegt Elzinga, méér kennisoverdracht op alle niveaus, tot rechters aan toe – en de algemene bewustwording dat het niet om een keuze gaat, maar om een internationale verplichting. De onwetendheid moet plaatsmaken voor besef en een kritische houding over de eigen rol.

Haar laatste woorden verwijzen naar de juridische plicht van het koninkrijk: ze hoopt dat haar eigen klacht Den Haag wakker zal schudden om de verantwoordelijkheid te dragen.

 

De gesprekken over de impact van deze migratiegolf op Curaçao komen me bekend voor. De aarzeling van politici om de nieuwkomers gastvrij te ontvangen, het antimigrantensentiment dat borrelt aan de onderkant van de maatschappij, terwijl anderen de Venezolanen heimelijk in huis nemen – en door die solidariteit zelf risico lopen.

Zulke ontwikkelingen ontstaan in elk land dat met immigratie te maken krijgt. Dat er meer draagvlak is dan je op het eerste gezicht zou zeggen, wordt bevestigd door dominee Shurman Kook, van het Kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten. In zijn kerk helpt hij alle armen, inclusief de lokale bewoners.

Er worden voedselpakketten uitgedeeld, voor jongeren verzorgt de Kerk korte opleidingen en traingen. Kook ziet in zijn omgeving Curaçaoënaars die op allerlei manieren de migranten steunen. ‘Het is lastig voor mensen om ingewikkelde problemen te begrijpen als het hier ook slecht gaat,’ zegt hij, ‘maar men helpt graag anderen.’

Dominee Kook is een van de zeventig bezoekers bij een lezing over de relevantie van het Europees Verdrag op Curaçao. In de lange rijen voor het monumentale Sint Martinus College aan het Molenplein vang ik Spaanse zinnen op, Venezolaanse mannen en vrouwen met baby’s staan ongeduldig te wachten – later hoor ik van de geruchten, dat ze op een verblijfsvergunning hoopten, vandaar de grote opkomst.

Die verwachtingen verdwijnen in de grote, witte zaal. Een deel is teruggestuurd vanwege de taal: de lezing zal alleen in het Engels en Nederlands zijn. Achterin blijft een groep Venezolanen niettemin zitten, toch hoop koesterend, maar door de slechte akoestiek is zelfs het Engels slecht te verstaan.

Naast me zit Sandra, een veertienjarige scholier die twee jaar terug met haar ouders naar Curaçao migreerde. Zij spreekt al aardig Nederlands en in Willemstad voelt zich veilig op straat, maar over haar vader (die als kok werkt) en moeder (een schoonheidsspecialiste) maakt ze zich zorgen.

‘Ik ben jong en ik spreek de taal,’ zegt ze, ‘daarom val ik niet op. Maar de vreemdelingenpolitie kan mijn ouders elk moment oppakken en naar Venezuela terugsturen.’

Ze luistert aandachtig naar de presentatie. Haar ogen worden steeds groter als ze hoort dat Curaçao verplicht is het derde artikel van het EVRM toe te passen, evenals het vijfde: ‘Eenieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon.’

Sandra tikt me op de schouder en fluistert in mijn oor: ‘Weet het kabinet van Curaçao dit ook?’ Het onbegrip vlamt in haar ogen. Ik knik. Ja, dat hoort het te weten.

 

‘Een vrouw hoort niet in de schijnwerpers te staan’

Door Siri Lijfering | 12 december 2019

Hoewel vrouwen het meest lijden onder de vervuiling van de Nigerdelta, vraagt men hen zelden naar de oplossing. Het partnerschap Global Alliance for Green and Gender Action wil dat veranderen: ‘Te lang hebben mannen hier de beslissingen genomen en daaruit is niet veel goeds voortgekomen’, zegt Martha Agbani. Op pad door de Delta.

Lees artikel

‘Niets dan verwoesting van ons land’

Door Siri Lijfering | 10 december 2019

De olie-industrie levert de Nigeriaanse staat miljarden op, maar de bevolking van de Nigerdelta ziet haast niets ervan terug en lijdt zeer onder de vervuiling. De lokale koning daagt Shell voor de rechter en twee strategische partnerschappen gaan de problemen te lijf. Vandaag: deel één.

Lees artikel

‘Wie ik tegenkom, wil ik in beweging brengen’

Door Lizan Nijkrake | 09 december 2019

Houda Loukili was Nederlands jeugdkampioen kickboksen en baande zich, als meisje met Marokkaanse achtergrond, een weg door een traditioneel mannelijke wereld. Nu geeft ze sporttraining aan kinderen en vrouwen buiten de boksring. ‘Ik wil doen wat mijn coach voor míj heeft gedaan.’

Lees artikel