Door:
Marc Broere

23 juni 2019

Tags

Wat houdt dat nu precies in: meer zeggenschap van het Zuiden in de internationale ontwikkelingsagenda? Flexibel en vrij besteedbaar geld voor zuidelijke organisaties, maar vooral ook: aandacht voor machtsstructuren. ‘Dit gaat niet alleen over geld, maar vooral over mensen in staat stellen te doen wat voor hun op dat moment belangrijk is. Dat is eigenaarschap!’

Om de balans op te maken van de speciale editie van Vice Versa over nieuwe machtsverhoudingen binnen internationale samenwerking zijn we met drie mensen bij elkaar gekomen in het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) in Amsterdam, waar Vice Versa gehuisvest is. Een passende locatie voor het gesprek, omdat het KIT zich omvormde van koloniaal instituut tot broedplaats van organisaties en sociale ondernemingen die op een innovatieve manier met een duurzame en rechtvaardige wereld bezig zijn. We praten ruim een uur over een ingewikkeld onderwerp met verschillende lagen en nuances. Want wat houdt dat nu precies in: meer eigenaarschap of zeggenschap voor zuidelijke organisaties binnen de internationale ontwikkelingsagenda?

Laila Ait Baali trapt af. Ze is politiek coördinator van WO=MEN, het genderplatform in Nederland dat actieve lobby voert om vrouwenrechten- en gendergelijkheidsorganisaties uit met name het Zuiden meer en vooral makkelijker toegang te geven tot Nederlandse fondsen. ‘Het eerste wat bij mij naar boven komt, is dat je een gelijkwaardige relatie met elkaar hebt. Dat je een partnerschap aangaat op basis van echte gelijkwaardigheid, en niet vanuit een afhankelijkheidspositie van de een naar de ander.’

Dan Kees de Jong. Hij is sinds 2018 directeur van Wilde ganzen. ‘Het heeft er voor mij vooral mee te maken hoe je met elkaar samenwerkt. Ik zou willen pleiten voor collaborative leadership; gemeenschappelijk leiderschap gebaseerd op de talenten en de specifieke toegevoegde waarde die een persoon of organisatie heeft. Waarbij dus niet continu één organisatie in alles het voortouw neemt, omdat al het geld en verantwoording via hen loopt, maar dat je dit ook kunt wisselen.’

En tot slot Danielle Hirsch, directeur van Both ENDS en een van de meest uitgesproken personen binnen het maatschappelijk middenveld in Nederland. ‘Ik sluit me aan bij wat de anderen zeggen, maar we moeten ervoor waken dat we dit onderwerp niet te veel framen als een Zuid-Noord discussie. Dat vind ik te beperkt. Ook in Nederland zie je partnerschappen tussen organisaties waar die verhouding niet gelijkwaardig is. Wat mij betreft gaat het altijd om een samenwerkingsrelatie waarin elke partner een eigen leiderschap kan nemen en vooral ook durft te nemen; dat je kunt doen waar je voor staat in een samenwerking.’

De logische vervolgvraag is natuurlijk: als je kijkt naar hoe internationale samenwerking op dit moment is georganiseerd, is er dan sprake van gelijkwaardige samenwerking? Kees de Jong vindt van niet: ‘Het is nu nog vaak: wie betaalt, bepaalt. Deze machtsrelatie maakt het lastig om gelijkwaardig samen te werken. Ik vind wel dat de Nederlandse overheid met het programma Samenspraak en Tegenspraak een grote stap vooruit heeft gezet, omdat het hier om een strategisch partnerschap gaat tussen verschillende partijen, waarin iedereen een verschillende rol heeft. Maar van mij mag het nog wel een stapje verder gaan. Ik zou het goed vinden als in een toekomstig subsidiekader nog meer indicatoren worden opgenomen over de samenwerking. En dat verschillende partijen ook autonomer met het geld uit die samenwerking kunnen omgaan. Met daarbij een klein potje geld om flexibel kleine lokale organisaties te steunen. Dus minder onderaannemers, en meer co-creatie.’

Laila Ait Baali: ‘Als je kijkt naar de verschillende fondsen, moet je constateren dat de organisaties die al financieel draagkrachtig zijn daar veel makkelijker toegang tot hebben. Dit heeft direct invloed op machtsrelaties binnen het maatschappelijk middenveld. Het is allemaal onlosmakelijk verbonden met de manier waarop het ministerie van buitenlandse zaken met tenders omgaat, hoe het drempelcriteria vaststelt en hoe ze kwaliteit meten. Om de beste resultaten te kunnen behalen op vrouwenrechten en gendergelijkheid werkt een one size fits all financieringssystematiek niet. Lokale organisaties en netwerken uit het Zuiden hebben vaak niet de capaciteit om dat allemaal te beheren. En dit zijn nu net vaak de netwerken die jarenlang hebben gestreden voor vrouwenrechten en gendergelijkheid, en die deze onderwerpen ook met succes op de politieke agenda hebben gezet. Zij vallen nu tussen wal en schip en dat is doodzonde.’

Danielle Hirsch benadrukt dat het bij internationale samenwerking gaat om het veranderen van internationale machtssystemen. ‘We zitten in een systeem waar macht per definitie oneerlijk verdeeld is. Het gaat erom dat elke organisatie een analyse maakt van haar eigen macht of onmacht en welke rol zij speelt in het overeind houden van machtssystemen.’ Dat is volgens haar een veel fundamentelere vraag dan de discussie over de manier hoe geldstromen naar het Zuiden komen; via directe financiering of via een Nederlandse ngo als intermediair. Hirsch wijst er ook op dat er grote ngo’s zijn in lage- en midden-inkomenslanden die een belangrijke positie hebben binnen het lokale maatschappelijk middenveld, maar die er geen enkel belang bij hebben om de machtsstructuren in hun land uit te dagen. ‘Deze organisaties zijn perfect gepositioneerd om direct geld van westerse regeringen te ontvangen want ze hebben hun zaakjes perfect op orde, maar ze zullen nooit die machtsstructuren doorbreken.’

Hoe moet dan wél? Er is onder de gesprekspartners veel waardering voor het programma Samenspraak en Tegenspraak dat als blauwdruk zou kunnen dienen voor een eerste stap naar meer gelijkwaardige verhoudingen. Een programma waarin de Nederlandse overheid niet als klassieke donor optreedt en de spelregels bepaalt, maar ‘strategische partnerschappen’ heeft gesloten met 25 allianties en organisaties om gezamenlijk en ieder vanuit zijn eigen rol en expertise lokale organisaties te ondersteunen bij pleiten en beïnvloeden en het claimen van hun rechten. ‘Hier heeft het ministerie echt haar nek voor uitgestoken, omdat het geen makkelijk programma is’, stelt Danielle Hirsch. ‘Ze heeft vernieuwing gefinancierd zonder garantie te hebben op zekerheid. Het is bovendien een kabinetsbreed beleid. Dus het hele kabinet is het erover eens dat maatschappelijke organisaties een stem moeten hebben in beleidsprocessen en dat dit mogelijkerwijze wel eens tegen het zere been kan zijn van de zittende macht. Dat is niet voor alle partijen even leuk.’

Ze vervolgt: ‘Ik hoor ook dat er op de ambassades soms fikse botsingen zijn geweest tussen ambassadepersoneel en maatschappelijke organisaties, wat heeft geleid tot nieuwe discussies over bijvoorbeeld de investeringsagenda van Nederland. Dat was een paar jaar geleden nog ondenkbaar. Voor een Nederlandse minister van hulp en handel zou het eigenlijk best wel fijn zijn als er alleen maar eigenaarschap in het Zuiden ligt. Dan zou ze namelijk niet meer worden aangesproken op haar internationale verantwoordelijkheid, die natuurlijk veel breder is dan alleen maar hulpmiddelen wegzetten in ontwikkelingslanden, en zouden we hier weer kunnen overgaan op de orde van de dag. Terwijl de kracht van Samenspraak en Tegenspraak nou juist ook zit in het feit dat Nederland zelf de manier waarop ze handeldrijft gaat aanpassen.’

Kees de Jong knikt: ‘We hebben het dus eigenlijk over een Nederlandse manier van werken, met meer ruimte voor dialoog en tot overeenstemming komen; een soort Rijnlands model tegenover een Angelsaksisch model. Nederland zou een voortrekkersrol kunnen spelen om dit internationaal in de donorwereld verder te ontwikkelen als tegenhanger van het klassieke top-down hiërarchische tendersysteem. Het zou besmettelijk moeten zijn.’

Laila Ait Baali vult aan: ‘Ook op andere afdelingen van buitenlandse zaken zouden ze kunnen kijken naar de manier waarop Samenspraak en Tegenspraak is ingericht. Je zou het moeten durven overnemen voor “harde” onderwerpen als veiligheid, migratie, handel en klimaat. Nu is Samenspraak en Tegenspraak nog te veel een vreemde eend in de bijt, terwijl het een leidraad zou moeten zijn voor andere fondsen vanuit het ministerie. Vooral de flexibiliteit spreekt me aan. Op gevoelige thema’s als vrouwenrechten zetten activisten de ene dag twee stappen vooruit en de andere dag drie stappen achteruit. Ik vind het knap dat het ministerie dit aandurft; dat ze beseffen dat succes niet lineair is en ze dit ook durven te rapporteren aan de Tweede Kamer. Dat je zegt: het is Nederlands belastinggeld, en we kunnen niet garanderen dat daarmee binnen vier jaar de sociale veiligheid in een land volledig verbeterd is. Maar we durven daarin wél te investeren. Met een goed en overtuigend verhaal kom je hier echt wel mee weg in de Tweede Kamer.’

Waar de drie elkaar ook in vinden is de zorg over het krimpende maatschappelijk middenveld wereldwijd. Danielle Hirsch ziet dat milieuactivisten vermoord en bedreigd worden en dat haar partnerorganisaties het werken steeds lastiger wordt gemaakt, Laila Ait Baali ziet de aantasting van vrouwenrechten akelig dichtbij komen binnen of net buiten de grenzen van Europa, en Kees de Jong probeert met Wilde Ganzen lokale organisaties onafhankelijker te maken van buitenlandse donoren zodat machthebbers hen niet langer kunnen wegzetten als ‘buitenlandse agenten’ omdat hun financiering van buiten komt. ‘Privaat geld helpt om een vuist te kunnen maken tegen de overheid’, zegt hij. ‘Omdat het bovendien om potentiële stemmers gaat, zal een regering hier beter naar luisteren en veel voorzichtiger mee omgaan dan met een westerse ngo die ze makkelijk kunnen wegzetten als een indringer. Binnen onze sector hebben we de mond vol over onafhankelijkheid, maar dan moet je ook serieus werken aan financiële onafhankelijkheid en lokale capaciteit voor fondsenwerving versterken.

‘En verder geloof ik in basisorganisaties waarvan de lokale gemeenschap zelf de eigenaar is’, vervolgt De Jong, ‘en waarin deze lokale organisatie ook verantwoording aflegt aan de gemeenschap zelf en niet alleen aan de westerse donor. Als je op deze manier verantwoording aflegt, geef je de mensen de kans om mee te praten en feedback te geven. Nu komt de eindgebruiker amper aan het woord binnen het hulpsysteem. Overigens vind ik ook dat Nederlandse organisaties nog beter verantwoording moeten afleggen aan hun donateurs en onze bevolking; duidelijk maken hoe zij werken aan het veranderen van machtsstructuren in de wereld. Op deze manier borg je ook het draagvlak in Nederland. De Nederlandse overheid heeft hier onhandig op bezuinigd en moet daar opnieuw bij helpen: als je werkt aan maatschappelijk draagvlak, groeit uiteindelijk politieke en financiële steun voor ontwikkelingssamenwerking. Als je dat niet doet kom je in een negatieve vicieuze cirkel terecht.’

Danielle Hirsch heeft echter moeizame ervaringen met lokale fondsenwerving. ‘Wij hebben ook geprobeerd om lokaal geld te werven voor door activisten geleidde fondsen. Maar dit zijn vaak de organisaties die precies ingaan tegen de belangen van de mensen die het meeste verdienen in een land. Dus lokale filantropie, en dat zie je overigens ook in de VS, is niet per se op de hand van de meest kritische stem. Het lukt gewoon niet. Kijk ook naar Brazilië. Daar wordt met grote meerderheid een president gekozen die bijna alles zegt wat mijn partners niet willen horen. Die vertegenwoordigt dus een hele grote groep mensen die nooit donateur zullen worden van een van door jouw gesteunde organisaties van bijvoorbeeld inheemse volken.’

Kees de Jong reageert: ‘Je hebt eigenlijk drie lijnen: de lokale filantropen, de nieuwe middenklasse en lokale basisgemeenschappen. Wat wij tot onze verbazing zien in lage- en middeninkomenslanden, is dat de lokale gemeenschap eigenlijk de grootste bijdrage levert. Dat zijn arme mensen die heel dicht bij het vuur zitten en echt eigenaarschap claimen over hun eigen organisaties. Een goed voorbeeld is Burkina Faso, wat echt een arm land is. Daar heb je geen lokale filantropische sector of middenklasse, maar blijken de gemeenschappen tot heel veel in staat om bij te dragen, via vrijwilligerswerk maar ook financieel.’

Hirsch knikt: ‘Ik denk dat het laatste wat je zegt heel belangrijk is; dat je kijkt naar hoe mensen geworteld zijn in hun gemeenschap. De gemeenschap leert dat vooral mensen die echt ergens wonen de lange adem hebben om wezenlijke veranderingen af te dwingen.’

Laila Ait Baali maakt een kanttekening: ‘Het zou natuurlijk fantastisch zijn als dat overal mogelijk is, maar dat is niet zo. Kijk naar een land als Libië of andere landen in de MENA-regio. Daar zijn ze ontzettend blij als er financiële middelen vanuit Nederland komen om een kritisch tegengeluid te kunnen laten horen. Ze hebben behoefte aan simpele dingen als een kantoor, een telefoon en internet. Gewoon de basis om hun dagelijks werk te kunnen doen. Het liefst zouden ze ook lokale financiering willen hebben om hun werk te kunnen doen, maar dat kan niet als een land in oorlog is. Zij hebben behoefte aan flexibele financiering en dat zou nog veel beter ingecalculeerd kunnen worden door donoren als Nederland.’

Danielle Hirsch knikt: ‘De organisaties waarmee wij werken, hebben vaak heel weinig geld. Ze bestaan doorgaans uit vrijwilligers, en zijn ontstaan als reactie op bijvoorbeeld de aanleg van grootschalige “ontwikkelingsprojecten” die hun gemeenschap treffen. Het zijn lokale initiatieven die soms net even 2.500 euro nodig hebben om hun verhaal in het Engels te laten vertalen, iets wat ze nu niet kunnen ophoesten. Het gaat vaak om het snel kunnen betalen van kleine dingen voor het oplossen van problemen. Dat maakt vaak echt het verschil tussen een lokale strijd een stap verder brengen of blijven hangen in de discussie waarin je zit.’

Dus dat vraag flexibiliteit’, zegt De Jong. ‘Precies’, beaamt Hirsch, ‘en vrij geld. Verder gaat dit niet alleen over geld, maar vooral over mensen in staat stellen te doen wat voor hun op dat moment belangrijk is. Dat is eigenaarschap! Hier moet de financieringsstructuur van internationale samenwerking een antwoord op gaan geven.’

Ait Baali knikt enthousiast: ‘Je hebt elkaar allemaal nodig in die krimpende ruimte van het maatschappelijk middenveld, zowel westerse als zuidelijke ngo’s. Wij moeten ook voorkomen dat er een schisma wordt gecreëerd tussen maatschappelijke organisaties. Maar diversiteit loont, ook in het maatschappelijk middenveld. Als gevolg van de bezuiniging op het maatschappelijk middenveld heeft er een verschraling plaatsgevonden. Als je in die hele mondiale beweging kijkt wie nog net even dat extra zetje nodig heeft om in zijn eigen kracht te kunnen staan, dan zijn dat vaak de zuidelijke vrouwenrechten- en gendergelijkheidsorganisaties. Iedereen doet ontzettend goed werk, maar hoe kun je elkaar nog meer goed in je kracht zetten, en ook echt goed luisteren naar waar de ander behoefte aan heeft?’ De Jong vult aan: ‘Dat vraagt dat je iedere keer de rollen opnieuw moet uitvinden en waar jij moet kijken wat je toevoegt.’

‘Ja’, zegt Hirsch, ‘en daarom is het goed dat het debat er is, maar je moet het niet helemaal in een polariserend framework gaan plaatsen van wel of geen directe financiering van zuidelijke organisaties. Daar is, vind ik, niemand bij gebaat. Oxfam International vroeg een tijd geleden aan haar zuidelijke partners hoe zij hier eigenlijk tegenaan keken. Die gaven als antwoord tegen westerse ngo’s: “Jullie moeten hier gewoon niet meer komen. Wij regelen het lokaal wel. Gaan jullie nu maar gewoon eens je eigen huis op orde brengen.” Dat vind ik een belangrijke boodschap. Als wij het in Nederland goed regelen hoe we met mens en milieu omgaan, dan worden onze partners daar ook ontzettend blij van.

‘Dus organiseer dat gesprek op een veilige manier voor iedereen die daarbij betrokken is. Want ook voor een zuidelijke organisatie is het moeilijk om kritiek te hebben op haar noordelijke partner als het daarvan nog steeds financieel afhankelijk is. Je moet veiligheid creëren om te kunnen veranderen. Daar maak ik me soms een beetje zorgen over als ik de toon van het debat hoor, dat snel polariseert omdat het alleen over financiering gaat. Daarmee verander je wellicht iets, maar je verzwakt als je niet blijft opletten op de samenhang in het collectief van maatschappelijke organisaties.’

De Jong knikt en komt tot slot nog één keer terug op het belang van draagvlak. ‘De discussie over legitimiteit is onlosmakelijk verbonden met de discussie over draagvlak. Wanneer lokale organisaties draagvlak bij hun achterban hebben -of het nu leden, donaties of vrijwilligers zijn-, dan hebben zij meer kans dat de overheid hen ziet, hoort en erkent. Ook in Nederland bestaat een dergelijk verband. Het versterken van maatschappelijk draagvlak in Nederland is cruciaal om duurzame politieke en financiële steun voor internationale samenwerking te borgen.’

De roep om de machtsverhoudingen binnen ontwikkelingssamenwerking te veranderen, klinkt steeds luider. Het is tijd voor meer lokaal eigenaarschap van de mondiale agenda, daar lijkt iedereen het over eens. Er is zelfs een echte beweging ontstaan met de hashtag #ShiftThePower.

Ook de Nederlandse minister Kaag van buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking lijkt langs deze lijnen te denken. In de beleidsnota Investeren in Perspectief pleit ze ervoor om steun aan maatschappelijke organisaties voor te zetten en daarbij nog duidelijker de Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse organisaties het eigenaarschap te geven. Nederlandse organisaties zullen dan een andere rol gaan spelen, meer gericht op vernieuwing, verbinding en beïnvloeding op internationaal niveau.

Met dit kennisdossier willen we de discussie op gang brengen over die powershift en wat dat betekent voor de samenwerking tussen maatschappelijke organisaties in Nederland en in het Zuiden.

Groot geld gevraagd voor klimaatadaptatie

Door Joris Tielens | 17 september 2019

Klimaatadaptatie is nodig en dat vergt véle miljarden, maar commerciële geldschieters vinden het vaak te riskant. Een nieuw Nederlands klimaatfonds zal 160 miljoen euro overheidsgeld gebruiken om toch privaat geld aan te trekken. Hoe gaat het DFCDwerken? Een interview met FMO.

Lees artikel

Een klimaatlijst voor Kaag

Door Joris Tielens | 13 september 2019

Stoppen met subsidies en exportkredieten voor fossiele brandstoffen, het beprijzen van CO2 en het tegengaan van belastingontduiking door de fossiele industrie. Het zijn een aantal zaken waarvoor minister Kaag internationaal moet pleiten tijdens de klimaattop in New York op 23 september, volgens de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV).

Lees artikel

De vergeten klimaattafel

Door Joris Tielens | 04 september 2019

Het klimaatakkoord is veelbesproken, maar de helft van de ‘Nederlandse’ CO2-uitstoot blijft onderbelicht: die in het buitenland. Valt klimaatverandering te beperken door geen subsidies meer te geven aan de fossiele industrie, door meer klimaatdiplomatie? Heleen de Coninck en Marcel Beukeboom kijken voorbij de grenzen.

Lees artikel