Door:
Marc Broere

24 maart 2019

Tags

De roep om de machtsverhoudingen binnen internationale samenwerking te veranderen klinkt steeds luider. Er is zelfs een beweging met de hashtag #ShiftThePower. Maar de praktijk is weerbarstig, schrijft Marc Broere. Ook Nederlandse organisaties geven hun privileges niet zomaar op.

Een paar weken geleden was ik op reportage in Kenia, waar ik de complete transformatie van Nkoilale aanschouwde. De gemeenschap van zo’n 20.000 mensen, die vlakbij de hoofdingang van het Maasai Mara Park woont, had het initiatief genomen voor verschillende projecten op het terrein van onderwijs, gezondheidszorg en meer inkomen. Ze bekostigde zelf de financiering van de projecten door de verkoop van vee en de inleg van geld uit de gemeenschap. ‘Er is een cultuur ontstaan van zelf dingen doen en niet afhankelijk willen zijn van buitenstaanders’, vertelde een van de drijvende krachten, Nelson Ole Kiorokor, me trots. Nkoilale is nu een weerbare gemeenschap die zich ook niet meer om de tuin laat leiden door corrupte politici of ambtenaren.

In een speciale editie van Vice Versa die begin april verschijnt zijn talrijke stories of change te vinden van organisaties en gemeenschappen uit het Zuiden die stappen zetten om minder afhankelijk te worden van internationale donoren; die zich bekwaamd hebben in Domestic Resource Mobilization, zoals dat in vaktermen heet. Het is een manier van werken die past binnen internationale samenwerking anno 2019; een manier van werken waarbij de lokale organisatie zelf de zeggenschap heeft over het project en verantwoording aan de eigen bevolking moet afleggen, in plaats van aan de westerse donor. Zo hou je de regie in eigen hand en bepaal je zelf je eigen agenda en prioriteiten. De ervaring leert bovendien dat vooral mensen die echt ergens wonen de lange adem hebben om wezenlijke veranderingen af te dwingen.

Steeds luider klinkende roep

De roep om de machtsverhoudingen binnen ontwikkelingssamenwerking te veranderen klinkt steeds luider. Het is tijd voor meer lokaal zeggenschap, daar lijkt iedereen het over eens. Er is zelfs een beweging ontstaan met de hashtag  #ShiftThePower. Ook de Nederlandse minister Kaag van buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking lijkt hier positief tegenover te staan. In haar beleidsnota ‘Investeren in perspectief’ pleit ze ervoor om de steun aan maatschappelijke organisaties voort te zetten en daarbij nog duidelijker de Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse organisaties het eigenaarschap te geven. Nederlandse organisaties moeten volgens haar een andere rol gaan spelen, meer gericht op vernieuwing, verbinding en beïnvloeding op internationaal niveau.

De boodschap van de minister wordt met verve ondersteund door zuidelijke organisaties die in ons nummer aan het woord komen. Ze vragen minister Kaag om directe financiering van gewortelde organisaties uit het zuiden, zonder dat Nederlandse organisaties daar nog als doorgeefluik tussen zitten, en om meer inspraak bij het bepalen van de agenda en prioriteiten van hun donoren.

Weerbarstige praktijk

Maar de praktijk is weerbarstig. Westerse ngo’s s hebben een institutioneel belang bij de afhankelijkheidsrelatie van hun zuidelijke partners. Er blijft voor hen een aanzienlijk kleiner deel van de koek over als die intermediaire functie wordt uitgeschakeld.

De wereld van de internationale samenwerking is op dit moment zo georganiseerd dat westerse ngo’s niet bang hoeven te zijn om hun machtspositie te verliezen. In de praktijk blijken het jargon en de tendercultuur de kansen van lokale organisaties op directe financiering van westerse overheden en grote internationale donoren namelijk tegen te werken. De macht van het geld en van connecties spelen in particuliere ontwikkelingssamenwerking nog steeds een doorslaggevende rol. Ontwikkelingssamenwerking lijkt wel een wedstrijd geworden van wie het beste projectvoorstel kan schrijven in de juiste donortaal.

Zuidelijke organisaties lopen tegen structurele barrières aan bij het verkrijgen van financiering, stelt ook de organisatie Civicus in Vice Versa. Omdat westerse ngo’s over het algemeen veel vermogender zijn, over meer personeel beschikken en meer ervaren zijn in het schrijven van aanvragen, vissen lokale organisaties vaak achter het net. Als je kijkt naar de toegang tot fondsen moet je constateren dat de organisaties die al financieel draagkrachtig zijn daar veel makkelijker toegang tot hebben. Dit heeft direct invloed op machtsrelaties binnen het maatschappelijk middenveld. De ontwikkelingssector pretendeert inclusief te zijn met mooie slogans als ‘Leave no one behind’, maar blijkt in de praktijk juist exclusief te zijn. De ongelijkheid in de mondiale wereld die ze willen bestrijden houden ze zelf juist in stand binnen hun eigen beroepenveld.

Niet een kwestie van geld alleen

Het is echter niet alleen een kwestie van toegang tot financiering. Als het om gelijkwaardige verhoudingen gaat is het bepalen van de prioriteiten van de ontwikkelingsagenda zeker net zo belangrijk. Nu is het zo dat westerse overheden en ngo’s die thema’s bepalen. Prioriteiten die vaak beginnen met overheidsbeleid op basis van de politieke wind die er op dat moment waait, vervolgens worden overgenomen door veel nationale ngo’s die inschrijven op tenders voor subsidieprogramma’s, om daarna te worden geprojecteerd op hun zuidelijke partners. Er komt hier geen of nauwelijks inspraak van zuidelijke landen of ngo’s aan te pas.

We kunnen het dicht bij huis in ons eigen land zien. Nederland besloot onder Rutte 1 zomaar en zonder dialoog met zuidelijke regeringen en organisaties te stoppen met haar onderwijsprojecten, terwijl we op dit thema een van de belangrijkste en meest betrouwbare donoren in de wereld waren. Wie betaalt kan dat zomaar bepalen. Onder Rutte II werd ontwikkelingssamenwerking gekoppeld aan buitenlandse handel en werd vol ingezet op het ondersteunen van bedrijfsleven. Ook sommige Nederlandse ngo’s gingen zich in dat kielzog ineens verkopen als expert op het gebied van private sectorontwikkeling en hun partners uit het zuiden die richting op laten bewegen. Vandaag de dag moeten er van onze regering vooral banen voor jongeren worden gecreëerd in Afrika en het Midden-Oosten om migratie naar Europa tegen te gaan. Reken maar dat een deel van de Nederlandse ngo’s hier haar beleidsprioriteiten op gaat aanpassen of haar activiteiten binnen deze insteek gaat framen.

Het zijn allemaal beslissingen die genomen zijn zonder dialoog met regeringen en organisaties in het zuiden en zonder de vraag te stellen wat zij zelf als hún prioriteiten zien. Op deze manier blijft meer zuidelijk eigenaarschap een holle frase.

Opgeven van privileges gaat niet vanzelf

Het debat van nu roept herinneringen op aan de discussie over het openbreken van het medefinancieringsstelsel aan het begin van de 21ste eeuw. Enkele tientallen jaren ging alle Nederlandse overheidssteun uit dit belangrijkste subsidiekanaal voor de particuliere ontwikkelingssamenwerking naar slechts vier organisaties: OxfamNovib, ICCO, Cordaid en Hivos. Zij werden ook wel ‘het kartel’ en ‘de bende van vier’ genoemd en deden er alles aan om andere organisaties buiten het medefinancieringsstelsel te houden. Keer op keer adviseerden ze de minister van ontwikkelingssamenwerking met succes om geen nieuwkomers toe te laten. Het was Terre des Hommes directeur Ron van Huizen die uiteindelijk deze kartelvorming bij de rechter aanvocht. Onder minister Herfkens werd het medefinancieringsprogramma daarna opengebroken en uitgebreid met Plan Nederland en Terre des Hommes, en onder haar opvolgster Van Ardenne opengesteld voor alle ontwikkelingsorganisaties in Nederland.

Het valt vandaag de dag nauwelijks meer voor te stellen dat vier organisaties er decennialang in slaagden om alle andere Nederlandse ontwikkelingsorganisaties buiten te sluiten van dit belangrijkste subsidiekanaal. Ik wil hier maar mee zeggen dat het opgeven van privileges niet vanzelf gaat, ook niet bij organisaties die aan mondiale armoedebestrijding doen.

Je ziet nu dezelfde defensieve reflexen terug in de discussie over directe financiering van zuidelijke organisaties. Nederlandse organisaties lijken kansen voor zuidelijke ngo’s om directe financiering van onze overheid te krijgen vooral als een bedreiging van hun eigen positie te zien en willen hun comfortabele plek in de hulpketen niet delen of opgeven. Het feit dat ze de afgelopen kabinetten met grote bezuinigingsrondes te maken hebben gehad zal hier ongetwijfeld ook in meespelen: mogen we even op adem komen?

Vergelijking met de convenanten

De discussie over meer eigenaarschap voor zuidelijke organisaties vertoont ook overeenkomsten met die over de convenanten op het gebied van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO). Het bedrijfsleven is van mening dat je IMVO niet moet verplichten, maar het aan de goede wil van bedrijven zelf moet overlaten. Aan de andere kant staan Nederlandse ngo’s die van mening zijn dat je het via regelgeving verplicht moet stellen omdat het anders te vrijblijvend is.

In de discussie over meer eigenaarschap van zuidelijke ngo’s neemt de Nederlandse ontwikkelingssector nu dezelfde positie in als het bedrijfsleven dat doet in de discussie over convenanten. Ze vindt namelijk dat je het aan de sector zelf moet overlaten en niet moet afdwingen. Aan de andere kant staan zuidelijke ngo’s die minister Kaag nadrukkelijk oproepen om het juist wél verplicht te stellen omdat het anders te vrijblijvend is.

Hoe nu verder?

Hoe nu verder? Nederlandse ontwikkelingsorganisaties gaan, zo denk ik, nooit uit zichzelf meer middelen en macht delen met zuidelijke ngo’s. Om precies dezelfde reden als dat ‘het kartel’ het medefinancieringsstelsel niet wilde openbreken of bedrijven geen wettelijke verplichting willen om maatschappelijk verantwoord te ondernemen. Niet omdat ze een slecht karakter hebben, maar omdat het ‘net mensen zijn’, om even aan de titel van het bekende boek van Joris Luyendijk te refereren.

Het heeft er echter wel toe geleid dat het debat over machtsrelaties binnen internationale samenwerking en echte vernieuwing in een vicieuze cirkel zit. Iedere poging om een goede discussie op gang te brengen wordt meteen de kop ingedrukt of genegeerd. Het gedrag van particuliere ontwikkelingsorganisaties lijkt ondertussen op het orkest van de Titanic, schrijft Fons van der Velden in ons nummer: doorspelen en doen alsof er niets aan de hand is.

Toch moet iemand de eerste stap zeten om deze cirkel te doorbreken. Maar wie dan? En hoe dan? Om met een positieve noot te eindigen. In onze komende uitgave van Vice Versa laten we mooie voorbeelden zien van hoe het óók kan en waarom meer gelijkwaardigheid zoveel leuker is en ook tot meer impact leidt. Laat dit belangrijke debat beginnen.

Marc Broere is hoofdredacteur van Vice Versa. Hij is auteur van verschillende boeken over de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking.

Het Raadsel van de ander

Door Vice Versa | 08 oktober 2019

In de nieuwe Vice Versa die komend weekend verschijnt staat ‘de ander’ centraal en zoeken we naar een nieuw, progressief narratief. Angst voor de ander kun je alleen bestrijden met menselijke verhalen, schrijven Ayaan Abukar en Marc Broere.

Lees artikel

Bouwstenen voor een nieuw Latijns-Amerika beleid

Door Vice Versa | 01 oktober 2019

Hoewel Latijns-Amerika al een tijd verdwenen is uit de spotlichten van de Nederlandse politiek, hebben we meer met elkaar te maken dan we denken. Is het niet tijd voor een nieuw en actief Latijns-Amerika beleid? Op maandagmiddag 14 oktober gaan we hierover in Den Haag tijdens de bijeenkomst ‘Het Koninkrijk en zijn buren’ in gesprek met experts en politici.

Lees artikel

Amsterdam ontmoet Mogadishu

Door Lizan Nijkrake | 28 september 2019

Daily Paper, het Amsterdamse straatmodemerk, maakte een collectie T-shirts met tekeningen van voormalige kindsoldaten in Somalië. Wat begon als een klein project voor het Elman Peace Center, leidde dankzij sociale media tot iets groters: fotografen en filmmakers, muzikanten en klanten bieden hun hulp aan. ‘Jonge mensen zijn vaak zó idealistisch, ze willen betrokken blijven.’ Een profiel.

Lees artikel