Door:
Joris Tielens

4 maart 2019

Tags

Laat jongeren zien dat je als ondernemer in de landbouw veel geld kunt verdienen, dan overtuig je ze om ook het land op te gaan, zegt de 28-jarige Alphaxard Gitau Ndungu. Een gesprek over zijn eigen boerderij en het creëren van banen.

De landbouw is niet populair onder jongeren in Kenia en veel andere Afrikaanse landen. Velen maken zich zorgen: wie moet het voedsel in de toekomst verbouwen, als jonge mensen met een goede opleiding liever kiezen voor een baan bij een bedrijf of ngo in de stad? Bovendien: als er meer werkgelegenheid voor jongeren moet komen, zal die ook in de landbouw moeten zitten, want dat is nog steeds een grote sector in veel Afrikaanse landen.

‘De vraag is niet of er genoeg jongeren in de landbouw werken,’ zegt Alphaxard Gitau Ndungu, ‘de vraag is hoe effectief de mensen zijn die ervoor kiezen in de landbouw te werken.’ Volgens Ndungu hoeft niet iedereen het land op. Veel kleinschalige boeren slagen er alleen in om te overleven, maar niet om winst te maken.

‘Mijn aanpak zou zijn om ons te richten op wie het echt maakt, degenen die groter kunnen groeien en anderen in dienst kunnen nemen.’ Die jonge ondernemende boeren moeten meer steun krijgen van de overheid en donoren, vindt hij. Om jongeren te inspireren, heb je voorbeelden van jonge succesvolle boeren nodig.

‘Toon jonge mensen die het hebben gemaakt in de landbouw: kijk, dit is iemand die miljoenen shillings heeft verdiend. Als ze geld zien, worden ze vanzelf enthousiast.’ Het beeld van veel jongeren over de landbouw is verkeerd, zegt hij. Ze denken dat het armoede is en er niets mee te verdienen valt, net als bij de vele kleine boeren in het land – vaak hun ouders of grootouders – die ternauwernood weten te overleven.

Zijn eigen boerderij

Ndungu is zelf een voorbeeld van een succesvol agrarisch ondernemer. Hij is geboren op de boerderij van zijn ouders, maar vertrok naar Nairobi om er economie te studeren. Met het diploma op zak kreeg hij werk bij ngo’s als AgriProFocus en Icco, waar hij onder andere werkte aan jeugdwerkgelegenheid. Maar afgelopen najaar stopte hij bij Icco. ‘In de eerste plaats omdat ik weer studeer – een masterstudie Openbaar Beleid, wederom in Nairobi – en daar tijd voor nodig heb. Maar ook omdat mijn eigen boerderij veel tijd vraagt en daarin wil ik meer investeren.’

Ndungu begon al tijdens zijn economiestudie met het houden van twee melkkoeien. ‘Sindsdien is het gegroeid: ik heb nu 25 koeien, waarvan vijftien kalveren. Ik combineer de boerderij en mijn studie, dat gaat goed.’ Het boerenbedrijf van Ndungu ligt vlak bij Nairobi, op reisafstand van de universiteit.

De melkkoeien produceren tweehonderd liter melk per dag. Hij heeft ook een kuikenbroederij; elke drie weken verkoopt hij duizend kippen voor de slacht. ‘Ja, ik verdien goed met mijn bedrijf. Het is genoeg voor het collegegeld… en over drie maanden ga ik trouwen, we plannen een gezin.’

Ndungu is een kringloopboer avant la lettre. ‘Ik heb bijna geen afval op mijn bedrijf.’ Hij verbouwt zijn eigen veevoer, de mest van de koeien gebruikt hij om biogas te maken en om zijn eigen akkers te bemesten. Een verschil tussen hem en veel kleinschalige veehouders in Kenia, zegt hij, is dat hij veel aandacht heeft voor het diervoer en het ras koeien dat hij heeft. Hij maakt zelf krachtvoer voor zijn melkkoeien, uit zelf verbouwde maïs, zonnebloem en katoenzaad.

‘Ik ben niet een heel geavanceerde boer, maar ik kijk wel zo goed mogelijk waar ik kosten kan besparen. Het krachtvoer dat je hier kunt kopen is heel duur en van slechte kwaliteit. De bedrijven die het maken zijn corrupt; ze willen alleen zoveel mogelijk winst maken. Door het zelf te produceren maak ik veel winst.’

De hindernissen

Ndungu heeft ook oog voor het fokken van de koeien en voor hun gezondheid. ‘Ik heb die kennis niet van de universiteit: daar leerde ik over boekhouding en inkomsten en uitgaven, maar de landbouwkennis heb ik zelf opgedaan en ook verkregen van de melkveehouder in Nederland.’

Toen Ndungu voor een training bij Icco in Nederland was, verlengde hij zijn ticket en bracht een maand door bij een melkveehouder in Friesland, die hij via een vriend had leren kennen. ‘Het is een heel groot bedrijf, met honderden melkkoeien. Ik heb er veel geleerd over diergezondheid, het zelf fokken van koeien, diervoeding en management. Ik heb nog elke week contact met hem.’

In de toekomst wil Ndungu meer investeren – zoals in een melkmachine – en verder groeien met zijn bedrijf. Hij wil ook zelf meer waarde toevoegen aan zijn producten. Nu verkoopt hij de melk als rauwe melk aan tussenpersonen die het huis aan huis verkopen. ‘In de toekomst wil ik zelf yoghurt maken en verse melk verpakken en verkopen.’ Ndungu heeft nu al twee mensen in dienst om hem te helpen op de boerderij en verwacht er nog meer aan te nemen.

Dat is het model dat Ndungu ook voor de landbouw in het algemeen voor zich ziet: niet iedereen hoeft boer te blijven, als een paar grotere, professionele boerenbedrijven de kans krijgen te groeien en anderen in dienst te nemen. ‘Want er zijn veel hindernissen voor jongeren om zelf een boerenbedrijf te beginnen.’

‘Je hebt land nodig en startkapitaal – terwijl land in eigendom is van ouderen. En land is schaars. Jongeren hebben ook geen geld om te investeren in landbouwmachines.’ Maar er is nog iets: ‘Veel jongeren hebben geen zin om vies werk te doen, om in de modder te staan. Ze willen er goed uitzien, wat ik ook begrijp. Het is een generalisering, maar ik denk dat bij veel jongeren het idee leeft dat de landbouw hard en vies werk is.’

Apps en marketing

Toch is er werk voor jongeren in agro-sector, denkt Ndungu: ‘Je moet ernaar kijken vanuit het perspectief van waardeketens. Er is niet alleen productie nodig, maar ook technologie, transport, marketing en promotie – en in veel van die schakels hebben jongeren wel interesse. Ze zijn er bovendien soms beter in dan ouderen.’

Zo kunnen ze apps maken voor boeren, om beter gebruik te maken van marktprijzen of weersvoorspellingen. ‘Jongeren houden van techniek en ze weten vaak makkelijker een markt te vinden voor een product. Of ze hebben een idee voor nieuwe producten of voor een andere verpakking. Ze kennen de markt, want ze zijn zelf consument in de stad.’ Ze kunnen ook boeren trainen of onderzoek doen.

Inspirerende voorbeelden alleen zijn niet genoeg, zegt Ndungu: ‘De overheid en donoren moeten meer doen om de boeren te ondersteunen die echt een positief effect hebben.’ Veel donoren, bijvoorbeeld het Afrika-brede AGRA, steken honderden miljoenen dollars in het ondersteunen van miljoenen kleine boeren in Afrika, met beter zaaigoed of kunstmest.

‘Op zich is dat prima, maar ze zouden hun geld iets minder dun kunnen uitsmeren en ook investeren in een paar slimme jonge ondernemers, in degenen die echt kans op groot succes hebben – en hen dan iets meer geven. Zodat ze kunnen investeren in een professioneel bedrijf.’

Elke duizend ondernemers die je op die manier helpt, creëren weer duizenden banen voor mensen die bij die bedrijven in dienst komen. En omdat de productie grootschaliger is, ontstaan er ook duizenden banen in de verwerking en de marketing van die producten. ‘Dat zijn allemaal nieuwe banen, ook in de stad.’

Ndungu vindt dat vooral de overheid het op zich moet nemen, door leningen of startkapitaal aan boeren te verstrekken en te zorgen voor goed onderwijs en technische training. Ook zouden jongeren land moeten kunnen kopen of pachten, wat nu niet gebeurt. Maar ook banken en bedrijven, donoren en ngo’s kunnen eraan bijdragen, in publiek-private samenwerking, zegt Ndungu.

Er is al wel een verandering gaande, ziet hij. ‘Tien jaar geleden waren jongeren nog totaal niet geïnteresseerd in de landbouw. Ze hadden geen idee wat het kon zijn, dat het iets anders kon zijn dan wat kleinschalige boeren al generaties lang doen, dat het geld kan opleveren. En er zal nog meer verandering komen.’

Afrika staat in Europa volop in de belangstelling. Niet alleen vanwege urgente en actuele vraagstukken, zoals de gevolgen van klimaatverandering en migratie, maar ook vanwege de kansen voor nieuwe vormen van samenwerking met Europa.

Tijdens zijn laatste State of the Union noemde EU-voorzitter Jean-Claude Juncker Afrika niet voor niets het tweelingcontinent van Europa. Hij riep op tot meer gelijkwaardige verhoudingen tussen Europa en Afrika. In dit journalistieke dossier zoomen we in op nieuwe ontwikkelingen op het Afrikaanse continent, geven we een stem aan frisse geluiden en kijken we hoe we tot een ander meer gelijkwaardig narratief kunnen komen in de samenwerking tussen Europa en Afrika.

 

Het journalistiek project ‘Afrika 2030 -tussen uitdagingen en kansen’, is een initiatief van Vice Versa, het NIMD, de IOB, ICCO en IDH.

Tijd voor reflectie

Door Barbara van Paassen | 12 maart 2019

Barbara van Paassen zegde onlangs haar baan op bij ActionAid en vertrok naar Italië. Mede geïnspireerd door Duncan Green’s ‘How Change Happens’, die stelt dat elke activist ook reflectivist moet zijn en hiervoor veel te weinig ruimte is binnen de ontwikkelingssamenwerking, gaat zij op zoek naar wat dit betekent in de praktijk.

Lees artikel

Het dooit in Ethiopië

Door Niels Posthumus | 10 maart 2019

Sinds premier Abiy Ahmed vorig jaar in Ethiopië aan de macht kwam, voert hij vlug democratische veranderingen door. Maar de strijd tussen haviken en hervormers is nog niet gestreden. Verslag van een ommezwaai.

Lees artikel

‘Afrika wordt niet de fabriek van de wereld’

Door Joris Tielens | 06 maart 2019

Om de armoede uit Afrika te verbannen is er meer toerisme en verwerking van grondstoffen nodig, zegt IOB-onderzoeker Jan Bade. En meer hulp aan de armste overheden om zelf hun onderwijs, zorg en sociale bijstand te verbeteren. ‘Subsidie voor Nederlandse bedrijven in Afrika leidt niet zomaar tot inclusieve groei.’

Lees artikel