Door:
Bram Posthumus

26 februari 2019

Tags

Zabban is de Malinese naam voor een vrucht die aan een savanne-liaan groeit. Voeg één a eraan toe (Zabbaan) en je hebt een jong bedrijf in Bamako dat van die wilde vrucht biosapjes maakt. Die liggen in hotels en supermarkten in Mali en Ivoorkust, in Senegal en Frankrijk – een begin, als het aan oprichtster Aïssata Diakité ligt. Zo wil ze haar land vooruithelpen, door te ondernemen met lokale ketens.

Sebenikoro is nog net geen buitenwijk, maar het ligt een stevig stuk rijden buiten het centrum van het almaar uitdijende

Aïssata Diakité, General Manager of Zabbaan Holding

Bamako, de hoofdstad van Mali. Hier, aan een stille zandweg, staat het gebouw waar Zabbaan Holding een onderkomen heeft gevonden. Ontvangstruimte en kantoor boven, opslag en productie beneden. Bij de afdeling logistiek, waar ook de stellingen staan met lange rijen kant-en-klaar-eindproduct, hangt een weelderig gemberaroma. In de volgende ruimte, waar flessen op hoge temperatuur worden gesteriliseerd, is het klam en warm. Weer ergens anders staan plastic flessen hoog opgetast. Daar wil AïssataDiakité zo snel mogelijk van af.  ‘Binnenkort’, zegt ze, ‘gebruiken we alleen nog maar glas. Er is hier een groot plasticprobleem en daaraan wil ik niet bijdragen. Maar het is ook zo dat alles beter smaakt als het uit glas komt. Echt waar!’ De sapjes hebben evocatieve namen: prins en prinses, magiër en krijger – en alles strikt m/v.

De productieafdeling zelf blijft resoluut gesloten. Zonder op details in te gaan, zegt ze simpelweg: ‘Aan die bezoeken heb ik niet zo lang geleden een eind gemaakt.’ Waarom? Bedrijfshygiëne, voor een deel: er wordt immers gewerkt met voedsel. Maar het vermoeden is ook dat ze het niet nodig vindt de concurrentie een kijkje in haar keuken te gunnen. En dat is voorstelbaar.

Hoe oud is Zabbaan? ‘We gaan het vierde jaar van ons bestaan in. We zijn nu met 35 mensen, die werken in de productie, logistiek, financiën en productontwikkeling. Daarnaast bieden we werk aan dertig vrouwen die ons helpen met het drogen en uitzoeken van ons basismateriaal: fruit, bladeren, stengels. We zijn begonnen met vruchtensap, maar dit jaar breiden we het assortiment uit met thee en confituur.’

Hibiscusbladeren uit Mopti, mango’s uit Sikasso, zabban en baobabfruit uit alle plaatsen waar de wind over de savanne blaast

Het is nu half februari. ‘Over een paar weken zit het hier helemaal vol, dan komen de vrouwen onze nieuwe aanvoer keuren.’ Die aanvoer komt uit tientallen coöperaties uit verschillende delen van het land: hibiscusbladeren uit Mopti, mango’s uit Sikasso in het zuidwesten, zabban en baobabfruit uit alle plaatsen waar de wind over de savanne blaast. In heel de keten zijn naar schatting vijfduizend mensen erbij betrokken.

Landbouw en zakendoen, bij Diakité zit het in de genen. Ze werd bijna dertig jaar geleden geboren nabij Mopti, stad aan de brede Nigerrivier in het midden van Mali. ‘Alles wat we thuis aten kwam van ons eigen land. We hadden uien, we verwerkten melk en nog veel meer. Mijn moeder overzag dat alles. Vanaf mijn vijftiende liet ze – als ze op reis was – het bedrijf van vijftien mensen èn de boekhouding aan mij over. Kortom: ik ben van jongs af aan omringd geweest door landbouw en zaken.’

Ze ging studeren in Frankrijk en volgde lessen en colleges bij de Kamer van Koophandel en Industrie in Parijs en aan de Hogere Economische School. Ze studeerde agrobusiness, management, marketing. Daarna werkte ze zes jaar lang voor een rits bedrijven in Frankrijk en deed tussendoor nog een cursus Engels. En vervolgens… ‘Ik ben uit eigen overtuiging naar Mali teruggekeerd. Ik heb altijd iets willen doen met lokale producten en hoe je die een meerwaarde kunt geven.’

Zabbaan als idee is negen jaar oud. Aan de basis ligt de wens om complete lokale ketens op zetten met natuurlijke productie als basis. Van land naar winkel – met werkgelegenheid in de dorpen en toegevoegde waarde in eigen land. Dat doe je door de transformatie niet te laten plaatsvinden in een verre fabriek in Marokko of Frankrijk, maar hier, in Mali. Transformatie: het is het toverwoord waarmee regeringen schermen als ze praten over het creëren van werkgelegenheid. In de praktijk laten ze industriëlen als Diakité aan hun lot over.

Voordat het bedrijf begon gingen vijf jaar voorbij. Dat waren vooral jaren van nog meer studie: alles moest in kaart worden gebracht: leveranciers geïdentificeerd, landbouwcoöperaties opgezet en getraind. En zonder externe financiering kon het bedrijf ook maar langzaam groeien.  ‘De privésector’, zegt Diakité, ‘ziet weinig tot niets van de officiële hulpstromen. Banken hebben wel middelen, maar niet de competentie om industrieprojecten op de lange termijn te begeleiden. Ik heb geen hulp gehad, heb alles opgezet met eigen middelen.’

Een analyse uit 2017 van de Economist Intelligence Unitbesprak de bankensector in Mali’s buurland Guinee en wees erop dat deze grotendeels in handen is van buitenlandse moederbedrijven. Nu is dat niet problematisch, maar de manier waarop ze hun financieringsbeleid ontwerpen is dat wèl: banken geven de voorkeur aan kortlopende, risicovrije kredieten waarmee handelstransacties worden gefinancierd, niet of nauwelijks aan industriële projecten die om een visie en een lange adem vragen. Voor bedrijven met de ambities van Zabbaan biedt microkrediet geen uitkomst: te klein en te duur.

Het patroon herhaalt zich in heel West-Afrika. Wat ook ontbreekt, zegt Diakité, zijn garantiefondsen die investeringen kunnen ondersteunen. Het zijn enkele redenen waarom er in haar land en bij de buren zo weinig industrie bestaat. Daarnaast werken overheden in de regel niet mee.  ‘Omgaan met administratieve zaken is een grote uitdaging, net als het vinden van de juiste informatie.’ Mali heeft een minister voor Industrie, maar ingewijden weten dat die in het politieke spel van een kabinet, tussen de machtige ministers van Financiën, Defensie, Binnenlandse en Buitenlandse Zaken, een ondergeschikte rol speelt.

Wordt er niet gelobbyd voor een beter industriebeleid? Zeker wel, alleen is het weinig effectief. ‘Mali kent een redelijk actieve lobby voor industrialisering,’ zegt ze, ‘alleen vind ik die beweging nogal gesloten. Er moet ruimte komen voor de nieuwe generatie die een andere aanpak heeft en tegelijkertijd producten levert van goede kwaliteit. Opvallend genoeg zijn het in de voedselverwerkende industrie hier in Mali vooral vrouwen die bedrijven leiden en ik vind – eerlijk gezegd – dat we ons terecht nogal eens buitengesloten voelen.’

Ondernemers in Afrika krijgen sowieso al weinig steun, stelt Diakité vast. ‘Je staat er heel erg alleen voor. Ik heb iedere dag veel verschillende petten op, omdat ik alles moet doen: op één dag praat ik met de productiemanager, de chef logistiek, dan zit ik in een onderhandeling met een minister, sta ik in een veld met een landbouwer en vervolgens ontmoet ik een internationale investeerder… geen enkele ondernemer elders ter wereld doet volgens mij zoveel verschillende dingen als wij.’

Ze zoekt oplossingen. ‘Het is waar dat ik hier in Mali de goede basismaterialen en mijn team heb. Maar verpakking, machines en de etiketten komen nog altijd uit Europa.’ Voorlopig ziet ze dat niet veranderen, maar de wens om ook die technologie in eigen huis te hebben is er wel. Aankoop van machines of leaseconstructies kunnen uitkomst bieden, alleen loopt de zaak dan vast op de eeuwige vraag: wie zal dat financieren? ‘Ontwikkeling’ is een woord dat in veel Europese hersens onlosmakelijk is verbonden aan het begrip ‘hulp’, wat een ongelijke relatie impliceert tussen donor en ontvanger. Hoe zit dat met ondernemers onderling? Wat gebeurt er als Afrikaanse en Europese ondernemers elkaar tegenkomen?

Aïssata Diakité, die zichzelf omschrijft als ‘met één been in Mali en met een ander in Europa’, biedt deze observatie: ‘Er is gelijkheid tussen ondernemingen, maar tegelijk is het gecompliceerd. Veel Europese ondernemers hebben een slecht beeld van Afrika; ze denken dat er niets kan, dat het alleen maar onderontwikkeld is. Toch denk ik dat samenwerking tussen ondernemers uit Europa en het “onderontwikkelde” Afrika uitkomst biedt. Ontmoetingen, uitwisselingen, business-to-business, daarvan moeten we het hebben.’

En wat is ten slotte de beloning, los van de prijzen die ze in ontvangst mocht nemen? In Mali ontving ze in 2014 een prijs rondom het programma Ondernemers in Afrika, in 2015 werd ze uitgeroepen tot groot talent tijdens een conferentie van de VN-Voedsel- en Landbouworganisatie in Rome en een jaar later kreeg ze erkenning als innoverend ondernemer door de Francophonie (een organisatie van landen waar Frans de officiële taal is) tijdens een forum over jeugd en groene werkgelegenheid.

Mooi, maar Diakité gaat het om het bedrijf zelf: ‘We zijn inmiddels echt een merk, we zijn bekend in delen van de West-Afrikaanse regio en in Europa. In Mali zijn onze producten in alle grote hotels te koop.’ Daar is marketing voor nodig – die doet ze vooral zelf. ‘Ik laat me inspireren door al het goede dat Afrika te bieden heeft en door wat ik in Europa heb opgestoken.’

Vooruitlopend op de toekomst van haar bedrijf zal ze over enkele maanden het pand in Sebenikoro verlaten. Er verrijst een nieuw gebouw op het industrieterrein aan de andere kant van de stad, gebouwd op groei: meer opslagruimte, meer productie, meer personeel.  Wat ook voldoening geeft is het soort werkgelegenheid dat ze wist te creëren. ‘De meeste mensen die hier werken zijn onder de 35. Het is ontzettend motiverend om zo’n jonge équipebezig te zien en het geeft me de moed om ondanks alle problemen door te gaan. Want ik denk dat we met Made in Africa, van goede kwaliteit, bij ons waardering kunnen oogsten en dat we regionaal maar ook internationaal een markt kunnen veroveren.’

Het vooroordeel dat alles van elders beter is blijft hardnekkig bestaan

Lokale waardering is van belang, want het vooroordeel dat alles van elders beter is blijft hardnekkig bestaan. De schappen in de supermarkt bezwijken onder de pakken vruchtensap uit Marokko, Frankrijk en Zuid-Afrika.  En de lobby? Om het gebrek aan aansluiting bij de bestaande circuits op te vangen, hebben ondernemers hun eigen regionale netwerk opgezet. ‘We zoeken naar mogelijkheden voor schaalvergroting, we zoeken naar financiering voor onderzoek en ontwikkeling van nieuwe producten en voor training van ons personeel. En we willen alles aanpakken wat te maken heeft met verpakking, met certificering, want anders blijven markten gesloten.’

Zabbaan heeft voor twee producten – voor baobabfruit en de vrucht die het bedrijf zijn naam gaf – bio-certificering aangevraagd. Made in Africaen straks gewoon te koop bij je supermarkt om de hoek. Het is een droom waar in Bamako stevig aan wordt gewerkt.

Afrika staat in Europa volop in de belangstelling. Niet alleen vanwege urgente en actuele vraagstukken, zoals de gevolgen van klimaatverandering en migratie, maar ook vanwege de kansen voor nieuwe vormen van samenwerking met Europa.

Tijdens zijn laatste State of the Union noemde EU-voorzitter Jean-Claude Juncker Afrika niet voor niets het tweelingcontinent van Europa. Hij riep op tot meer gelijkwaardige verhoudingen tussen Europa en Afrika. In dit journalistieke dossier zoomen we in op nieuwe ontwikkelingen op het Afrikaanse continent, geven we een stem aan frisse geluiden en kijken we hoe we tot een ander meer gelijkwaardig narratief kunnen komen in de samenwerking tussen Europa en Afrika.

 

Het journalistiek project ‘Afrika 2030 -tussen uitdagingen en kansen’, is een initiatief van Vice Versa, het NIMD, de IOB, ICCO en IDH.

Nieuwe burgerbewegingen op de bres voor Europese waarden

Door Guido Deuzeman | 08 mei 2019

Op 23 mei mogen we weer naar de stembus en er staat wat op het spel. De waarden onder de EU zelf staan onder druk. Ook in ons eigen land, zegt Guido Deuzeman. Maar gelukkig is er een groeiende beweging in Europa en Nederland van mensen die een grens willen trekken en zich laten horen. En werken ngo’s vaker succesvol samen om die mensen te mobiliseren. De campagne Hart boven Hard is een goed voorbeeld.

Lees artikel

‘Van deze rechtsstaat-in-naam wens ik de versierselen niet langer te dragen’

Door Marc van Dijk | 19 april 2019

Trots en dankbaar was Nico Keulemans toen hij door de koningin geridderd werd, na een leven vol ontwikkelingswerk. Nu stuurt de 88-jarige zijn onderscheiding terug. Hij herkent de rechtsstaat Nederland niet meer.

Lees artikel

Zijn we klaar voor verandering?

Door Siri Lijfering | 08 april 2019

Maatschappelijke organisaties staan wereldwijd onder druk. Dit kan het einde betekenen van het bestaan van een kritisch maatschappelijk middenveld én van internationale samenwerking. Door lokale organisaties te brandmerken als spreekbuis van het westen, proberen overheden kritische organisaties vleugellam te maken. Lokale fondsenwerving en mobilisatie van een sterke achterban zijn daarmee belangrijker geworden dan ooit.

Lees artikel