Door:
Marc Broere

4 februari 2019

Categorieën

Tags

Minister Kaag wil dat maatschappelijke organisaties uit het Zuiden meer het eigenaarschap krijgen in een volgend subsidiekader en dat Nederlandse organisaties een andere rol krijgen. Maar branchevereniging Partos gaat op basis van een enquête onder haar leden voorstellen om directe steun aan zuidelijke organisaties te ontmoedigen. Marc Broere vindt het jammer dat Nederlandse organisaties die laatste stap naar het delen van het eigenaarschap van de ontwikkelingsagenda niet durven te zetten.       

Toen ik in de tweede helft van de jaren tachtig als beginnend journalist begon met schrijven over ontwikkelingssamenwerking, had ik veel te maken met ontwikkelingsorganisatie SNV. Zij hadden toen eigenlijk een simpel model. Nederlandse ontwikkelingswerkers werden uitgezonden naar Afrika, Azië en Latijns-Amerika en gekoppeld aan een zogeheten counterpart; iemand uit het betreffende land aan wie ze de kneepjes van het vak moesten leren en overdragen, en die het werk daarna zelfstandig kon voortzetten. Een mooie formule die echter in de praktijk soms weerbarstig bleek als de contractperiode van de Nederlandse ontwikkelingswerker erop zat. Dan werden er vaak allerlei uiteenlopende redenen aangevoerd waarom de tijd nog niet rijp was om het project over te dragen en dat het toch beter was om het contract van de Nederlandse ontwikkelingswerker met nog een periode te verlengen.

Ik moest hier aan denken toen ik afgelopen vrijdag de resultaten las van een enquête die Partos, de branchevereniging van de ontwikkelingssector, onder haar leden heeft gehouden over de toekomst van Samenspraak en Tegenspraak, het programma dat nu de voornaamste subsidiebron van het ministerie is voor Nederlandse ontwikkelingsorganisaties. Nederlandse ontwikkelingsorganisaties dwepen graag en veel met hun zuidelijke partners, maar met een nieuwe subsidieronde in zicht lijken institutionele belangen toch altijd weer voor te gaan en blijken ze die laatste stap naar het delen van het eigenaarschap van de ontwikkelingsagenda niet te durven en willen maken.

Lange traditie

De Nederlandse overheid kent een lange traditie als het gaat om ondersteuning van maatschappelijke organisaties die actief zijn in  Afrika, Latijns-Amerika en Azië. Lang ging een vast bedrag uit de begroting van ontwikkelingssamenwerking naar vier organisaties die langs de traditionele zuilen waren opgebouwd: het algemene Novib, het katholieke Cordaid, het protestantse ICCO en het humanistische Hivos. Rond de eeuwwisseling werd dit stelsel door minister Herfkens opengebroken en toegankelijk gemaakt voor alle Nederlandse ontwikkelingsorganisaties. Dit leidde tot twee opeenvolgende subsidieprogramma’s die MFS en MFS II werden genoemd en tot een enorme groei van Nederlandse organisaties die overheidsfinanciering kregen.

Het was staatssecretaris Knapen die in 2011 zei dat maatschappelijke organisaties minder afhankelijk van de overheid moesten worden en dat de N van NGO meer op de voorgrond moest komen te staan. Dit was ook het moment waarin een periode van grote bezuinigingen op het budget van ontwikkelingssamenwerking in Nederland van start ging; bezuinigingen die ook maatschappelijke organisaties troffen.

Toen MFS II ten einde liep, kwam minister Ploumen met het nieuwe programma ‘Samenspraak en Tegenspraak.’ In plaats van een subsidierelatie als onder de twee voorgaande programma’s, werden overheid en NGO’s ‘strategische partners’ van elkaar. Het ministerie ging 25 strategische partnerschappen aan voor een periode van 5 jaar. Hiervoor was jaarlijks 185 miljoen euro beschikbaar. Organisaties konden voortaan alleen nog financiële ondersteuning krijgen voor activiteiten waarin ze hun partners in het Zuiden hielpen met ‘pleiten en beïnvloeden’ bij hun nationale overheden. Een van de belangrijkste argumenten van Ploumen was dat er internationaal weinig andere donoren waren die dit type activiteiten ondersteunden.

Wel of geen zuidelijke penvoerders

Het was de toenmalige woordvoerder ontwikkelingssamenwerking van de PvdA in de Tweede Kamer, Roelof van Laar, die een motie indiende waarin bepaald werd dat ook zuidelijke NGO’s penvoerder van zo’n strategisch partnerschap konden worden.

Hoewel er uiteindelijk slechts één zuidelijke penvoerder naar boven kwam drijven (FCAM uit Nicaragua), zorgde de motie voor grote verdeeldheid en onrust binnen de Nederlandse ontwikkelingssector. Farah Karimi, toenmalig directeur van OxfamNovib, benadrukte dat het in stand houden van Nederlandse organisaties best een doel op zich mag zijn: ‘We hebben een topsector van NGO’s in Nederland die behoorlijk toonaangevend is. Daar mag je trots op zijn en voor blijven strijden.’

Yannick du Pont, directeur van SPARK, was het daar totaal niet mee eens. ‘Eindelijk wordt de relatie meer gelijkwaardig en behandel je zuidelijke organisaties niet meer als onderaannemer’, stelde hij. MFS en MFS II waren volgens hem in feite ‘gebonden hulp’. Hij voegde daar aan toe: ‘Als het over zaken als het Dutch Good Growth Fund gaat, roepen we als Nederlandse NGO-sector al snel dat dit niet mag verzanden in gebonden hulp. Maar als het gaat over gebonden hulp aan Nederlandse NGO’s, zou het opeens wél goed zijn.’

De motie van Van Laar gaf volgens hem een belangrijk signaal af aan zuidelijke NGO’s: ‘We zien jullie als partner en als je voldoet aan de voorwaardes kunnen jullie je kwalificeren en de ontwikkelingsagenda zélf gaan leiden.’

Beleid minister Kaag

Ook de huidige minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, Sigrid Kaag, lijkt langs deze lijnen te denken. In mei 2018 ontvouwde ze haar ideeën in de beleidsnota ‘Investeren in Perspectief.’ Hoewel de paragraaf over de toekomstige  rol van het maatschappelijk middenveld aanzienlijk korter was dan die over de inzet van het Nederlandse bedrijfsleven, was hij wel helder en duidelijk. De minister benadrukte het belang van het versterken van de stem van het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden ‘zodat deze lokale organisaties beter belangrijke sociale en economische veranderingen kunnen bevorderen.’

Ze blikte ook vooruit. In de tweede helft van 2018 startte het nadenken over het nieuwe beleidskader voor het maatschappelijk middenveld, de opvolger van Samenspraak en Tegenspraak. In haar nota schreef Kaag:  ‘Het voornemen is vooralsnog deze vorm van steun aan maatschappelijke organisaties voort te zetten, en daarbij nog duidelijker de Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse organisaties het eigenaarschap te geven. De Nederlandse organisaties zullen dan een andere rol gaan spelen, meer gericht op vernieuwing, verbinding en beïnvloeding op internationaal niveau.’

Enquête

Ik vond het vorig jaar na het verschijnen van ‘Investeren in Perspectief’ al een teken aan de wand dat er vanuit de Nederlandse ontwikkelingssector op een aantal uitzonderingen na vrijwel geen enkele openlijke steunbetuiging kwam voor deze plannen van de minister. Je zou verwachten dat er meer lof zou zijn geweest voor het voornemen om zuidelijke organisaties nog duidelijker het eigenaarschap te geven. Dit is namelijk precies de essentie van waar het binnen ontwikkelingssamenwerking om draait. Het gaat om overdracht: overdracht van kennis en middelen, maar ook van macht en zeggenschap. En dat is wat Kaag voornemens is te gaan doen.

Maar de Nederlandse ontwikkelingssector is hierover verdeeld, zo blijkt wel uit de enquête die branchevereniging Partos afgelopen maand hield onder haar leden om punten te verzamelen die worden meegenomen in het consultatieproces met het ministerie over een nieuw beleidskader. De resultaten van de enquête zijn door Partos ondergebracht in een document met drie categorieën. Een categorie over wat behouden moet worden, een categorie over wat anders of versterkt moet worden, en een lijst van ingebrachte punten om bewust niét mee te nemen in de gesprekken met het ministerie. Het is opmerkelijk dat een categorie over hoe Nederlandse organisaties zelf hun nieuwe en andere rol in de toekomst zien ontbreekt.

Over veel zaken lijkt overeenstemming te zijn, maar niet op het punt van hoe dat zuidelijke eigenaarschap in de praktijk moet worden ingevuld. Op dit gebied zijn de ingebrachte punten van de Partos-leden zelfs behoorlijk incoherent. Zo staat in het document dat lokaal eigenaarschap gewaardeerd moet worden bij de selectie van nieuwe partnerschappen, maar ook dat er geen eisen in het nieuwe subsidiekader mogen worden opgenomen dat zuidelijke NGO’s penvoerder of alliantielid moeten zijn. Zo wordt verder geschreven dat zuidelijke NGO’s een grotere rol moeten krijgen, maar ook dat financiering hoofdzakelijk zal moeten plaatsvinden via maatschappelijke (lees: Nederlandse) organisaties. Tot slot wordt voorgesteld om het door leden ingebrachte idee van rechtstreekse financiering van lokale organisaties niet mee te nemen in het voorstel aan de minister. Dit omdat het volgens Partos in tegenspraak is met de andere wens uit het document om financiering van lokale organisaties hoofdzakelijk te laten plaatsvinden via maatschappelijke organisaties. Uit dit laatste blijkt ook dat de leden van Partos niet eensgezind zijn op dit punt.

Daarnaast is er volgens Partos ook geen noodzaak tot directe financiering van lokale NGO’s omdat hiervoor al het Accountabilty Fonds bestaat. Dit is een fonds bedoeld voor lokale organisaties dat wordt beheerd door Nederlandse ambassades. In de praktijk gaat het meestal om kleine subsidietoekenningen aan lokale organisaties die in de duizenden euro lopen, dus een hele andere orde van grootte dan de strategische partnerschappen waar de toekenningen in de miljoenen lopen.

Dilemma’s

Het is zeker niet zo dat directe financiering van zuidelijke NGO’s een wondermiddel is. Er zitten ook een aantal haken en ogen aan. Het is bovendien maar een bescheiden en een van de vele wegen naar meer eigenaarschap van zuidelijke organisaties in de internationale ontwikkelingsagenda. Maar het is wel een heel principieel en ook psychologisch punt. Het is namelijk een intentieverklaring dat je bereid bent de macht te delen en afstand te doen van je privileges. Een beetje zoals in een relatie als je na verloop van tijd een extra pinpas aanvraagt voor je partner of een gemeenschappelijke bankrekening opent. Een kwestie van vertrouwen in elkaar ook.

Ook begrijp ik dat het lastig is voor een branchevereniging als Partos om honderd verschillende neuzen dezelfde kant op te krijgen. Je bent als directeur aan honderd ketens gebonden. Er zijn altijd koplopers en achterblijvers onder je leden. Dan bestaat inderdaad de kans dat een enquête een document oplevert dat incoherent is en waarin ieder vuur en drang tot vernieuwing ontbreekt.

Toch is het ook terdege een kwestie van geloofwaardigheid. Nederlandse ontwikkelingsorganisaties hebben vaak de mond vol over het begrip ‘coherentie’ en bekritiseren de overheid terecht op dit terrein. Je kunt niet met de ene hand weer teniet doen wat je met de andere aan positieve verandering bewerkstelligt. Maar hoe coherent is de ontwikkelingssector zelf? Hier kun je nu best een aantal kritische vragen over opwerpen. Want kun je met de mond belijden dat zuidelijke NGO’s een grotere rol moeten krijgen, maar er in de praktijk voor pleiten dat de deur naar directe financiering gesloten blijft? Kun je met de mond de strijdkreet Leave no one behind huldigen, terwijl het in de praktijk nu toch verdacht veel op Leave zuidelijke NGO’s behind lijkt? Kun je je profileren als onderdeel van de Shift the power-beweging (die pleit voor een machtsverschuiving binnen internationale samenwerking van Noord naar Zuid), maar daar vervolgens tot in de verste verte niet naar handelen?

Het zijn vragen om de komende tijd nog maar eens goed over door te praten. Ik hoop in ieder geval dat Nederlandse organisaties de handschoen die de minister heeft uitgeworpen nu met beide handen gaan oppakken en met een visionair antwoord komen over hoe zij zelf hun nieuwe rol zien en daar concreet invulling aan denken te gaan geven. Ga denken vanuit kansen en vernieuwing en niet zoals nu helaas het geval lijkt vanuit eigenbelang.

Marc Broere is hoofdredacteur van Vice Versa

 

Melkhandel op het ‘continent van kansen’

Door Joris Tielens | 20 februari 2019

FrieslandCampina wortelt zich in Afrika, zegt Josephine Ngo-Mawoh, de marketingdirecteur. Ze ziet in de groeiende bevolking vooral consumenten: zuivel sluipt het dieet binnen. ‘Het aannemen van lokaal talent draagt bij aan de duurzaamheid van ons bedrijf.’

Lees artikel

Eenzijdige akkoorden

Door Joris Tielens | 18 februari 2019

Jean-Claude Juncker, voorzitter van de Europese Commissie, zei in de State of the Union: ‘Afrika heeft geen liefdadigheid nodig, maar eerlijke partnerschappen.’ Alleen is de verhouding nog steeds scheef, wat handel betreft. Een ontleding van de Economische Partnerschapsakkoorden.

Lees artikel

‘De “sterke mannen” in de Afrikaanse politiek weten dat ze de sociale media niet kunnen beheersen’

Door Niels Posthumus | 14 februari 2019

Jessica Musila is directeur van Mzalendo, dat in Kenia online en via sms jongeren bij de politiek betrekt en meer transparantie realiseert. Elders in Afrika ligt dat lastiger, maar ze is hoopvol. ‘Technologische verandering vergroot de democratische mogelijkheden.’

Lees artikel