Door:
Manon Stravens

30 oktober 2018

Het bedrijfsleven en de financiële sector erkennen steeds meer het belang van investeren in Duurzame Ontwikkelingsdoelen. Maar hoe krijgen we deze potentiële geldschieters ook daadwerkelijk bereid de kosten en risico’s te helpen dragen?

 

Twaalfduizend miljard dollar aan duurzame investeringen zou het kunnen opleveren, als de kapitaalmarkt doelgericht zou investeren in de internationale ontwikkelingsagenda waar wereldleiders zich in december 2015 aan hebben gecommitteerd[1]. Duizelingwekkend veel geld vergeleken met de nog geen 147 miljard dollar die de rijke landen in 2017 voor ontwikkelingssamenwerking reserveerden. Geld dat vooral hard nodig is om de infrastructuur, technologieën en het menselijk kapitaal te financieren om armoede en honger de wereld uit te krijgen, klimaatverandering tegen te gaan en zorg, onderwijs en arbeidsomstandigheden te verbeteren.

Begin deze eeuw riepen de VN al dat privaat geld onmisbaar is om armoede de wereld uit te helpen. Pensioenfondsen, verzekeraars, banken en andere financiële instellingen zitten op bergen investeringskapitaal. Waar de eerlijke geld-, bank- en verzekeringswijzers vooral wijzen op de vaak negatieve gevolgen van hun investeringen voor mens, dier en milieu, is er ook een andere beweging gaande.

Duurzaam beleggen en investeren is ‘hot’ en allang niet meer voorbehouden aan de groenfondsen van banken als Triodos of ASN. Geen bank, verzekeraar of vermogensbeheerder laat achterwege te zeggen duurzaamheid hoog in het vaandel te hebben. Er zijn inmiddels voor honderden miljarden aan groene obligaties beschikbaar, die worden geïnvesteerd in bijvoorbeeld leningen voor duurzaam vastgoed of duurzaam openbaar vervoer. Steeds vaker zijn er berichten over beleggers die zich terugtrekken uit palmolie, tabak of pijpleidingen voor teerzandolie.

 

Impact-investeren

Zogeheten ‘impact-investeerders’ gaan nog een stap verder door doelgericht te beleggen in bijvoorbeeld schone energie, onderwijs en microfinanciering, met de intentie om positieve sociale en milieu-impact te genereren. Eind 2016 ondertekenden onder andere 18 Nederlandse financiële instellingen met een collectief beheerd vermogen van 2.800 miljard euro de nationale SDG investeringsagenda (SDGI). Grote partijen zoals ING, AEGON, Nationale Nederlanden en de pensioenfondsen APG en PGGM zegden toe om samen met de overheid en de Nederlandsche Bank onder andere meer publiek-privaat geld vrij te maken voor investeringen in de SDG’s, de zeventien Duurzame Werelddoelen. Zover bekend is Nederland het eerste land dat een dergelijke landelijke toezegging vanuit de financiële sector voor elkaar kreeg.

Broodnodig, zo’n gedeelde agenda, zegt Carolien de Bruin, oprichtster van het Amsterdamse onderzoeks- en adviesbureau C-Change en mede-initiator van de SDGI. ‘Want het echte impactkapitaal komt maar mondjesmaat los.’ Sociale ondernemingen hebben grote moeite om geldschieters te vinden, aldus De Bruin. ‘Ze moeten vele gesprekken voeren bij de bank om uiteindelijk een lening te krijgen. Zo maakt ABN Amro nu groots reclame voor een fonds voor circulaire economie, maar het blijkt voor duurzaam ondernemers moeilijk aanspraak te maken op dit geld.’ Jaarlijks wordt zo’n 250 miljard dollar in ‘impact’ geïnvesteerd. Een kruimel vergeleken met wat er nodig is om armoede en klimaatverandering de wereld uit te krijgen.

Ook uit onderzoek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD) blijkt dat allerlei faciliteiten voor publiek-privaat geld (‘blended finance’) als paddenstoelen uit de grond schieten, maar dat het aantal private investeringen in opkomende markten in het zuiden toch bescheiden blijft. Het geld dat wel beschikbaar komt, komt nauwelijks in de armste landen terecht. Vooral de middeninkomenslanden profiteren, en dan is de positieve impact daarvan op ontwikkeling niet altijd duidelijk.

 

Rommelig en gefragmenteerd

De Bruin, die de pijnpunten in Nederland in kaart bracht, heeft wel een verklaring voor dat financieringsgat. ‘De markt voor duurzaam en impact-investeren is een nog rommelige en gefragmenteerde markt. Het geld zit in allerlei fondsen verstopt en het beleid van kapitaalverstrekkers is niet ingericht op het doen van risicovolle investeringen in bijvoorbeeld opkomende markten.’ De regelgeving voor deze markt staat volgens haar bovendien nog in de kinderschoenen.

Ook is de ene investeerder gebonden aan strakkere mandaten dan de andere. Sommige investeerders, zoals de zogeheten family offices – organisaties van vermogende families, hebben relatief veel bestedingsvrijheid en zijn tot meer risico bereid. Zij hebben niet de verplichtingen zoals pensioenfondsen om de oude dag van hun leden zorgvuldig te beheren en investeren. Tegelijkertijd is het voordeel van pensioengeld dat het voor een langere tijd beschikbaar is, interessant om langetermijninvesteringen mee te doen.

Verzekeraars hebben juist een ingebakken belang om slim te investeren in risicovolle gebieden of duurzame producten, zoals stormbestendige woningen, ‘die ze dan tegelijkertijd kunnen verwarmen met hernieuwbare energie’. De Bruin: ’De waarde die met zo’n risicoafdekking wordt gecreëerd, compenseert de kosten van eventuele schade als gevolg van bijvoorbeeld watersnood of stormen, waar verzekeraars voor opdraaien.

 

Obstakels in de pijplijn

Ook aan de ‘pijplijn’-kant, ofwel het geheel aan sociale ondernemingen, impactfondsen en andere duurzame investeringsdoelen, zitten obstakels, weet De Bruin. ‘Sociale ondernemingen bedenken goede en interessante producten om in te investeren, zoals energiezuinige kookstoven of waterproducten, maar zijn zichzelf ook nog aan het uitvinden. En ook zij zijn enorm gefragmenteerd.’

Koert Jansen beheert zo’n impactfonds, Incluvest, en weet hoe moeilijk het is om grootkapitaal te werven voor risicovolle beleggingen. Incluvest investeert in schone en eerlijke voedselverwerkende fabrieken in het zuiden, onder meer via het Fair Factory Development Fund, dat investeert in voedselproductie met het doel werkgelegenheid, betere productie, afzet (‘liefst met premie’) en rurale ontwikkeling te stimuleren.

Tot dusver heeft Incluvest zo’n duizend ondernemers aan zich weten te binden (Jansen: ‘van een dorpsbakkerij tot grotere bedrijven’). Vaak ‘snelle beslissers’ die weten dat ze risico lopen, zegt Jansen, ‘maar die de sociale impact van hun investering belangrijker vinden’. Jansen kan nog wel zo’n 25 miljoen extra gebruiken, maar weet inmiddels ook hoe ‘verschrikkelijk lastig’ het is daarvoor pensioenfondsen of family offices warm te krijgen. ‘Landbouw is nou eenmaal een risicovolle sector met misoogsten, seizoenswisselingen en prijsschommelingen op de wereldmarkt. Rendement en risico staan niet in verhouding tot elkaar. Tegelijkertijd hebben grootinvesteerders een nauw omschreven beleid, dat bepaalt waar je wel en niet in kan investeren. Maar het Fair Factory Fund wil niet met iedere investeerder aparte afspraken moeten maken en we kunnen geen garanties geven.’ Bovendien is Incluvest een van de vele impactfondsen die zijn opmars maakt.

Volgens De Bruin hanteren financiële instellingen nu een nauwe definitie van risico. Zij zouden hun mandaten volgens haar, met toezegging en steun van toezichthouder De Nederlandsche Bank, moeten aanpassen ‘aan de realiteit van vandaag’. Ofwel: aan het feit dat klimaatverandering en armoedebestrijding inmiddels een zaak van iedereen is, en dus ook van private investeerders. ‘Dan zouden ook de risico’s en bijbehorende kosten van bijvoorbeeld klimaatverandering meegenomen kunnen worden.’

 

Vijftig tinten impact

Er komt er steeds meer kapitaal beschikbaar, zegt Eric Buckens, directeur van het in 2013 gestarte Social Impact Fonds van ABN Amro. Dit fonds van 10 miljoen, geld van de bank zelf, investeert in (vooralsnog alleen Nederlandse) sociale ondernemingen. ‘De markt kijkt steeds meer naar de sociale effecten van investeringen. Er is een opmars van jonge en innovatieve ondernemingen en ook het aantal garantiefondsen groeit’, aldus Buckens. Hij geeft toe dat het kapitaal wel beter kan worden verdeeld. ‘Investeerders neigen eerder te investeren in ondernemingen die al succesvol zijn, minder in de innovatieve starters die het misschien wel harder nodig hebben. Niet alle ondernemers zijn goed, en je wilt als investeerder die duurzame resultaten wel zien, met beheersbare risico’s en financiële houdbaarheid.’

Een ander pijnpunt, zo blijkt uit de gesprekken, is de precieze betekenis van impact. ‘Iedereen hanteert zijn eigen definities, met het gevolg dat er al snel ‘fifty shades of impact’ bestaan, met een knipoog naar het bekende boek. Zijn de duurzame fondsen van bijvoorbeeld de Rabobank even groen en sociaal als die van de Triodos Bank?’ vraagt De Bruin zich retorisch af. ‘Een duidelijke definiëring en standaardisering van impact – zo concreet en simpel mogelijk – en hoe je dat meet is belangrijk. Met een beter begrip van wat impact, bijvoorbeeld op het gebied van gender, water en landbouw, zijn financiële producten makkelijker aan dit soort investeringen te koppelen.’

 

Duurzaamheidsstempel

Zonder standaarden is het risico op ‘SDG-washing’ ook groot, zegt De Bruin. ‘Dan kan iedereen zijn eigen impactverhaal verzinnen bij zijn belegging.’ Ofwel, een soort greenwashing of windowdressing maar dan met de werelddoelen. ‘Nu zie je vaak dat bestaande beleggingen ineens een duurzaamheidsstempel krijgen zonder dat er iets extra’s is gedaan.’ Duurzaamheid moet dan ook veel verder gaan dan een eindejaarsverslag of een uitspraak van de CEO, vindt ze. ‘Het moet echt geïnternaliseerd worden binnen het hele bedrijf, met doelen die ook op lager management niveau worden gesteld.’

Duidelijke standaarden trekken ook nieuwe investeerders over de streep, denkt Buckens. ‘Maar dan moet je meer doen dan alleen “bonen tellen”, wat we tot nu toe teveel hebben gedaan. Impact is namelijk meer dan de tonnen CO2 die je niet hebt uitgestoten, het aantal mensen dat je aan het werkt krijgt, of het aantal kinderen dat je uit de slavernij houdt. Wat is daarvan de waarde? Als je daar een prijskaartje aan kan hangen, dan kan je laten zien dat het nuttiger is om de bonen af te nemen van een boer wiens kind naar school gaat en niet op de plantage werkt. Dan krijgen investeringen in onderwijs en zorg ook meer waarde. Dat geeft houvast en werkt motiverend. Als bank proberen wij daar ook steeds meer naar te kijken.’

Er zijn wel initiatieven tot standaardisering. Zo ontwikkelt het Impact Management Project, een initiatief van onder meer het ontwikkelingsfonds van de VN (UNDP), de OECD en diverse netwerken van impact-investeerders gedeelde normen en standaarden over wat impact is. Morning Star, een ratingbureau voor beleggingsfondsen, ontwikkelde bijvoorbeeld verschillende instrumenten om beleggingen te beoordelen op de gevolgen voor milieu, mensen en bestuur (ESG-criteria), of om specifiek de CO2-impact van beleggingen te meten. Beleggers vragen daar steeds vaker om, zo valt te lezen op de website van Morning Star.

 

Leave no SDG behind

Klimaatverandering blijkt populair onder beleggers en bedrijven, zegt De Bruin. Ook relatief veel sociale ondernemingen zitten op dit thema, zo berekende ABN Amro vorig jaar in een rapport over impact-investeren. ‘Logisch. CO2-uitstoot is meetbaar en dus ook makkelijk om afspraken over te maken. Voor sociale impact, resultaten op het vlak van gendergelijkheid of betere arbeidsomstandigheden, is dat veel moeilijker.’

Ook blijkt het ene Werelddoel meer ‘investable’ dan de ander, aldus De Bruin. ‘Institutionele investeerders neigen al snel naar infrastructurele zaken dichtbij huis, zoals windmolens in Nederland. Deze investeringen zijn groot genoeg en minder risicovol dan bijvoorbeeld investeringen in microfinanciering in Bangladesh.’ Ook  wel logisch, vindt ze. ‘Waarom zou je in ingewikkelde verre markten investeren als je ook in Nederland iets kan doen? Er is tenslotte ook een Nederlandse SDG-agenda opgesteld om armoede en milieuvervuiling in eigen land aan pakken.’ Het is goed dat iedereen zijn eigen interesse heeft, zegt De Bruin, maar om armoede te bestrijden, moeten we toch ook echt over de grens kijken. Leave no SDG behind.’

Ook ABN Amro investeert tot noch toe vooral in Nederlandse ondernemingen (‘om de markt te leren kennen’), maar dat is aan het veranderen, denkt Buckens. ‘In het zuiden is namelijk veel te winnen met sociale impact-ondernemingen die bijvoorbeeld ketens korter en eerlijker maken. Een investering die behalve de pluk en de oogst ook de verwerking van koffiebonen in Ethiopië mogelijk maakt, haalt veel tussenhandel weg, wat betere prijzen voor de boeren kan opleveren.’

 

Twee werelden verbinden

De toenadering tussen de ontwikkelingswereld en de kapitaalverstrekkers kan nog wel een zet gebruiken. ‘Het zou goed zijn als investeerders in gesprek raken met kleinere specialisten zoals Incluvest, die risicovolle en ongebruikelijke beleggingsprojecten aanbieden’, zegt Jansen. Zolang die partijen elkaar niet vanzelf vinden, zijn bemiddelaars nodig, zegt ook De Bruin, die haar werk bij C-Change omschrijft als ‘heen en weer lopen tussen beide werelden om ze aan een tafel te krijgen.’

Volgend jaar lanceert C-Change een ‘soort LinkedIn voor impact’, een online platform waar sociale ondernemingen een profiel kunnen aanmaken op basis waarvan ze dan gekoppeld kunnen worden aan een potentiële investeerder. Een eerste pilot wordt uitgerold in Amsterdam en Den Haag. ‘In de stad kun je sneller aan de slag en naar verwachting meer bereiken, want je zit dichter bij de bedrijven, lokale bewoners, de burgemeester en andere lokale partijen. En verder van de politiek.’

Die verbindende rol speelt ABN Amro ook, naast het verschaffen van kapitaal, zegt Buckens. ‘Een risicodragende investering met ons fonds gaat altijd gepaard met het geven van advies, netwerken en kennis. Zo verbinden we kleine met grote ondernemingen, investeerders of andere partijen, zodat ze een afzetmarkt hebben en schaal kunnen maken’, zegt Buckens. ‘We zien al dat investeerders meer openstaan voor kleinere ondernemingen en de risico’s spreiden door te mixen met minder risicovolle beleggingen.’

 

Niet zonder pijn

De overheid zou het financieren van dit soort initiatieven of van sociale ondernemingen ook slimmer en consequenter kunnen doen, stelt De Bruin. ‘Er zijn tal van geldpotjes beschikbaar, maar niemand weet waar ze aanspraak op kunnen maken.’ De overheid en uitvoerende instanties kunnen nog duidelijker aangeven wie welke potjes kan aanroeren, bij voorkeur vanuit één loket, zegt De Bruin. Ook moet de overheid versnippering van initiatieven, platformen, en fondsen proberen te vermijden. ‘Als je vier verschillende platforms ondersteunt, verplicht dan tenminste dat ze met elkaar praten en enkel iets nieuws beginnen als dit echt nodig is. Dat gebeurt nu niet genoeg. De overheid kan stroomlijning in standaarden afdwingen en daarmee bijdragen aan een goed georganiseerde markt.’

De Werelddoelen omarmen kan niet zonder pijn, zegt Jansen. ‘Dat kost veel geld, en je zou willen dat er meer financiële ruimte gecreëerd wordt. Als grote institutionele investeerders ook maar een promille van hun belegd vermogen beschikbaar stellen, dan zou dat al een giga mooie geldstroom zijn waar we heel veel meer mee kunnen. Het gaat nu te langzaam en er is een enorme discrepantie tussen de erkenning door bedrijven van het belang in de ontwikkelingsagenda te investeren, en hun daadwerkelijke bereidheid de kosten en de risico’s helpen dragen. Nu wordt die verantwoordelijkheid nog teveel bij de overheid, filantropen en private impact investeerders gelegd.’

 

[1] De zeventien Duurzame Werelddoelen (SDG’s). Bron: http://www.un.org/esa/ffd/wp-content/uploads/2017/03/SDG-Investing-Report_170306.pdf

Waar kan Nederland binnen de hulp en handelsagenda de komende jaren het beste op inzetten? Deze vraag staat de komende weken centraal op de website van Vice Versa en tijdens het congres ‘Hulp en Handel in Perspectief’ op dinsdagmiddag 16 oktober in Den Haag.

Hulp en Handel in Perspectief is een gezamenlijk initiatief van  ViceVersa, Solidaridad, Fair Green and Global Alliance (FGG), de Civic Engagement Alliance, FMO, IDH en het KIT.

Waar kan Nederland binnen de hulp en handelsagenda de komende jaren het beste op inzetten? Deze vraag staat de komende weken centraal op de website van Vice Versa en tijdens het congres ‘Hulp en Handel in Perspectief’ op dinsdagmiddag 16 oktober in Den Haag.

Hulp en Handel in Perspectief is een gezamenlijk initiatief van  ViceVersa, Solidaridad, Fair Green and Global Alliance (FGG), de Civic Engagement Alliance, FMO, IDH en het KIT.

Een nieuwe generatie zoekt verandering in Guatemala

Door Edwin Koopman | 12 november 2018

Jong, hoog opgeleid, en vol idealen; een nieuwe generatie in Guatemala zet in op een radicale politieke vernieuwing. Álvaro Montenegro is een van de leiders van een brede beweging tegen corruptie en straffeloosheid. ‘Dit is geen sprint maar een marathon.’

Lees artikel

‘Als je doelgroep de minstbedeelden zijn, is de nota van Kaag niet het juiste instrument.’

Door Lennaert Rooijakkers | 09 november 2018

Als lid van de adviesraad van de Fair, Global and Green Alliance was Ruchi Tripathi deze zomer in Den Haag om op het ministerie te discussiëren over de nota van Kaag. Ze is kritisch op de Nederlandse hulp- en handelagenda. ‘Ik zou het gek vinden als ik onder de noemer “hulp” belasting zou betalen voor bedrijfsinitiatieven.’

Lees artikel

Leren van Evalueren 2018: het complete programma

Door Marc Broere | 08 november 2018

Het complete programma van ‘Leren van Evalueren -bewegen tussen belangen’ op 23 november is bekend. De centrale vraag van de bijeenkomst is: welke belangen spelen er bij evaluaties en hoe ga je hiermee om? Hieronder het complete programma en een overzicht van de acht deelsessies. Aanmelden kan via deze link.

Lees artikel