Door:
Sarah Haaij

24 oktober 2018

Vier jaar Dutch Good Growth Fund (DGGF) is vier jaar ‘goede groei’. Althans, dat was de belofte bij de lancering van het fonds. Zijn de hooggespannen verwachtingen rond het tovermiddel van de hulp & handel-agenda waargemaakt? En wat zijn de geleerde lessen nu het fonds wordt ondergebracht in de nieuwe investeringsbank Invest NL?

Als een wondermiddel werd het Dutch Good Growth Fund (DGGF) aangekondigd – een instrument dat drie vliegen in een klap zou slaan. Niet alleen beloofde het ontwikkeling in arme landen te brengen, ook het Nederlands bedrijfsleven kon profiteren. En daarbij zou het geld, 700 miljoen euro van de ontwikkelingsbegroting, ook nog eens terugstromen (‘revolveren’).

Good Growth Fund als goedmakertje

En, niet te vergeten, het DGGF was daarnaast ook een goedmakertje, voor de rigoureuze bezuinigingen van Kabinet Rutte II (2013) op ontwikkelingssamenwerking. ‘Als je teruggaat in de tijd was het echt een deal tussen VVD en PvdA’, zegt Bart de Steenhuijsen Piters, Hoofd Duurzame Economische Ontwikkeling bij het KIT. ‘De PvdA zei: het budget mag naar beneden als er iets tegenover staat. Dat werd het Dutch Good Growth Fund.’

Het was een PvdA’er, Jan Vos, die het idee voor het revolverend fonds tijdens de formatie inbracht. ‘Ik dacht: de VVD wil bezuinigen op de ontwikkelingssamenwerking, de PvdA wil zo veel mogelijk behouden, laten we het zo doen dat ze zich er allebei in kunnen vinden’, vertelde hij in 2013 aan Vrij Nederland. De VVD vond het prima, omdat het geld grotendeels naar het Nederlands bedrijfsleven zou gaan.

Het plan paste in de post-crisis tijdsgeest, waarin ontwikkeling net zo goed door ondernemers kon worden gebracht als door politici of hulpverleners.

Nederland als pionier

Zo kwam het dat Nederland veel eerder dan andere grote donorlanden al in 2013 pionierde met het combineren van hulp en private-sector investeringen. Het fonds doet namelijk niet aan subsidies maar biedt leningen, garanties en aandelenkapitaal. De ondernemers die het hulpgeld krijgen moeten het ook weer terugbetalen. Waardoor het idealiter steeds opnieuw kan worden ingezet.

Kun je met een ontwikkelingsinvestering drie vliegen in een klap slaan? ‘Juist omdat Nederland vooroploopt is het ontzettend belangrijk dat we nu, vier jaar later, een idee krijgen of het werkt of niet’. Volgens Daniela Rosche, senior beleidsadviseur hulpkwaliteit bij Oxfam Novib, is dat niet alleen belangrijk voor Nederland maar ook internationaal, waar grote donoren zoals Duitsland en Engeland nu beginnen te experimenteren met het combineren van hulp en investeringen. ‘De OESO kijkt naar ons – ze zijn heel erg benieuwd of er iets in zit.’

Rumoer

De prangende vraag naar de effecten van het fonds beantwoorden blijkt niet zo gemakkelijk. Vier jaar is nog steeds kort bij investeringen die tot tien jaar lopen. De laatste openbare tussenevaluatie van het Good Growth fonds is drie jaar oud. Naast de begroting zijn er geen recente evaluaties of overzichten.

Wat wel de ronde doet zijn kritische artikelen. Zo zoemt er verontwaardiging rond over de ‘ontwikkelingsrelevantie’ van exportkredieten – zoals die voor medische apparatuur naar een privaat ziekenhuis in Laos. Het onderzoeksplatform Follow the Money ontdekte dat het fonds een garnalenkweekbedrijf financiert waarvan de visserij-tak illegaal zou vissen voor de kust van Liberia. Wat door de visser Atlantic Shrimpers zelf is tegengesproken. Volgens de Rijkdienst voor Ondernemend Nederland RVO heeft certificeerder Friends of the Sea ook geen reden gezien om haar duurzaamheidsstempel voor het bedrijf in te trekken.

‘Het is een gemiste kans’, zegt De Steenhuijsen Piters. ‘Er wordt heel veel publiek geld besteed op een bijzondere manier, maar we weten nog steeds niet of het werkt. Lukt het om met private handen een publiek doel dienen, dat is zo’n interessante vraag. Laat ons toch jaarlijks een kijkje in de boeken nemen!’

Volgens De Steenhuijsen Piters is er een evaluatie ophanden. Bij navraag blijkt SEO Economisch Onderzoek op dit moment inderdaad druk bezig met een evaluatie van het Good Growth fonds. Het onderzoek is begonnen – er ligt een baseline rapport – maar het is nog niet openbaar. Het wachten is op de eindmeting in 2020. Dan kan de balans worden opgemaakt.

Drie indringende vragen over het Good Growth fonds

1. Is er wel genoeg behoefte bij ondernemers?

Het paradepaard van Ploumen galoppeert nog niet’, kopte Vice Versa anderhalf jaar geleden. Uit ons onderzoeksartikel naar de hulp & handel-agenda bleek destijds dat de uitgaven van het fonds achterliepen bij de verwachtingen. Het Dutch Good Growth Fund was bedoeld voor het midden- en kleinbedrijf in Nederland en in ontwikkelingslanden – maar dat leek af te wachten.

Zitten ondernemers en investeringsfondsen wel op dit fonds te wachten? Staat het Nederlandse mkb zo te springen om in ontwikkelingslanden te investeren? Dat vroegen experts zich hardop af. Zonder interesse bij het bedrijfsleven om zich voor de ontwikkelingsagenda in te zetten, zouden de beloofde wonderen niet komen.

De ondernemers zelf gaven in een tweede artikel voor Vice Versa aan dat er juist heel veel behoefte was aan financiering. Chocoladeverkoper Tony Chocolonely vond bij het Good Growth-fonds eindelijk het geld dat de banken niet wilden lenen. Maar voor kleinere sociale ondernemingen bleek het fonds soms nog een onneembare vesting.

Anderhalf jaar later laten de cijfers alweer een ander beeld zien.

Wat is er uitgegeven aan het Dutch Good Growth Fund?

De verdeling Nederlands en lokaal mkb is bijna 50/50. Van de zevenhonderd miljoen euro gaat er 372,5 miljoen naar het Nederlandse bedrijfsleven en 327,5 miljoen naar het bedrijfsleven in lage- en middeninkomenslanden.

De update: Wat is er uitgegeven aan het Dutch Good Growth Fund? Klik op de afbeelding om het te vergroten.

 

Het spoor voor het lokaal mkb lijkt in volle galop, maar daar sukkelt het Nederlands bedrijfsleven nog wat achteraan. Nederlandse ondernemers in een ontwikkelingsland hebben 247,5 miljoen euro beschikbaar; daarvan is nu een derde – 81,4 miljoen – uitgegeven. Daar zitten bekende ondernemingen tussen zoals Tony en de duurzame motor van Koneksie, maar ook veel bloemen en fruit-telers. Toch is het een stuk minder dan verwacht.

‘Dat klopt’, zegt Mirco Goudriaan, coördinator Dutch Good Growth Fund bij Buitenlandse Zaken. ‘Het heeft even geduurd voordat we op gang zijn gekomen. En dat is ook niet zo gek met iets nieuws als het DGGF.’ Vooral bij de lancering van het fonds herinnert Goudriaan zich heftig debat in de Kamer en in de maatschappij. ‘Het duurde gewoon zeker twee jaar om dat fonds goed in elkaar te zetten, een portefeuille met projecten op te bouwen – en voordat iedereen begreep wat het precies behelst.’

Inmiddels, zegt Buitenlandse Zaken, trekken ook de onderdelen met het Nederlandse bedrijfsleven aan. ‘Onze les hierbij is dat er tijd nodig is om de juiste projecten te vinden.’

Soepeler loopt het met de investeringen in het lokale mkb. Een fonds voor fondsen, uitgevoerd door PwC en Triple Jump. ‘Eind van het jaar verwachten we 45 transacties met Intermediaire Fondsen te hebben’, zegt Clemens Gerteiser, manager bij ‘investeringsbeheerder’ Triple Jump. ‘Dan hebben we al 80 procent van het kapitaal bestemd.’

Tot nu heeft het fonds dat fondsen in ontwikkelingslanden steunt 11 duizend banen gecreëerd en rond de 35 duizend banen ondersteund. En die werkgelegenheid groeit niet alleen in toegankelijke markten of met financiële injecties. In Togo krijgen vrouwelijke ondernemers trainingen aangeboden in een ‘women incubator’. Gerteiser: ‘En een mooi voorbeeld, vind ik, is dat wij met het Good Growth fonds bijdragen aan de oprichting van het eerste private equity fonds (voor risicodragend vermogen van beleggers, red.) voor midden- en kleinbedrijf in Afghanistan en in Myanmar.’

2. Stroomt al het geld terug?

Het Dutch Good Growth Fund heeft geen einddatum. Idealiter is het een eeuwigdurend fonds. Alle leningen en verzekeringen moeten door de ondernemers worden terugbetaald, en kunnen opnieuw ingezet. De vraag die dus op ieders lippen brandt: stroomt het geld al terug? Als je kijkt naar de begroting dan lijkt het daar nog niet op. Vorig jaar kwam er op de DGGF-post 500.000 euro aan inkomsten binnen.

Buitenlandse Zaken laat weten op dit moment nog weinig te kunnen zeggen over het revolverend vermogen van het fonds. ‘We zitten nog in de uitgave-fase.’ De meeste transacties hebben een lange looptijd ‘en daarom zijn de ontvangen bedragen tot op heden zeer beperkt’.

Triple Jump-manager Gerteiser verwacht dat de eerste bedragen bij hem rond 2020 terugkomen. Of dat niet aan de late kant is? Nee, zegt hij. ‘Voor ons is de lange looptijd een bewuste keuze geweest omdat juist lange termijn-financiering, die niet stante pede terug moet, voor het mkb ontbreekt. Geld terug is zeker het doel, maar het was nooit de verwachting dat dit na vier jaar al zo zou zijn.’

Voor Daniela Rosche (Oxfam Novib) ligt daar wel een probleem. Na vier jaar is nog volstrekt onduidelijk of het geïnvesteerde geld terugkomt of dat het fonds extra geld oplevert. Natuurlijk is er een aanlooptijd nodig, zegt ze. ‘Maar nu wordt er gewoon gedaan alsof blended finance (ontwikkelingsgeld inzetten om meer private financiering te genereren red.) toch wel gaat werken. Dat we gewoon geduld moeten hebben.’ En dat is volgens haar te makkelijk verondersteld. ‘Heel veel onderzoek kaart aan dat we helemaal niet weten of blended finance het tovermiddel is.’

3. Wat verandert er met Invest-NL?

Het Nederlandse bedrijfsleven kan dus best een zetje gebruiken als het gaat om ondernemen in ontwikkelingslanden. Buitenlandse Zaken wil daarom een paar aanpassingen plegen aan het Good Growth fonds.

Vooral start-ups en sociale ondernemingen blijken behoefte te hebben aan meer ondersteuning. Zij hebben de potentie om impact te maken, maar komen niet in aanmerking voor financiering. Op stapel staat daarom een verlaging van de financiële drempel. Ook komt er meer geld voor technische assistentie. Die dient om ondernemers te helpen aan de eisen te voldoen die het fonds stelt op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen.

En dat haakt aan bij de geplande verplaatsing van het Good Growth fonds naar de nieuwe investeringsbank Invest-NL (zie kader). Ook daar, zegt minister Kaag in haar beleidsnota, is het doel om het ondernemers gemakkelijker te maken. Invest-NL krijgt één loket waar het mkb gemakkelijker financiering kan vinden om te ondernemen in risicovolle landen.

Is dan alles gericht op de ondernemer? Coördinator Goudriaan benadrukt dat de aanpassingen zijn gedaan ‘om tot meer ontwikkelingsimpact te komen’. Dat is en blijft de kern van het fonds verzekert hij. ‘Wij zien ondernemers als middel om die impact te creëren.’

In de kern gaat ontwikkeling over de impact van die projecten op armoedebestrijding, welvaart en welzijn. Tot slot daarom de derde vraag: welke impact-lessen moet het fonds meenemen naar het nieuwe Invest-NL?

De impact-lessen

‘Do no harm is onderdeel van do more good’
Barbara van Paassen, hoofd Beleid & Campagnes ActionAid

 

‘Bij de opzet van het Dutch Good Growth Fund is een vrij minimale definitie van ontwikkelingsrelevantie en impact gehanteerd. Er wordt gekeken naar banen, technologieoverdracht en bedrijfscapaciteit. Wij hebben altijd aangegeven verder te willen kijken dan die criteria. Wat is de impact van het bedrijf op levens van mensen? Daarbij hebben wij steeds gezegd: neem ook de negatieve impact mee. Of dit standaard wordt meegenomen als onderdeel van impactmeting weten we eigenlijk niet.

Natuurlijk is er behoefte aan banen. Maar wel aan goede banen die niet ten koste gaan van livelihoods. Als een vrouw via het fonds een baan krijgt in een bloemenkwekerij wil je weten of haar situatie is verbeterd. Is die beter dan toen ze zelf voedsel verbouwde? Wat doet het voor haar gezin en kinderen: is er voedselzekerheid? En als het bloemenbedrijf uitbreidt, wordt er dan ook gekeken of daar grond bij betrokken wordt?

RVO hanteert de OESO- en IFC- (zusterorganisatie van de Wereldbank, red.) kaders, en staat zeker open voor uitwisseling met ons, dat is positief. Maar voor ons is het niet voldoende. Op het gebied van landrechten en gender zijn er richtlijnen die verder gaan. Zeker als het om  – onbedoelde – negatieve gevolgen gaat, zoals landgrabbing of gender-ongelijkheid.

RVO zal daar ongetwijfeld naar kijken, maar het zou goed zijn als dit proces inzichtelijk wordt gemaakt voor de buitenwereld. Maak het publiek! Dan zien wij ook de afwegingen die aan een investering voorafgaan.’

 

 

Banen tellen is niet genoeg’
Bart de Steenhuijsen Piters, KIT

 

‘Er zijn nu enkele duizenden banen gecreëerd met het DGGF. Maar wetenschappelijk is dat een dunne bewijslast van impact. Het is een outcome. Als je banen telt, moet je ook kijken naar hoeveel banen er niet zijn gecreëerd. Wie die banen bemensen, is een belangrijke vraag. Komen ze uit andere banen? Zijn de gecreëerde banen ‘beter’ wat betreft arbeidsomstandigheden en inkomen? Hebben ook minderbedeelde groepen in de samenleving toegang tot die banen?

Want wat is een eerlijke en goede baan? Daar zijn we het nog niet over eens. Vanuit Nederland wordt er van alles geroepen – en dat moet dan door een ondernemer ingevuld worden in rapportages en spreadsheets – maar als je dat vertaalt naar de lokale context is het bijna hilarisch. Uit onderzoek van KIT blijkt: Nederlandse kaders moeten altijd vertaald worden naar de situatie ter plekke. Pas dan kan een bedrijf waardevol bijdragen.’

 

‘Werk vraag- en niet aanbodgestuurd’
Annelies Zoomers, professor International Development Studies (IDS)

 

‘Voor duurzame ontwikkeling moet je kijken wat je waar doet. Je begint met de vraag: wat is hier ter plekke nodig? Met een fonds als het Dutch Good Growth Fund draai je dat om, het werkt aanbodgestuurd. De ondernemers gaan gewoon op zoek naar mogelijkheden en kansen. En vervolgens wordt er gekeken of het bedrijf aan de regels van het fonds voldoet. Maar wie zorgt er voor dat de ontwikkelingsvoordelen goed terecht komen en gelijk worden verdeeld?

Ondernemers zeggen dan: ‘het is beter dat wij iets doen anders gebeurt er helemaal niets’. Maar ik zou veel meer voorstander zijn van een procesaanpak. Samen kijken met het bedrijf wat je kunt doen om de lokale impact van dat bedrijf te optimaliseren. Wat is er nodig? Welke behoefte zit er bij de gemeenschap? En welke uitdagingen zou een Nederlands bedrijf aan kunnen pakken? En ja, dat is zeker arbeidsintensiever, maar levert ook meer op.’

‘In 2013 schreef Vrij Nederland, dat het succes van Ploumens’ beleid zou staan of vallen met het slagen van  DGGF, dat de rigoureuze bezuinigingen goed moest maken. Is het fonds nu de beste manier om banen en impact te creëren, of hadden we het geld ook anders kunnen besteden? Door het niet in het creëren van banen, maar het oplossen van onderliggende problemen te stoppen zoals projecten voor goed bestuur of onderwijs. Vijf jaar later is daar nog geen helder antwoord op gekomen. Het is dus nog even wachten op de wonderen.


Nieuwe investeringsbank Invest NL
Er wordt ingezet op verbetering van de dienstverlening aan het MKB en startups’, dat zegt minister Kaag in de beleidsnota ‘Investeren in Perspectief’. Ondernemers die willen internationaliseren en impact hebben kunnen straks terecht bij het nieuw op te richten Invest-NL.
Invest-NL is een nieuwe investeringsbank, onder leiding van de voormalige politicus Wouter Bos, met een eigen kapitaal van 2,5 miljard euro voor activiteiten van Nederlandse bedrijven in binnen- en buitenland.

De buitenlandse activiteiten en projecten worden gerealiseerd in een joint venture van Invest-NL met de Nederlandse ontwikkelingsbank FMO. Ook het Dutch Good Growth Fund komt dan onder deze joint venture. Hiermee moet de toegankelijkheid van internationale financiering voor ondernemers beter worden. En is de hoop dat (Nederlandse) private partijen beter kunnen bijdragen aan de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDGs).

Waar kan Nederland binnen de hulp en handelsagenda de komende jaren het beste op inzetten? Deze vraag staat de komende weken centraal op de website van Vice Versa en tijdens het congres ‘Hulp en Handel in Perspectief’ op dinsdagmiddag 16 oktober in Den Haag.

Hulp en Handel in Perspectief is een gezamenlijk initiatief van  ViceVersa, Solidaridad, Fair Green and Global Alliance (FGG), de Civic Engagement Alliance, FMO, IDH en het KIT.

Waar kan Nederland binnen de hulp en handelsagenda de komende jaren het beste op inzetten? Deze vraag staat de komende weken centraal op de website van Vice Versa en tijdens het congres ‘Hulp en Handel in Perspectief’ op dinsdagmiddag 16 oktober in Den Haag.

Hulp en Handel in Perspectief is een gezamenlijk initiatief van  ViceVersa, Solidaridad, Fair Green and Global Alliance (FGG), de Civic Engagement Alliance, FMO, IDH en het KIT.

Blog: Gezondheidszorg voor iedereen of alleen de happy few?

Door Remco van der Veen | 12 december 2018

Vandaag is het Universal Health Coverage Day. Ministers van Financiën zien gezondheidszorg helaas vaak slechts als een uitgavenpost en geven prioriteit aan productieve investeringen in landbouw en infrastructuur. Dat moet anders, schrijft Remco van der Veen, director International Offices bij Cordaid.

Lees artikel

‘De oudere generatie heeft kennis, de jongere generatie heeft de energie en de toekomst.’

Door Lys-Anne Sirks | 11 december 2018

In haar beleidsnota ‘Investeren in perspectief’ zet minister Kaag sterk in op jongeren, maar wat vinden die zelf eigenlijk van de nota en de rol die hen daarin wordt opgelegd? Volgens Francis Arinaitwe, een jonge ondernemer uit Kenia,  is het vooral cruciaal om ‘jongeren zeggenschap te geven over hun eigen toekomst’.  

Lees artikel

Bossen: onze krachtigste high-tech klimaatoplossing

Door Han de Groot | 03 december 2018

Als we over klimaat oplossingen praten, gaat het gesprek bijna altijd over de vermindering van fossiele brandstoffen. Maar volgens Han de Groot, CEO van de Rainforest Alliance, is dat maar een deel van de oplossing en zou het veel meer over bossen moeten gaan: de meest krachtige en efficiënte CO2 opnemende technologie die het wereld ooit heeft gezien.

Lees artikel