Door:
Lennaert Rooijakkers

15 oktober 2018

Iedereen heeft de mond vol over internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO). En inmiddels zijn er al zeven convenanten die dat moeten bevorderen van kracht en zitten er nog vier in de pijplijn. Maar is het daarmee ook al integraal onderdeel van het zaken doen in het buitenland geworden?
Vice Versa duikt aan begin van week twee van het dossier hulp en handel in de wondere wereld van IMVO.

Dit hebben we eerder meegemaakt, moeten ervaren medewerkers van CNV Internationaal hebben gedacht toen dit voorjaar misstanden in de media verschenen rondom zogenoemde biermeisjes van Heineken in Afrika, die ingezet worden om bier te promoten maar ook bloot staan aan misbruik. Zo’n vijftien jaar geleden deden zich soortgelijke praktijken voor in Cambodja. Daar zijn destijds – door CNV en haar lokale partners –  volgens de medewerkers van de bond ‘harde afspraken’ over gemaakt met de bierbrouwer. Inmiddels worden die afspraken door de leveranciers in Azië gewoon nageleefd, maar moet de vakbond in Afrika nog gesprekken voeren met de brouwer en partners.

Moraal van het verhaal: acties in het ene land waar een bedrijf actief is bieden geen garantie voor beleid in het andere. Productie- en consumptieketens zijn complex. En ondanks goed ‘IMVO’-beleid (internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen) en risicoanalyses kan er van alles misgaan. ‘Dat is natuurlijk ook een van de uitdagingen van de convenanten die de overheid nu met bedrijfssectoren en maatschappelijke organisaties afsluit’, zegt Arend van Wijngaarden, voorzitter van CNV Internationaal. Gelukkig ziet hij genoeg positieve ontwikkelingen. ‘Kijk naar het textielconvenant. Dat alle deelnemende partijen hun productielocaties bekend hebben gemaakt – dus ook aan hun concurrenten – is een duidelijke stap vooruit in de relatie tussen de ondernemingen aan de ene kant en de vakbewegingen en maatschappelijke organisaties aan de andere kant. Bedrijven die dat vroeger deden, waren witte raven.’

Maar het proces gaat traag, benadrukt Van Wijngaarden. Hoewel er hoopvolle ontwikkelingen op IMVO-gebied zijn, zeker sinds de convenanten in het leven zijn geroepen. ‘Meer aandacht voor sociale aspecten in de keten en op due diligence (letterlijk: gepaste zorgvuldigheid) met stakeholders is daarvoor noodzakelijk.’

Versnelling

Wil internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen echt de norm worden, dan zal twintig tot dertig procent van een sector zich moeten committeren aan dezelfde doelen, schetst Petra Veeneman, programmamanager IMVO bij MVO Nederland (met 2.500 leden het grootste duurzame bedrijvennetwerk van Europa). ‘Daarvoor zijn partijen nodig die hun nek durven uit te steken en die er soms ook niet in slagen iets voor elkaar te krijgen. Die successen en lessen die je hebt geleerd moet je laten zien, om te ontdekken wat werkt en wat niet. Het delen van die verhalen met de sector en de partijen daarbuiten moet dan weer leiden tot opschaling van succesvolle projecten. De IMVO-convenanten kunnen daaraan bijdragen.’

Maar wonderen moeten we daarbij niet verwachten, zegt Veeneman. ‘Je ziet dat het textielconvenant wel beweging creëert, maar ik verwacht niet dat het voldoende is om de hele sector mee te krijgen’, zegt Veeneman. ‘Daarvoor is meer nodig dan een IMVO-convenant op zich.’

Zou dat dat wetgeving zijn, waar critici van de convenanten op aandringen? ‘Dat kan nodig zijn, maar ik zou daar niet voor willen pleiten. Er is ook meer aandacht nodig voor het stimuleren van innovatie en vernieuwende businessmodellen, in de hele keten. En mooi concreet voorbeeld hiervan is de circulaire jurk die Minister Kaag droeg tijdens de handelsmissie naar India. Dit laat zien wat mogelijk is als bedrijven met duurzame ambities de handen ineenslaan.

Ook in het IMVO-convenant plantaardige eiwitten, waarbij MVO Nederland betrokken is, gebeuren mooie dingen volgens Veeneman. ‘Een van onze partners ontwikkelt een vegetarische worst in Oeganda. Niet alleen als alternatief voor vlees, maar óók om bij te dragen aan een eiwitrijk en gezond product voor de groeiende consumentenmarkt daar. Dit soort voorbeelden laat zien hoe het Nederlandse bedrijfsleven kan bijdragen lokale uitdagingen aan te pakken. Daarvan hebben we er meer nodig.’

Zowel grootbedrijf als mkb zijn hiervoor belangrijk, stelt Veeneman. ‘Grote spelers kunnen zorgen voor opschaling, maar daar zit niet altijd de meeste innovatieve slagkracht of de wil om samen te werken. Mkb’ers staan daar meer voor open. De combinatie van grote bedrijven en kleine pioniers levert de interessantste resultaten op.’

Cees van Dam, hoogleraar International Business & Human Rights aan de Erasmus Universiteit, twijfelt niet aan de goede intenties van een aantal mkb’ers, maar merkt op dat ze vaak weinig invloed hebben op hun ketenpartners. ‘Het zijn vaak kleine afnemers en ze hebben niet de middelen om controle uit te voeren op productie. Naar grote bedrijven wordt geluisterd. Dus hebben die ook meer verantwoordelijkheid omdat zij hun ketenpartners kunnen sturen.’

Geef de grote spelers even de tijd binnen de bestaande convenanten, is Van Dams advies. ‘Laten we de convenanten eerst eens een eerlijke kans geven, ze bestaan immers nog niet zo lang’, zegt hij. Ook hij verwacht niet al te veel van wet- en regelgeving. ‘Als je wetgeving initieert, moet je ook de naleving daarvan in de gaten houden. Dan moet je een toezichthouder optuigen, waarvoor de overheid weer geld opzij moet leggen. Die bereidheid lijkt er op dit moment lang niet overal niet te zijn.’

‘Wetgeving kan mooi zijn voor de bühne, maar het uiteindelijk moet het gaan over de betekenis ervan voor de mensen op het land of in de fabrieken’

Wat CNV’er Van Wijngaarden betreft is wetgeving een ‘’ultimum remedium’’. ‘Ondernemingen zouden intrinsiek gemotiveerd moeten zijn om wat te doen aan de misstanden in hun sector. Een wettelijk afgedwongen plicht leidt misschien tot een afvinklijstje, maar levert dat doelbewuste verbeteracties op? Juist die moeten we zo snel mogelijk hebben.’ Van Dam wijst eveneens op het gevaar van zo’n afvinklijst: ‘Wetgeving kan mooi zijn voor de bühne, maar het uiteindelijk moet het gaan over de betekenis ervan voor de mensen op het land of in de fabrieken. En juist daarvoor heb je zo’n convenant.’

Effectiviteit te weinig zichtbaar

Maar hoe bereik je met een convenant wat je voor ogen hebt? Dat blijkt in de praktijk lastig, ziet onderzoeker Bart de Steenhuijsen Piters van het KIT. Volgens hem bieden de convenanten een bruikbaar algemeen kader, maar geven ze te weinig richtlijnen voor concrete acties in de verschillende ketens. ‘Daardoor is nu nog te weinig zichtbaar hoe de convenanten ook effectief kunnen zijn buiten Nederland. Wij kunnen het hier over een aantal criteria en principes eens zijn, maar als je die probeert te vertalen naar de lokale context dan schuurt dat toch een beetje’, zegt hij. ‘Als bedrijven een dochteronderneming in een ver land hebben, dan is een werkbare situatie denkbaar. Maar niet als zij alleen met leveranciers werken. Dan krijg je situaties waarbij Nederlandse bedrijven moeten gaan onderhandelen over de arbeidsvoorwaarden in hun aanleverende fabrieken in het Zuiden. Dat is een heel lastige conversatie en mede daarom zou een helder actieplan moeten worden opgesteld voor bepaalde landen.’

Bij eventuele wetgeving plaatst ook De Steenhuijsen Piters vraagtekens. ‘Wetgeving kan wel een klein beetje helpen, maar is ook altijd politiek onderhandeld. Wat daaruit komt is nooit voldoende om aan de ambities van IMVO te voldoen. Voor nu zou je juist moeten inzetten op het transparanter maken van bedrijven.’

Goede sier

Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, weet de onderzoeker. Veel bedrijven gaan tegenwoordig wel verder dan do no harm (voorkomen dat je schade aanricht) en liefdadigheid, maar zijn nog lang niet op het punt waarop IMVO deel uitmaakt van hun core business. De Steenhuijsen Piters: ‘Je ziet dat ondernemingen vaak pas veranderen onder consumentendruk of als zij reputatieschade oplopen, zoals in het geval van Heineken. Maar tegelijkertijd blijven er allerlei praktijken bestaan waar een volgende onderzoeksjournalist de vinger op kan leggen. Toch wordt regelmatig goede sier gemaakt met IMVO-projecten. Bijvoorbeeld door de Rabobank, die zich van zijn beste kant laat zien in reclame-uitingen – “Growing a better world together” – maar tegelijkertijd de bank van de Libor-fraude is.’

Die window dressing-trend valt ook econoom en investeerder Gert-Jan Huisman op. Als directeur van energie-efficiencybedrijf Ubbink zette hij in 2011 in Kenia een zonnepanelenfabriek op die inmiddels 150 werknemers heeft (Ubbink East Africa, recent hernoemd tot Sollinc). Met investeringsmaatschappij Anders Invest kiest hij er sinds 2014 bewust voor om alleen in bedrijven te investeren die in hun kernactiviteiten bijdragen aan een betere samenleving. ‘Dat doe ik omdat ik geloof dat je hierin effectief kunt zijn én tegelijkertijd een op winst gericht bedrijf kunt neerzetten’, zegt Huisman. Hij toont zich erg kritisch over de wijze waarop sommige bedrijven met veel tamtam IMVO-projecten beginnen. ‘Vooral als het om bedrijven gaat die eigenlijk alleen keihard met geld verdienen bezig zijn, maar ook even willen laten zien dat zij goed doen door ergens een waterput te slaan. Ik geloof niet dat er van nature een neiging tot goed gedrag in heel veel mensen zit, maar wél een drive om geld te verdienen. Die zie ik namelijk overal. Daarom is het zo effectief als de kernactiviteit van een bedrijf maatschappelijk waardevol is.’

Investeerder Huisman heeft er een hard hoofd in dat convenanten het gros van de bedrijven de IMVO-kant op stuwen. ‘De overheid kan bedrijven wel blijven stimuleren om achter het braafste jongetje van de klas aan te lopen, maar we zien eigenlijk keer op keer dat dat niet werkt.’ Juist deze methode is volgens hem te vrijblijvend, omdat geen enkel bedrijf ergens toe verplicht wordt. ‘Ik ben daarom wél voor regelgeving, zodat je in elk geval voor minimumnormen binnen een bedrijfstak zorgt. Dan ontstaat er een gelijk speelveld en worden efficiënte methoden ontwikkeld om aan die normen te voldoen.’

Volgens Huisman maakt het wel uit hoe die wetgeving wordt vormgegeven. ‘Ik ben voor een principle basedregelgeving en niet een rule basedregelgeving. Geef aan wat bereikt moet worden, maar laat bedrijven daar zelf invulling aan geven. Dat werkt beter dan een heel raamwerk opzetten waarbij de kans groot is dat iemand op zoek gaat naar de mazen in de wet. En wie zich niet aan de regels houdt, moet een torenhoge boete krijgen.’

 

Voorlopers willen wetgeving

Huisman is niet de enige ondernemer die zich aan onwelwillende bedrijven stoort. Hoogleraar International Business & Human Rights Cees van Dam constateert dat op dit vlak een ontwikkeling gaande is. ‘Een groep bedrijven die vooroploopt op het gebied van mensenrechten lobbyt momenteel voor de wet zorgplicht kinderarbeid die nu bij de Eerste Kamer in de pijplijn zit.’ Zoiets was voorheen ongebruikelijk. Zeker omdat het hier een cross-sectorale lobby betreft, zegt Van Dam. ‘Onder meer ABN AMRO en Tony Chocolonely zijn hierbij betrokken. Hoewel zij niet in dezelfde sector actief zijn, nemen ze wel allebei mensenrechten erg serieus én voelen ze dat er een ongelijkheid op de markt ontstaat omdat andere bedrijven dat niet doen. Zij zeggen: wij investeren behoorlijk in onze activiteiten, maar worden daar nu economisch door benadeeld. En dus willen ze een level playing fieldcreëren. Het idee is dat die wetgeving er straks zo uitziet dat die koplopers er helemaal geen last van hebben omdat zij zich er al lang aan houden, maar dat ze er ook voor zorgt dat de onderkant van de markt op zijn donder krijgt. Wat dat betreft hebben convenanten wel wat beperkingen. Want de bedrijven die daar deel van uitmaken, zijn meestal al bereid stappen te zetten.’

‘Een groep bedrijven die vooroploopt op het gebied van mensenrechten lobbyt momenteel voor de wet zorgplicht kinderarbeid die nu bij de Eerste Kamer in de pijplijn zit’

Maar hoe stimuleer je die bereidheid bij partijen die nog niet bij een convenant betrokken zijn of (onvoldoende) aan IMVO doen? Moeten bedrijven zelf die verantwoordelijkheid nemen of moeten de overheid en ngo’s die stimuleren? En welke stappen zouden daarin effectief kunnen zijn?

‘Uiteindelijk ligt de sleutel in handen van de CEO van een onderneming’

CNV’er Arend van Wijngaarden: ‘Wij proberen samen met onze partners in het buitenland zo goed mogelijk druk uit te oefenen en controle uit te voeren, maar uiteindelijk ligt de sleutel in handen van de CEO van een onderneming. Het is een simpel geval van: als de baas er niet naar vraagt… Want als IMVO wordt ondergebracht bij een zijtak van de HR-afdeling, dan blijft het daar hangen. ’

Petra Veeneman van MVO Nederland laat zich in soortgelijke bewoordingen uit. ‘MVO Nederland zal bedrijven blijven verleiden met duurzame businesskansen die bijdragen aan maatschappelijke uitdagingen, zowel in Nederland als over de grens.  Maar op een bepaald moment moet dat wel tot commitment en actie leiden.’


Rol voor de ambassades

MVO Nederland laat haar partners gezamenlijk nadenken over de toekomst van een sector. Een recent voorbeeld is de snelgroeiende avocadobranche in Colombia, waar steeds meer Nederlandse handelaren actief zijn. Veeneman: ‘In de afgelopen drie jaar is de export van de Colombiaanse avocado met 50 procent gestegen en deze groei zet zich in rap tempo voort. Aan die groei zitten veel risico’s op het gebied van bodemgebruik, waterverbruik en aantasting van de biodiversiteit. We hebben daarom Europese en Colombiaanse bedrijven en organisaties bij elkaar gebracht en zijn met hen aan het onderzoeken wat nú nodig is om een duurzame toekomstige groei van de sector te garanderen. Dat is de eerste stap naar samenwerking in de keten.’

Nederlandse ambassades zouden volgens De Steenhuijsen Piters en Van Dam een goede rol kunnen spelen bij het verder brengen van IMVO. ‘We weten allemaal dat Nederlandse bedrijven hun verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun bevoorradingsketen en hun dochterondernemingen. Daarbij kunnen bedrijven, ook kleinere bedrijven, vaker dan ze denken gebruikmaken van de kennis van ambassades. Het is belangrijk dat die hun beleid voortzetten om een goede IMVO-gids te zijn want bedrijven kunnen dit niet alleen oplossen’, zegt Van Dam.

De ambassades zijn in de ogen van De Steenhuijsen Pieters al aan het pushen op IMVO-gebied. Maar hij vindt dat er meer nodig is om te zorgen dat de convenanten effect sorteren. ‘Het meest actieve gedeelte zit al op de ambassades, ze weten daar waar lokaal de leverage points zitten (de plekken waar je het beste kunt ingrijpen om verandering op gang te brengen,red.). De ambassade in Kenia heeft bijvoorbeeld goed door wat er voor nodig is om meer te doen op IMVO-gebied. Gerichte financiële ondersteuning voor het maken van actieplannen – “we gaan werken aan de arbeidsomstandigheden en daar is dit budget voor” – zou daarvoor een oplossing kunnen zijn. Maar een instrument dat daarvoor kan zorgen, zie ik nu nog niet. En in het beleid van minister Kaag heeft dat momenteel ook geen prioriteit.’

 

Kader: de convenanten

De Nederlandse overheid heeft tot nu toe met zeven Nederlandse bedrijfssectoren en maatschappelijke organisaties een IMVO-convenant afgesloten. Hierin staan afspraken over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het buitenland. Over hoe bedrijven samen met maatschappelijke organisaties en de overheid misstanden op het gebied van mensenrechten, arbeidsrechten en milieu kunnen voorkomen en aanpakken als ze toch optreden. De afgesloten convenanten betreffen de textielsector, de banken, duurzaam bosbeheer, goud, plantaardige eiwitten, verzekeringen en voedingsmiddelen. Er wordt op dit moment gewerkt aan convenanten voor de pensioensector, land- en tuinbouw, sierteelt, en de metallurgische industrie.

Waar kan Nederland binnen de hulp en handelsagenda de komende jaren het beste op inzetten? Deze vraag staat de komende weken centraal op de website van Vice Versa en tijdens het congres ‘Hulp en Handel in Perspectief’ op dinsdagmiddag 16 oktober in Den Haag.

Hulp en Handel in Perspectief is een gezamenlijk initiatief van  ViceVersa, Solidaridad, Fair Green and Global Alliance (FGG), de Civic Engagement Alliance, FMO, IDH en het KIT.

Blog: Gezondheidszorg voor iedereen of alleen de happy few?

Door Remco van der Veen | 12 december 2018

Vandaag is het Universal Health Coverage Day. Ministers van Financiën zien gezondheidszorg helaas vaak slechts als een uitgavenpost en geven prioriteit aan productieve investeringen in landbouw en infrastructuur. Dat moet anders, schrijft Remco van der Veen, director International Offices bij Cordaid.

Lees artikel

‘De oudere generatie heeft kennis, de jongere generatie heeft de energie en de toekomst.’

Door Lys-Anne Sirks | 11 december 2018

In haar beleidsnota ‘Investeren in perspectief’ zet minister Kaag sterk in op jongeren, maar wat vinden die zelf eigenlijk van de nota en de rol die hen daarin wordt opgelegd? Volgens Francis Arinaitwe, een jonge ondernemer uit Kenia,  is het vooral cruciaal om ‘jongeren zeggenschap te geven over hun eigen toekomst’.  

Lees artikel

Bossen: onze krachtigste high-tech klimaatoplossing

Door Han de Groot | 03 december 2018

Als we over klimaat oplossingen praten, gaat het gesprek bijna altijd over de vermindering van fossiele brandstoffen. Maar volgens Han de Groot, CEO van de Rainforest Alliance, is dat maar een deel van de oplossing en zou het veel meer over bossen moeten gaan: de meest krachtige en efficiënte CO2 opnemende technologie die het wereld ooit heeft gezien.

Lees artikel