Door:
Joris Tielens

12 oktober 2018

De Nederlandse overheid moet Nederlandse bedrijven in Afrika aansporen om lokaal grondstoffen in te kopen, werk te bieden aan Afrikanen en te investeren in Afrikaanse bedrijven. Alleen dan kan het beleid van minister Kaag een succes worden, denkt prof. Chibuike Uche, hoogleraar bij het Afrika Studie Centrum.

 

‘Dit zijn prijzenswaardige beleidsdoelen’, zegt professor Chibuike Uche terwijl hij met zijn vinger tikt op de kaft van beleidsnota Investeren in perspectief van minister Kaag. ‘Om haar beleid van hulp en handel tot een succes te maken zou de Nederlandse overheid niet alleen investeringen van Nederlandse bedrijven in Afrika moeten aanmoedigen. Ze zou er ook meer op moeten aandringen dat Nederlandse lokaal grondstoffen inkopen en Afrikaanse bedrijven en boeren opnemen in de waardeketens die hun grondstoffen leveren.’

Directe Nederlanders

Uche geeft zijn visie over hulp en handel vanachter zijn bureau in het Afrika Studie Centrum in Leiden, waar hij sinds april 2017 de Stephen Ellis leerstoel voor Governance of Finance and Integrity bekleedt. De politiek econoom en accountant was eerder hoogleraar in Nigeria en doet onderzoek naar financiële integriteit en het opereren van multinationals in Afrika, waaronder Heineken en FrieslandCampina.

De doelstellingen van het hulp- en handelsbeleid in de nota van Kaag onderschrijft hij. ‘Je moet het de Nederlanders nageven: ze zijn erg direct. Ze zeggen het zoals het is. En ik denk dat ze gelijk hebben. Het verminderen van armoede en conflict is niet alleen goed voor Afrika, het is ook in het belang van Nederland. Het kan instabiliteit tegengaan en ook migratie indammen, wat als een voordeel voor Nederland geldt. Internationale handel is zeker in het voordeel van Nederland, de export vormt ruim een kwart van Nederlands nationale inkomen. En natuurlijk moeten ook de Nederlandse bedrijven profiteren van deze agenda van hulp en handel. Het kan goed zijn voor iedereen.’

Maar Uche heeft wel een belangrijke kanttekening. ‘Het is in het belang van Nederland, en in het belang van het welslagen van het beleid van hulp en handel, dat de Nederlandse overheid niet alleen handel en investeringen stimuleert, maar ook goed in de gaten houdt hoe Nederlandse bedrijven zich in het buitenland gedragen. Bedrijven kunnen de doelstellingen van het beleid namelijk ook dwarsbomen.’


Valse facturen

Uche verwijst naar onderzoek van een groep ngo’s, dat laat zien dat er meer geld Afrika uitgaat dan het continent binnenkomt. Via investeringen, handel, hulp en geld dat migranten overmaken komt er 160 miljard dollar per jaar Afrika in. Maar tegelijkertijd verlaat 200 miljard dollar per jaar het continent. Een groot deel daarvan zijn illegale geldstromen (68 miljard), denk aan corrupte Afrikaanse regeringsleiders die kapitaal wegsluizen. Maar het betreft ook internationaal werkende bedrijven die valse facturen opmaken, waardoor het lijkt alsof ze minder geld verdienen en daarmee belasting ontwijken. Ook legaal verdwijnt er via multinationals veel kapitaal uit Afrika (32 miljard): winst die terugvloeit naar het moederbedrijf buiten Afrika. Uche: ‘Hulp is peanuts vergeleken met deze bedragen.’

Nederlandse multinationals zouden volgens Uche een langetermijnperspectief moeten hanteren, en investeren in de lokale productie van hun grondstoffen. Als bedrijven alleen voor de snelle winst gaan, leidt dat tot wrok en riskeren ze nationalisatie, zegt hij.  Bovendien zijn ook multinationals gebaat bij een binnenlandse afzetmarkt, en dus bij een groeiende economie.


Heineken: winnend model

‘Bedrijven moeten de tijd nemen om lokale bedrijven en lokale mensen op te nemen in hun waardeketen, om zodoende de lokale economie te stimuleren.’ Een goed voorbeeld daarvan vindt hij Heineken in Nigeria. Het bedrijf gebruikt hoofdzakelijk lokale sorghum voor het bier dat het in Nigeria brouwt. En het investeerde in de veredeling van dat graan. ‘De nieuwe gewassen hebben een hogere opbrengst, waar niet alleen de boeren die aan Heineken leveren van profiteren, maar veel meer boeren. Het vergroot de algemene voedselzekerheid.’

Ook de Nigeriaanse overheid heeft een rol in bijvoorbeeld landbouwvoorlichting, beaamt Uche. Hij kent ook de kritiek van journalist Olivier van Beemen op Heineken in Afrika. Maar Uche is positief over het effect van Heineken op de economie. ‘Heineken heeft een winnend model. Door lokale business op te nemen in hun waardeketen, dragen ze bij aan de lokale economie.’

Een andere aanpak heeft FrieslandCampina in Nigeria, zegt Uche, dat volgens hem minder geïnteresseerd is in het opnemen van Afrikanen in zijn waardeketen. De Nederlandse multinationale zuivelcoöperatie is al sinds 1973 in Nigeria actief met een dochteronderneming, FrieslandCampina/WAMCO. Maar het bedrijf draagt volgens Uche weinig bij aan lokale ontwikkeling, omdat het overgrote deel van de melkproducten die het bedrijf verkoopt gemaakt worden van ingevoerde melkpoeder of ingevoerde gecondenseerde melk. Die melk wordt door boeren in Europa geproduceerd met een forse subsidie van de EU, waardoor de prijs laag is. Lokale melkveehouders kunnen daar niet tegen concurreren. ‘Het bedrijf voert gesubsidieerde melk in, wat ten koste gaat van de lokale melkproducten. Daar moeten we wel zorgvuldig naar kijken. En dat zouden de Nederlandse beleidsmakers ook moeten doen. Migratie is nu een grote zorg in Europa. Die migratie is simpelweg een kwestie van lage lokale productiviteit. Mensen kunnen niet meedoen in de lokale economie als gesubsidieerde melk Afrika blijft binnenstromen en de lokale industrie kapotmaakt.’

Melk is lastig product

Afrikaanse overheden kunnen de verantwoordelijkheid voor lokale ontwikkeling niet uitbesteden aan bedrijven. ‘De overheid van Nigeria heeft een sleutelrol in inclusieve ontwikkeling. Ze zou de landbouw moeten stimuleren, in plaats van enkel te rekenen op de export van olie.’ Melk is bovendien een lastig product. De productie van melk van goede kwaliteit vraagt om koeling in opslag en tijdens het transport. Vaak is er geen elektriciteit, of zijn boeren niet getraind om melk goed te houden. ‘FrieslandCampina heeft een legitiem punt als ze zeggen dat het lastig is om lokaal melk te produceren.’

Het bedrijf werkt daar wel aan, met projecten waarin het bijvoorbeeld melkverzamelcentra opzet en lokale melkveehouders ondersteunt. Uche verwelkomt die, maar vindt ook dat de Nederlandse overheid voorwaarden kan stellen aan de publiek-private projecten die het financiert, binnen de Faciliteit Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid en agribusiness ‘incubator’ 2SCALE, waarin FrieslandCampina werkt aan de lokale melkveehouderij.

Obstakel is volgens Uche ook de corruptie in Nigeria, ‘en die neemt toe in plaats van af’. Hulp van donoren voor de landbouw komt niet bij de boeren terecht, maar bij tussenpersonen die in opdracht van de politieke elite gratis hulp aan boeren verkopen tegen de marktwaarde. De winst gaat naar de corrupte politici. ‘Het is onmogelijk voor donoren om dit te doorzien. Dit is een verantwoordelijkheid van de Nigerianen zelf.’

 

Verstorende subsidie?

Gevraagd om een reactie op de kritiek van prof. Uche stelt FrieslandCampina dat het juist veel doet om de lokale melkveehouderij te stimuleren. En ontkent het bedrijf dat subsidies voor melkveehouders in Europa van invloed zijn op de melkprijs in Nigeria. Jan-Willem ter Avest, woordvoerder van FrieslandCampina: ‘De melkprijs wordt tegenwoordig voornamelijk bepaald door de wereldmarkt. Vroeger was het inderdaad de EU-exportsubsidie die in belangrijke mate de prijs bepaalde, maar die subsidies zijn de facto al in 2010 afgeschaft.’

Subsidies worden nu gegeven voor bijvoorbeeld natuurbeheer door de boer, en niet meer per liter melk. Economen verschillen van mening over de vraag of de subsidies daardoor minder marktverstorend zijn. Uche is van mening dat subsidie nog steeds de prijs drukt.

Volgens Sybren Attema, voormalig melkveehouder en bestuurder bij FrieslandCampina, en nu als Regional Manager Dairy Development medeverantwoordelijk voor de ontwikkelingsprogramma’s voor lokale melkveesectoren in Azië en Afrika, is het doel van FrieslandCampina in Nigeria is bij te dragen aan goede voeding voor de bevolking. ‘We hebben in Nigeria zeven melkverzamelcentra opgezet met koeltanks en transport. In de komende twee jaar komen daar twintig melkverzamelcentra bij. We regelen de hele keten van boer tot fabriek. Maar we geven de boeren ook trainingen in hygiëne, in voeding van dieren en dierziektes. We trainen ook de dierenartsen. En we bieden veel kleine boeren toegang tot financiering.’

Op die manier koopt het bedrijf melk in bij 3500 boeren. ‘Veel meer mensen nog profiteren van de betere prijs die de boeren krijgen. We hebben vrouwen werkgelegenheid geboden, door hen onze producten lokaal te laten verkopen. Kinderen die voorheen niet naar school gingen, doen dat nu wel.’

Ook Attema beaamt dat er veel uitdagingen zijn in de Nigeriaanse melkveesector. ‘Het grootste deel van de sector bestaat uit herders van het Fulani-volk. Zij hebben koeien die voor zowel vlees als melk gehouden worden, en houden hun kalveren bij de koeien.’ Gevolg is dat de productie heel laag is, maar één liter melk per koe per dag. Nederlandse melkkoeien produceren gemiddeld 28 kilo melk per koe per dag. Dat maakt de kosten van de lokale productie te hoog om te kunnen concurreren met de ingevoerde melkpoeder. Attema: ‘De melk moet niet te duur worden voor de bevolking. Melk is in Nigeria een essentieel onderdeel van de voeding. Als we zouden stoppen met het invoeren van melk, zou de voedselzekerheid van het land in gevaar komen.’

 

Investeren in lokale melkproductie

In projecten van FrieslandCampina is een hogere lokale productie gehaald, claimt Attema. ‘Met betere rassen en betere behandeling van dieren kan de productie opgeschroefd worden van één naar tien liter melk per koe per dag. Dan kan het wel uit. En dat is de enige wijze waarop er voldoende lokale melk geproduceerd kan worden tegen een goede kostprijs.’

FrieslandCampina wil vanwege de concurrentiegevoeligheid van de informatie niet zeggen welk deel van de melk die ze in Nigeria verkopen lokaal gekocht is, en welk deel ingevoerde melk is. Uit een rapport van PricewaterhouseCoopers blijkt dat het bedrijf in 2016 in Nigeria maar drie procent van haar melk lokaal inkocht.

Professor Uche denkt dat FrieslandCampina meer kan doen om lokaal meer melk in te kopen, en ook meer lokaal te investeren. De winst van het bedrijf in Nigeria verlaat voor het grootste deel Nigeria, en gaat terug naar moederbedrijf FrieslandCampina, stelt Uche, die dat opmaakt uit de jaarrekeningen van FrieslandCampina. Daar staat in dat het bedrijf een ‘actief dividendbeleid’ heeft, wat wil zeggen dat de winst in de vorm van dividend wordt uitbetaald aan de aandeelhouders en dus het land verlaat. Het jaarverslag over 2017 meldt dat het bedrijf dat doet vanwege de ‘hoge kredietrisico’s’ als gevolg van het ‘relatief instabiele politieke klimaat’ in Nigeria.

Woordvoerder Ter Avest van FrieslandCampina zegt in reactie dat lokale investeringen los staan van het uitbetaalde dividend. ‘Er wordt wel degelijk door FrieslandCampina geïnvesteerd in Nigeria. Onlangs hebben we aangekondigd dat we volgend jaar 23 miljoen euro gaan investeren in melkproductie in Nigeria.’ Ook in het verleden, aldus Ter Avest, zijn tientallen miljoenen euro’s geïnvesteerd in lokale productie.

Uche houdt vol dat het best mogelijk is dat het bedrijf lokaal investeert, maar dat niettemin de winst niet in het land blijft. Dat is geen verwijt aan het bedrijf, zegt hij. ‘Dit doe je als bedrijf in een omgeving met hoge risico’s, zoals het bedrijf zelf ook stelt in het jaarverslag. Deze situatie is niet te wijten aan het bedrijf, maar aan de Nigeriaanse overheid die daar wat aan moet doen.’

 

Foto: Bioversity International/J.van de Gevel

Waar kan Nederland binnen de hulp en handelsagenda de komende jaren het beste op inzetten? Deze vraag staat de komende weken centraal op de website van Vice Versa en tijdens het congres ‘Hulp en Handel in Perspectief’ op dinsdagmiddag 16 oktober in Den Haag.

Hulp en Handel in Perspectief is een gezamenlijk initiatief van  ViceVersa, Solidaridad, Fair Green and Global Alliance (FGG), de Civic Engagement Alliance, FMO, IDH en het KIT.

Waar kan Nederland binnen de hulp en handelsagenda de komende jaren het beste op inzetten? Deze vraag staat de komende weken centraal op de website van Vice Versa en tijdens het congres ‘Hulp en Handel in Perspectief’ op dinsdagmiddag 16 oktober in Den Haag.

Hulp en Handel in Perspectief is een gezamenlijk initiatief van  ViceVersa, Solidaridad, Fair Green and Global Alliance (FGG), de Civic Engagement Alliance, FMO, IDH en het KIT.

Bossen: onze krachtigste high-tech klimaatoplossing

Door Han de Groot | 03 december 2018

Als we over klimaat oplossingen praten, gaat het gesprek bijna altijd over de vermindering van fossiele brandstoffen. Maar volgens Han de Groot, CEO van de Rainforest Alliance, is dat maar een deel van de oplossing en zou het veel meer over bossen moeten gaan: de meest krachtige en efficiënte CO2 opnemende technologie die het wereld ooit heeft gezien.

Lees artikel

Nieuwe special Vice Versa: De wereld van het water

Door Marc Broere | 28 november 2018

De waterspecial van Vice Versa is uit. In zowel een Nederlandse als een Engelstalige editie. 68 pagina’s boordevol reportages en achtergrondartikelen over een van de meest urgente onderwerpen ter wereld.

Lees artikel

Crunchtime voor project aarde

Door Guido Deuzeman | 21 november 2018

Afgelopen jaar maakte Guido Deuzeman de overstap van de politiek naar het maatschappelijk middenveld. Voor Vice Versa zal hij met regelmaat een column schrijven over zijn inburgering in de sector en de cruciale vraagstukken waar we voor staan.

Lees artikel