Door:
Joris Tielens

15 februari 2018

Tags

Niet ontbossing is het grote probleem in Indonesië, maar gebrekkige landrechten, stellen een milieu-activist èn de directeur van IDH in Indonesië. Over de aanpak verschillen ze van mening, maar allebei zien ze een grote rol voor de overheid.

Terwijl Nederlanders beginnen over ontbossing, klimaatverandering en orang-oetans als het om palmolie gaat, ligt Indonesiërs iets anders op de tong. ‘Het belangrijkste probleem is dat mensen geen landrechten hebben’, zegt Yuyun Harmono, die bij de Indonesische milieuorganisatie Walhi campagne voert over klimaatverandering en mondiale zaken – evenals Milieudefensie is Walhi lid van Friends of the Earth International. ‘Er is veel ongelijkheid in landeigendom.’

Indonesië is wereldwijd de grootste producent van palmolie. Volgens het Indonesische statistiekbureau was in 2017 twaalf miljoen hectare Indonesisch land bedekt met oliepalmplantages, wat bijna driemaal Nederland is – in 2000 was het nog vier miljoen hectare. Maar een beperkt deel van dat land is eigendom van kleine boeren, vertelt Harmono, die zegt dat tien miljoen hectare in handen is van grootschalige plantages van internationale palmoliebedrijven.

Bedrijven krijgen concessies van de regionale overheid om land te gebruiken voor palmolieplantages. Veel van dat land wordt echter al jarenlang door de lokale bevolking gebruikt. ‘Lokale gemeenschappen zijn afhankelijk van het bos voor hun levensonderhoud’, zegt Harmono. ‘Ontbossing voor palmolieplantages veroorzaakt armoede. Mensen verliezen hun traditionele manier van leven.’

Economische schade

Ook de Indonesiër Fitrian Ardiansyah benadrukt het belang van landrechten. Ardiansyah is directeur van het kantoor van het Initiatief Duurzame Handel (IDH) in Indonesië en werkte eerder bij het Wereld Natuur Fonds, waar hij een van de grondleggers was van de Rondetafel over Duurzame Palmolie (RSPO), een internationale certificering. Ardiansyah benadrukt naast het probleem rondom landrechten ook het economische belang van palmolie: ‘Financieel profiteert het land van de hoge exportwaarde van palmolie. Ze brengt infrastructuur, wegen en sociale voorzieningen, zoals ze ook zorgt voor een beter inkomen voor miljoenen kleinschalige boeren. Voor velen is het de manier bij uitstek om uit de armoede te raken.’ Ardiansyah onderkent ook de grote kostenpost van ontbossing, drainage en kap van veenbos en van bosbranden, waarvoor de rekening niet direct bij iemand neergelegd kan worden. ‘Die kosten kunnen voorkomen worden door een duurzamer sector te bouwen.’

Volgens Harmono, van milieuorganisatie Walhi, zijn de economische kosten van de enorme bos- en veenbranden die in 2015 in Indonesië woedden geraamd op zestien miljard dollar – door de branden kon land niet meer gebruikt worden, gingen er geen vliegtuigen meer en konden mensen niet meer naar hun werk. Die kosten zijn volgens Harmono veel hoger dan de belastinginkomsten die de overheid krijgt van de palmoliebedrijven waaraan ze concessies gaf. Harmono: ‘Palmoliebedrijven kunnen goed verdienen want ze krijgen goedkoop land, omdat het eigendom van land niet goed geregistreerd is. De winst gaat naar bedrijven, niet naar de boeren.’

Landschapsbenadering

Ardiansyah vertelt dat IDH tot 2015 vooral projecten had waarin het samen met bedrijven de duurzaamheid van palmolie verbeterde bìnnen de palmolieketen, onder meer door het verbeteren van landbouwpraktijken, zodat boeren meer verdienen en er meer rekening wordt gehouden met het milieu. Maar ook door het versterken van boerenorganisaties en het samen met boeren opstellen van kaarten omtrent landeigendom. De bosbranden in 2015 waren een alarmbel. ‘Dat was het moment waarop we ons realiseerden dat steun aan het verduurzamen van de keten niet genoeg was. Bij de boeren en bedrijven buiten de ketens waarin we werkten, en buiten de palmoliesector, bleef het business as usual.’

Vanaf dat moment ging IDH werken vanuit een landschapsbenadering. Ardiansyah en collega’s brachten in Atjeh, West-Kalimantan, Jambi en Zuid-Sumatra bedrijven en boeren – niet alleen palmolieboeren, maar ook andere landgebruikers – en de regionale en nationale overheid, lokale gemeenschappen van bewoners en maatschappelijke organisaties samen om gezamenlijk te werken aan oplossingen. Bedrijven financieren de aanpak voor zestig procent en de agronomen van de plantages helpen ook boeren die niet aan het bedrijf leveren. ‘Het gaat om het vergroten van de productie en bescherming van de natuur in heel het gebied, en om deelname in productieketens van kleinschalige boeren. Een belangrijk thema daarin is landlegaliteit’, zegt Ardiansyah. ‘Veel kleinschalige boeren hebben geen landcertificaat.’

‘Het goede nieuws’, zegt Ardiansyah, ‘is dat er een groeiende interesse is bij bestuurders van de overheid en de private sector om problemen op een gecoördineerde manier aan te pakken en daarbij kleinschalige boeren te helpen. Daarvoor heeft vooral de overheid steun nodig bij de administratie en bij de aanpak van landrechten, evenals bij planning van de ruimtelijke ordening. We doen dat door samen met de overheden een route uit te zetten.’

Het moratorium van Widodo

De rol van de overheid is dubbel. Aan de ene kant geeft de regionale overheid concessies uit aan bedrijven en krijgt daarmee belastinginkomsten van die bedrijven. Anderzijds zet de nationale overheid flink in op de strijd tegen ontbossing, zegt Ardiansyah. President Joko Widodo kondigde een moratorium op de kap van bos af en wil alle veengronden waarop plantages zijn geplant weer omzetten naar natuurlijke veenbossen. Daarnaast is vorig jaar een wet ingegaan met een programma voor sociale bosbouw en landhervorming. Het programma heeft 12,7 miljoen hectare land gereserveerd voor inheemse bevolkingsgroepen en negen miljoen hectare voor kleinschalige boeren. Zij kunnen door het programma landrechten krijgen.

Het minder goede nieuws, zegt Ardiansyah, is dat de overheid niet genoeg capaciteit en mensen heeft om het moratorium te handhaven, noch om het programma voor sociale bosbouw uit te voeren. ‘De schaal van het probleem is immens en het vergt erg veel ambtenaren om in het veld landeigendom in kaart te brengen en te verifiëren.’ Dat beaamt Harmono van Walhi. Zijn organisatie registreert samen met lokale gemeenschappen hun aanspraak op land en stuurt de bevinding naar de overheid. Onder de nieuwe wet kan het erkend worden. Zo heeft Walhi twintigduizend lokale bewoners aan rechten op in totaal dertigduizend hectare grond geholpen. ‘Dat is weinig vergeleken met de hoeveelheid land die bedrijven genomen hebben. We willen dit versnellen.’

Standaarden

Een manier om het gebrek aan capaciteit bij de overheid op te vangen, zou een marktbenadering kunnen zijn waarbij palmoliebedrijven die aan bepaalde voorwaarden voldoen gecertificeerd worden. De laatste jaren is de Indonesische Standaard voor Duurzame Palmolie (ISPO) in opkomst, naast de Rondetafel (RSPO). Een vijfde van de palmolieproductie in Indonesië is RSPO-gecertificeerd. ISPO stelt minder zware eisen aan duurzaamheid dan RSPO.

Bedrijven die zich aan alle Indonesische wetten en regels houden, met name het moratorium op boskap en het herstellen van veengronden, kunnen een ISPO-label krijgen. De standaard is nog in ontwikkeling, maar het is de bedoeling dat het in de toekomst verplicht wordt voor alle palmolieproducenten. Nu al steunt de Indonesische overheid de ontwikkeling ervan, door van bedrijven die aan de overheid leveren ISPO te eisen.

Hoewel ISPO niet erg ambitieus is als het om duurzaamheid gaat, is Ardiansyah er toch over te spreken. ‘Sommige bedrijven gebruiken ISPO als eerste stap, om vervolgens over te gaan op RSPO.’ Maar certificering, zowel ISPO als RSPO, werkt alleen als onderdeel van een landschapsbenadering, zegt Ardiansyah. Alleen certificering van palmolie gaat het ontbossingsvraagstuk niet oplossen.

Van buitenaf opgelegd?

Er bestaat spanning tussen ISPO en RSPO. Veel Indonesiërs zien de internationale standaard RSPO – omarmd door internationale bedrijven en ngo’s – als een poging van het buitenland om de handel te belemmeren. Ardiansyah: ‘Ik snap wel dat RSPO gezien wordt als een buitenstaander. Maar dat is eigenlijk meer een politieke dan een inhoudelijke discussie. Net zoals de Verenigde Staten nu zeggen: ‘America first’, zo zijn er ook zulke geluiden in Indonesië. Maar we leven nu eenmaal in een geglobaliseerde wereld en kunnen beter uitgaan van de internationale handel zoals die is.’

Ardiansyah merkt dat ISPO en RSPO sinds twee jaar naar elkaar toe groeien. ‘De toenadering komt van beide kanten. Er worden documenten en methoden uitgewisseld en de inhoud van de standaarden gaat meer op elkaar lijken. Technisch is er geen probleem in het samenkomen van die twee, maar politiek misschien wel.’ Het besluit van het Europees Parlement om palmolie in biobrandstof te verbieden, helpt wat dat betreft niet, zegt Ardiansyah.

Daar denkt Harmono van Walhi anders over. Volgens hem is een mogelijke ban op het gebruik van palmolie in biobrandstof juist een goede eerste stap om de vraag naar palmolie in het Westen te beperken. ‘Zeventig tot tachtig procent van de palmolie gaat naar het buitenland, wijzelf consumeren maar een klein stukje van de taart.’

Certificering door RSPO of ISPO zal het probleem niet oplossen, denkt Harmono, want certificeren lost het probleem in ongelijkheid in toegang tot land niet op. ‘Bovendien is RSPO vrijwillig. Bedrijven zullen niet vrijwillig het land dat ze hebben afgepakt van gemeenschappen weer teruggeven.’ Harmono zegt ook dat de klachtencommissie van RSPO niet werkt. RSPO vraagt om bewijsmateriaal van landeigendom, maar dat hebben bewoners die een klacht indienen bij RSPO nu juist niet.

Regionale kantoren van Walhi dienen samen met bewoners toch klachten in bij RSPO, zegt Harmono. ‘Niet in de hoop dat er iets mee gebeurt, maar om te laten zien hoeveel onrecht er is. De procedures duren soms wel vijf jaar en mensen kunnen niet vijf jaar zonder levensonderhoud. Dat overleven ze simpelweg niet.’ Harmono concludeert: ‘Wat we nodig hebben is sterke regulering door de overheid, in het voordeel van de bevolking van Indonesië, niet van het grootbedrijf.’

De realiteit ter plekke

Dat is ook de conclusie van zijn collega Khalisah Khalid, de campagnedirecteur van Walhi. ‘Een marktaanpak zal niet werken’, vertelt ze. ‘De vraag naar palmolie moet afnemen, in plaats van een illusie te creëren over duurzame palmolie, zoals RSPO doet. RSPO is bedoeld om consumenten in het Westen het idee te geven dat ze duurzame palmolie kunnen kopen. Maar duurzame palmolie bestaat niet werkelijk, niet in de realiteit ter plekke. Hoe je het ook wendt of keert, palmolie telen op grote plantages vraagt om veel land – en dat land is er niet meer. Buitenlanders zien dat misschien niet, maar het bos is in gebruik bij de lokale inheemse bevolking; ze hebben het broodnodig voor hun levensonderhoud.’

Een beperking van de vraag naar palmolie, of zelfs een ban, vindt Ardiansyah geen goed idee. Hij vindt het belangrijk om onderscheid te maken tussen de grote palmolieplantages van het grootbedrijf en de kleinschalige boeren die veertig procent van de palmolie produceren. ‘Het draait om miljoenen dorpelingen. Als er een ban op palmolie komt, vervallen al die mensen in armoede. Palmolie is productief en winstgevend voor heel veel boeren.’

Ardiansyah trekt een vergelijking met iemand die ziek is. ‘Je geneest de ziekte toch ook niet door de patiënt te doden? We moeten af van de bosbranden en de ontbossing, we moeten kleinschalige boeren helpen om meer inkomsten te krijgen, door ze aan betere landbouwmachines te helpen, waardoor ze geen land meer hoeven af te branden. En door uitvoering van de nieuwe wet op landhervorming te steunen, alsook door financiering te zoeken voor gemeenschappen die in het bos leven. Maar een ban op palmolie zal niet leiden tot meer duurzaamheid. Integendeel.’

Wat wel zou helpen, zegt Ardiansyah, is als degenen in het Westen die zeggen voor duurzaamheid te zijn er ook voor willen betalen, door duurzame palmolie met bijvoorbeeld een RSPO-certificaat te kopen. Als onderdeel van een bredere landschapsbenadering, waarin ook de overheid een rol heeft, kan certificering van palmolie volgens Ardiansyah een rol spelen in het oplossen van het ontbossingsvraagstuk. In Indonesië zelf ziet hij ook een markt voor duurzame palmolie ontstaan. En dat kan zoden aan de dijk zetten, want het land is behalve de grootste producent van palmolie ook ’s werelds grootste consument ervan, met zestien procent. ‘De millennials zullen over een paar jaar de belangrijkste consumenten zijn, en voor hen is duurzaamheid belangrijk. Ik ben voorzichtig optimistisch.’

Joris Tielens

Joris Tielens is wetenschapsjournalist en IMPACT Reporter over internationale samenwerking, mondiale duurzaamheid, voedselzekerheid, landbouw, klimaatverandering, waterbeheer of biodiversiteit.

‘Empathie gaat armoede niet oplossen’

Door Lys-Anne Sirks | 18 oktober 2018

Tien jaar lang werkte de Oegandees Sean Patrick binnen de ontwikkelingssector. Maar omdat hij daar naar eigen zeggen geen duurzame verandering kon bewerkstelligen, begon hij als ‘pastarebel’ zijn eigen bedrijf, de Green Banana Food Company. Hoe kijkt hij aan tegen de beleidsnota ‘Investeren in perspectief’ van minister Kaag?

Deel 1 van een serie waarin zuidelijke experts hun visie op de beleidsnota geven.

Lees artikel

Internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen staat nog in de kinderschoenen

Door Lennaert Rooijakkers | 15 oktober 2018

Iedereen heeft de mond vol over internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO). En inmiddels zijn er al vijf convenanten die dat moeten bevorderen van kracht en zitten er nog vier in de pijplijn. Maar is het daarmee ook al integraal onderdeel van het zaken doen in het buitenland geworden?Vice Versa duikt aan begin van week twee van het dossier hulp en handel in de wondere wereld van IMVO.

Lees artikel

‘Beleid hulp en handel alleen succesvol als Nederlandse bedrijven meer lokaal inkopen’

Door Joris Tielens | 12 oktober 2018

De Nederlandse overheid moet Nederlandse bedrijven in Afrika aansporen om lokaal grondstoffen in te kopen, werk te bieden aan Afrikanen en te investeren in Afrikaanse bedrijven. Alleen dan kan het beleid van minister Kaag een succes worden, denkt prof. Chibuike Uche, hoogleraar bij het Afrika Studie Centrum.

Lees artikel