Door:
Vice Versa

9 januari 2017

Tags

Het nieuwe Europese Defensiefonds zal ons geen vrede brengen, betoogt May- May Meijer, voorzitter van SOS Peace, in deze opiniebijdrage. Wat we nodig hebben zijn radicaal andere manieren van denken over vrede. Ze zet vier nieuwe denkrichtingen uiteen.

De Europese Commissie presenteerde onlangs aan de Europese Raad de oprichting van een Europees Defensiefonds. Het voorstel is om er jaarlijks 5,5 miljard euro in te investeren. Dat geld moet worden gebruikt voor het aankopen van en onderzoek naar nieuwe militaire technologieën en materieel. Alhoewel het oprichten van het Europees Defensiefonds goed te verklaren valt en wellicht zelfs ook voor de hand ligt, zal dit alleen ons geen vrede brengen. Hiermee investeren we in nieuwe kennis volgens oude manieren van denken.

Er wordt wereldwijd zeer veel geïnvesteerd in defensie. In 2015 werd volgens het Stockholm International Peace Research Institute (SIPRI) 1,7 triljoen dollar uitgegeven aan militaire uitgaven, dat wil zeggen ongeveer 1.676 miljard dollar. Om een indicatie te geven van hoe hoog dat bedrag is: 10% van deze wereldwijde militaire uitgaven is genoeg om ervoor te zorgen dat er geen mensen meer in armoede leven of honger hebben (Sustainable Development van de VN Doel 1 en 2, Perlo-Freeman, 2016).

Wat we hard nodig hebben voor vrede, zijn nieuwe manieren van denken. Dit vanzelfsprekend met het behoud van bestaande initiatieven om oorlog in te wisselen voor vrede (zoals de oprichting van de Europese Unie en de Verenigde Naties). In dit artikel zeg ik een aantal mogelijke denkrichtingen uiteen.

 

1- Investeren in diplomatie en ‘unarmed civilian peackeeping’

Terrence Hopmann (1995)geeft aan dat diplomaten geschoold worden met behulp van het ‘realisme’ paradigma. Hierdoor maken zij meer gebruik van een ‘onderhandelingstechniek’ dan van een ‘probleemoplossende techniek’ als het gaat om vredesvraagstukken. Bij de onderhandelingstechniek kan gedacht worden aan het doen van concessies en het initiëren van nieuwe voorstellen. Bij een probleemoplossende techniek wordt gezocht naar wederzijdse oplossingen die tegemoet komen aan de behoeften en identiteit van alle partijen. In empirisch onderzoek wordt volgens Terrence Hopmann vaak gekeken naar variabelen die zich richten op de onderhandelingstechniek, aangezien de probleemoplossende techniek moeilijker op te sporen is. Hij concludeert echter dat veel onderzoek aangeeft dat oplossingen die bereikt zijn door middel van de probleemoplossende techniek, duurzamer zijn.

Er zou dan ook geïnvesteerd moeten worden in kennisontwikkeling als het gaat om de probleemoplossende techniek. Neem bijvoorbeeld de oplopende spanningen tussen de NAVO en de Russische Federatie. Uit angst voor de ander blijven we verder bewapenen en grootschaliger oefeningen uitvoeren. Hoe kan dit prisoners dilemma doorbroken worden? Wat is de rol die nieuwe technologie daarbij kan spelen? Te denken valt aan het ontwikkelen van een gezamenlijk initiatief met de Russische Federatie. Of bijvoorbeeld het ontwikkelen van groene technologie of het opzetten van een internationale persbureau. Dit natuurlijk in samenspraak met vertegenwoordigers van de Russische Federatie zelf.

Verder kan ook gedacht worden aan het investeren in en ontwikkelen van ongewapende vredeshandhaving, ‘unarmed civilian peacekeeping’. Civilian peacekeepers zijn ongewapend en beschermen burgers in gewapende conflicten of mensenrechtenactivisten. Enige tijd terug sprak het VN High-level Independent Panel on Peace Operations haar expliciete steun uit voor ongewapende strategieën om burgers te beschermen in vredesmissies.  Een organisatie die zich bezighoudt met ‘unarmed civilian protection’ is Nonviolent Peaceforce[1].

Het volgende voorbeeld uit de Field Notes van Nonviolent Peaceforce (2015) illustreert haar werk. Zij werkte samen met de Verenigde Naties in Zuid Sudan. Er waren kinderen van een etnische groep verdwenen uit een beschermd gebied van de Verenigde Naties in Zuid Sudan. De mensen uit die groep beschuldigden de andere groep ervan de kinderen ontvoerd te hebben. Hierdoor liepen de spanningen tussen de twee etnische groepen hoog op. Nonviolent Peaceforce vond de kinderen terug, ze waren verdwaald en niet ontvoerd. Vervolgens deed Nonviolent Peaceforce succesvol aan shuttle diplomatie om de spanningen tussen de twee groepen te verminderen. Hierdoor werd een gewelddadig conflict voorkomen.

 

2- Responsibility to assist

Erica Chenoweth en Maria J. Stephan (2013, 2014) onderzochten 323 ongewapende en gewapende opstanden tegen incapabele regimes in de 20e eeuw. Denk aan Mahatma Gandhi’s Indiase onafhankelijkheidsbeweging tegen het Britse kolonialisme, dat begon begin 1919, tot de protesten die erin slaagden de Thaise premier Thaksin Shinawatra uit de macht te zetten in 2006.

Zij vonden dat ongewapend verzet tegen autoritaire regimes een twee keer grotere kans had om te slagen dan gewelddadig verzet. Ongewapend verzet vergrootte de kansen om te komen tot meer vrede en democratie. Dit gold ook voor erg autoritaire en repressieve landen, waar men juist zou verwachten dat niet-gewelddadig verzet zou falen.

Chenoweth en Stephan (2014) beargumenteren op basis van deze bevindingen dat er ‘a responsibility to assist’ moet komen. Het gaat hierbij om de verantwoordelijkheid om vredesactivisten en burgergroeperingen bij te staan voordat confrontaties tussen burgers en autoritaire regimes uitmonden in gewelddadige conflicten. Hier zouden fondsen voor moeten komen.

De vraag is echter wel, welke fondsen zich hierop kunnen en durven richten. De nationale overheden van de landen waar het conflict plaatsvindt zijn niet gauw geneigd vredesactivisten financieel te steunen. Zij zijn vaak benauwd dat de vreedzame groeperingen ook een machtswisseling nastreven. Daarnaast zijn autoritaire regimes geneigd om andere landen te beschuldigen van buitenlandse inmenging of neokolonialisme indien zij vreedzaam verzet financieren. Dit is inderdaad een gevoelig punt waar mijn inziens rekening mee gehouden moet worden.

Het is van belang dat er een verzoek om ‘a responsbility to assist’ van mensen uit het land komt waar geweld dreigt. Een ander punt dat het moeilijk maakt om vreedzame activisten te financieren is dat zij, net als andere mensen, vanwege geweld het land uit vluchten. Zij ontvangen dan vaak geen financiële steun meer vanuit het land waaruit zij gevlucht zijn. Dit geldt ook voor politieke oppositiepartijen die vrede door middel van dialoog willen. Zoals bijvoorbeeld CNARED, de organisatie waarbij 22 Burundese politieke oppositiepartijen en NGO’s zijn aangesloten. Zij willen een einde aan de moorden in Burundi, vrede door middel van dialoog met de regering van Burundi, opbouw van het land, het behoud van de rechtstaat en respect voor de mensenrechten in Burundi. Op dit moment zijn de leden die deel uitmaken van CNARED uit Burundi gevlucht en krijgen zij geen financiële steun.

De Verenigde Naties hebben weliswaar fondsen voor vredesopbouw beschikbaar, maar ook daarvoor is goedkeuring door de nationale regering een vereiste. Alhoewel dat vanuit de optiek van de VN niet verwonderlijk is, gezien het feit dat de VN een internationale organisatie is die haar inkomsten krijgt via de lidstaten. De vraag is echter wie dan de fondsen beschikbaar stelt voor vredesactivisten en vreedzame politieke oppositie die wegens geweld hun land ontvlucht zijn.

 

3- Een business model voor vrede

Muhammad Yunus ontdekte dat kleine leningen, microkredieten, een aanmerkelijk verschil konden maken in de mogelijkheid voor een arm persoon om te overleven. Traditionele banken wilden voorheen aan arme mensen geen kleine leningen verstrekken, omdat ze gezien werden als een risico. De vraag rijst nu of we ook een dergelijk model kunnen bedenken om vrede te stimuleren. Hoe kan voorkomen worden dat mensen de wapens pakken en zich aansluiten bij een rebellengroep?

Gedacht kan worden aan bedrijven die mensen vouchers uitdelen die ze recht geven op werk. Bedrijven die dit doen krijgen dan een hogere score op bijvoorbeeld een Peace Exchange Index (of het kan wellicht meegenomen worden als onderdeel in de Global Reporting Initiative Index). Politici zouden vervolgens voor een beleid kunnen pleiten waarin een hogere score op de Peace Exchange Index leidt tot een voordeliger belastingtarief.

 

4- Vredesjournalistiek

In rapporten van de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie over de Syrische Arabische republiek van de VN wordt veelvuldig gewezen op de verschrikkingen van de oorlog in Syrië voor de gehele bevolking. In haar rapport van 2016 wijst de commissie op de misdaden tegen de menselijkheid begaan door pro-regeringsstrijdkrachten en ISIS en op de oorlogsmisdaden begaan door de strijdende partijen. Ook noemt ze de belegeringen van steden door regeringsstrijdkrachten, anti-regeringsstrijdkrachten en terroristische groeperingen.

De landelijke media volgen vaak echter de nationale politieke lijnen als het gaat om verslaggeving van buitenlandpolitiek. Zo concludeerde een verslaggever van een Engelse landelijk dagblad in Moskou onlangs dat het er bijna op leek dat de Russische media van een andere oorlog verslag deden als het gaat om de oorlog in Syrië’. De westerse media lijken zich voornamelijk te richten op de burgerdoden, beelden van oppositiestrijders en hun gedragingen wordt nauwelijks getoond. De Russische media gaven voornamelijk aan dat de pro-regeringsstrijdkrachten zich hard inzetten om de ‘terroristen’ te verslaan en humanitaire hulp geven aan burgers. Zij lieten vooral foto’s van opstijgende vliegtuigen zien.

Een journalist van een Belgisch persbureau gaf aan dat media inderdaad het nieuws vaak framen volgens het ‘good guy – bad guy’ principe. Dit kan een diplomatieke oplossing moeilijker maken.

Vandaar het belang van het belichten van een onderwerp van meerdere kanten en het aandacht schenken aan vredesinitiatieven. Dit zijn elementen van vredesjournalistiek zoals dat omschreven werd door Johan Galtung (1986, 1998). Johan Galtung maakt onderscheid tussen vredesjournalistiek en oorlogsjournalistiek[2]. Oorlogsjournalistiek is georiënteerd op: oorlog en geweld, propaganda, elites en overwinning. Er wordt onder andere gebruik gemaakt van het eerder omschreven ‘good guy – bad guy’ frame en het ‘wij versus zij’ frame. Ook wordt er gedacht in termen van een zero-sum game: er is uitsluitend sprake van een overwinning óf van een nederlaag. Vredesjournalistiek wordt gekenmerkt door vier andere parameters: vrede/conflict, de waarheid, mensen en oplossingen. Bij vrede gaat het erom dat vredesinitiatieven ook in de media beschreven worden.

‘Conflict’ is niet hetzelfde als geweld. Conflicten kunnen ontstaan als hulpmiddelen schaars zijn, als partijen een vertekend beeld hebben van elkaar, etc. Er hoeft geen geweld aan te pas te komen en kan juist een motivator zijn voor verandering. Met een oriëntatie op ‘de waarheid’ wordt bedoeld dat het van belang is om het conflict van meerdere kanten zo feitelijk en correct mogelijk te belichten. Zaken die niet kloppen of bedekt worden, worden rechtgezet. De oriëntatie op ‘mensen’ houdt in dat er aandacht is voor: het lijden van alle mensen, op alle partijen die geweld plegen, en op alle mensen die initiatieven ontnemen op het gebied van vrede. Daarnaast is er bij vredesjournalistiek een focus op ‘oplossingen’. Dat wil zeggen dat er een focus is op geweldloosheid en creativiteit als het gaat om het bedenken van oplossingen. Vredesinitiatieven worden belicht en er wordt aandacht besteed aan verzoening tussen de partijen. Zo wordt in een VN rapport over Syrië (februari 2016, p. 21) beschreven dat Syrische vrouwen vaak een belangrijke rol spelen in de bescherming van de familie en de gemeenschap. Hun rol blijft in de mainstream media echter onderbelicht. Ook werd in VN rapporten herhaaldelijk opgeroepen tot het beëindigen van het geweld en de transitie naar vrede door een Syrisch geleid en inclusief proces.

Tot slot nodig ik graag iedereen – de Europese Commissie, andere politici, NGO’s, academici, het bedrijfsleven, burgers – uit om hierover mee te denken. Het ontwikkelen van nieuwe manieren om over vrede na te denken en het brengen ervan is niet iets dat één persoon kan doen, daarvoor is iedereen nodig.

 

Literatuurlijst

Chenoweth, E. en Stephan, M. J. (2013). “Why civil resistance works: The strategic logic of nonviolent conflict”. New York: Colombia University Press. 

Chenoweth, E. en Stephan, M. J. (juli/augustus 2014). “Drop Your Weapons – When and Why Civil Resistance Works”. Foreign Affairs. https://www.foreignaffairs.com/articles/libya/2014-06-16/drop-your-weapons

Galtung, J. (1998) Peace Journalism: What, why, who, how, when, where, paper presented in the workshop “ What are Journalists For?”, TRANSCEND, Taplow Court, Sept. 3-6

Lee, Seow Ting. and Maslog, Crispin. “War or Peace Journalism? Asian Newspaper Coverage of Conflicts.” Paper presented at the annual meeting of the International Communication Association, New Orleans Sheraton, New Orleans, LA, May 27, 2004 . 2008-10-10. http://mysite.dlsu.edu.ph/faculty/marianog/inserch/lee.html

 

McGoldrick, A. en Lynch, J. (2000). Peace Journalism. What is it? How to do it?

 

Nonviolent Peaceforce (2015). Field Notes van Nonviolent Peaceforce Third Quarter September 2015, p. 1.

 

Perlo-Freeman, S. (april, 2016). SIPRI. The opportunity cost of world military spending. https://www.sipri.org/commentary/blog/2016/opportunity-cost-world-military-spending

 

Terrence Hopmann, P. (November, 1995). Two Paradigms of Negotiation: Bargaining and Problemsolving. The Annals of the American Academy of Political and Social Science. Vol. 542 Flexibility in International Negotiation and Mediation, 24-47.

 

[1] www.nonviolentpeaceforce.org

[2] Zie ook de tabel van Johan Galtung p. 29 in de manual van McGoldrick en Lynch, 2000.

May-May Meijer

May-May Meijer wil graag bijdragen aan een betere en eerlijkere wereld voor iedereen. Daarom richtte ze de vredesorganisatie Peace SOS op. Daar werkt ze tot op heden, samen met andere gedreven mensen en partners, aan haar missie. Ze is gepromoveerd in de communicatiewetenschap aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Ook was May-May werkzaam als universitair docent bij de werkgroep Filantropie. Ze publiceerde wetenschappelijke artikelen en rapporten in verschillende disciplines waaronder: communicatie, geefgedrag van particulieren aan internationale hulp, het thema ontwikkelingssamenwerking in verkiezingsprogramma’s, maatschappelijk verantwoord ondernemen, hoger onderwijs, public relations, reclame en psychiatrie.

Vechten voor het recht op liefde

Door Siri Lijfering | 05 december 2019

De antihomowet die in Nigeria is ingevoerd, maakt de lhbt-gemeenschap nòg kwetsbaarder. Zo is opkomen voor lesbische vrouwen zowel broodnodig als gevaarlijk; een kat-en-muisspel met hoge inzet. Hoe gaat het strategisch partnerschap Count Me In! ermee om?

Lees artikel

Venezolaanse vluchtelingen op Curaçao vallen tussen wal en schip

Door Bob van Dillen | 05 december 2019

Nu er een humanitaire crisis is in onze eigen regio, geeft de Nederlandse overheid niet thuis. Dat schrijft Bob van Dillen van Cordaid, die de situatie nauwgezet volgt, in deze opiniebijdrage. Ondertussen wordt de situatie steeds nijpender en krijgen vluchtelingen op Curaçao geen menswaardige behandeling.

Lees artikel

Strijd op twee fronten

Door Siri Lijfering | 04 december 2019

De Nigerdelta is aantrekkelijk voor sekswerkers, maar ook gevaarlijk: geweld en vervolging liggen op de loer. Het strategisch partnerschap Count Me In! probeert hun rechten te beschermen; beeldvorming en beïnvloeding van beleid lijken de sleutel te zijn. Twee sekswerkers doen hun verhaal.

Lees artikel