Door:
Vice Versa

4 januari 2017

Tags

foto en copyright Leonard Fäustle

Nederlandse ontwikkelingsorganisaties weten een heleboel van het werken in het Zuiden. Maar hoe kan het toch dat ze zich zo ongemakkelijk voelen in het contact zoeken met ‘de ander’ in Nederland?

 Arme boeren, vrouwen, jongeren en mensen met een handicap in ontwikkelingslanden; we springen voor ze in de bres en hebben met ze te doen. Het verbeteren van de positie van de minderbedeelden, dat is kortgezegd het gezamenlijke doel van iedereen in de ontwikkelingssamenwerking.

We beogen verbetering op zowel economisch alsook politiek en sociaal vlak. We stimuleren boeren zich te organiseren – zodat ze op gelijke voet staan met de sluwe handelaar –, we betrekken de gemeenschap bij de zorg voor invaliden om het stigma dat op hen rust te doorbreken en we laten man en vrouw reflecteren op seksestructuren die hun gedrag beïnvloeden. We brengen nogal wat heersende kaders en ideeën aan het wankelen. En dat allemaal voor de minderbedeelde, die bovenal onze sympathie en medeleven opwekt. Zij is het slachtoffer van een politiek die corrupt is, van manvolk dat dominant is of van een elite die er weinig baat bij heeft om in het belang van de samenleving te handelen.

We legden ons toe op de bestrijding van erosie in Zuid-Mali en de ondersteuning van onderwijs op Papoea-Nieuw-Guinea. Met koffers vol gereedschap voor co-creatie, multi-stakeholder platforms en een waardeketenbenadering brachten we de dalit en de beleidsmedewerker, de soldaat en zijn verkrachte oorlogsslachtoffer samen om één tafel. We doorbraken stereotypes en ontkleedden mensen van ‘etiketten’. We zeiden tegen onze kinderen: ‘Honger? Dat hebben de kindjes in Biafra, jij hebt trek.’ Armoede en ongelijkheid in Nederland was er niet, of vergeleken met de landen waarin we werkten een schijntje.

Tot ongeveer het jaar 2000. Toen begonnen onze eigen kaders te wankelen. India, Brazilië, Indonesië, Nigeria en China; gigantische landen kwamen tot economische bloei, de landen van Latijns-Amerika swingden naar links en zouden zich in gaan zetten voor de armen. De mondiale verhoudingen verschoven. Rijkdom en armoede waren niet langer verdeeld tussen het Westen en de rest, maar werden mondiale fenomenen. Pas nu viel ons op dat ook mensen in ons eigen land in grote getalen gebrek ervaren. Gebreken die overeenkomst vertonen met die waartegen wij elders strijden; de Nederlandse armen zien weinig kans op de arbeidsmarkt, jongeren trekken weg van het vergrijzende platteland, migranten wonen vaker dan gemiddeld in achterstandswijken, cijfers tonen dat de positie van vrouwen in de Lage Landen nog altijd veel slechter is dan die van de man. Financiële voordeeltjes die men elkaar in andere landen stilletjes toespeelt, zijn hier gelegaliseerd in de vorm van bonussen en gouden handdrukken.

Trump aan de macht. De collega-whatsappgroep explodeert van de zorgkreten. ‘Wat moeten we doen?’ schreeuwen de Facebook-vrienden. Hoe beïnvloeden we de PVV-stemmer? Kent iemand een PVV’er? Opmerkelijk vervallen we in onze eigen context zelf ook snel in *labelling en stereotypering. ‘Zijn wij de elite? Hebben wij ons elitair gedragen?’ Als hogeropgeleiden, linksgeoriënteerd en goed verdienend, scharen wij onszelf in de categorie ‘elite’.

Schrijnend wordt het ons duidelijk: we weten hoe we geïntroduceerd moeten worden in plattelandsgemeenschappen in Kenia en in sloppenwijken in Rio de Janeiro. We begeleiden gangsters in El Salvador met re-integratie in de samenleving en moeien ons met conflicten tussen etnische groeperingen in Darfoer. Maar in ons eigen land hebben we geen idee hoe we in contact komen met ‘die ander’. Anders dan waar de armen elders bij ons een gevoel van medeleven oproepen en met wie we in gesprek gaan om hun behoeftes te begrijpen, voelen we ons hier in Nederland bovenal ongemakkelijk in het contact zoeken.

Gabriel van den Brink, hoogleraar Wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, verklaart de onrust die we ervaren vanuit een toenemende diversiteit. Tot de jaren zestig heerste er in Nederland een herkenbaar, gedeeld kader van normen en waarden, ook op het vlak van seksualiteit en relatievorming, waartegen jongere generaties zich verzetten. Er ontstond ruimte voor handelingen die van de norm afweken. Pluriformiteit nam toe, evenals de demografische diversiteit – door de komst van arbeidsmigranten vanaf de jaren tachtig. Nederland werd steeds kleurrijker en gevarieerder qua opvattingen. Van den Brink stelt dat deze toegenomen diversiteit een gevoel van onbehagen heeft veroorzaakt, omdat niet langer duidelijk is wat ons verbindt. Mensen zoeken naar hun waarden en willen weten met welke groepen ze zich verbonden voelen.

Hij observeert drie verschillende reacties:

  • Men zet de waarde dat alle mensen gelijkwaardig zijn centraal en vindt dat we respect moeten opbrengen voor de groep die zich benadeeld voelt.
  • Men zet de groep centraal en strijdt tegen Zwarte Piet omdat die zwart is, of neemt alleen mannen aan omdat men nu eenmaal liever met mannen spart. Deze groep gaat de grote diversiteit tegen door een soort van stam te creëren die op sociale banden berust.
  • Men verbindt zich met een groep en ziet daarin ook gedeelde waarden. Dat gebeurt veel onder autochtone Nederlanders: de groep ziet zich als de meerderheid en vindt daarom dat iedereen haar gedachten moet delen.

Persoonlijk kan ik me vinden in de eerste reactie. De drie reacties stimuleren enkel polarisatie, stelt Van den Brink. Een samenleving gedijt bij de gezamenlijke waarden en onrust neemt toe wanneer er onduidelijkheid ontstaat over welke waarden nog gedeeld zijn. Volgens hem is het essentieel dat we op zoek gaan naar gedeelde waarden en niet naar wat ons onderscheidt. Ongeacht achtergrond of klasse; allemaal vinden we vrede beter dan geweld, liefde beter dan haat, allemaal waarderen we het als mensen hun beloften nakomen en betrokkenheid tonen. Dat verdient de aandacht.

De Ghanees-Amerikaanse filosoof Kwame Appiah (1954) voert een pleidooi voor kosmopolitisme: ‘De keus is niet òf we in een wereldgemeenschap willen leven; het lidmaatschap daarvan is door internationale handelsstromen, internet, het gedeelde milieu en wereldwijde politieke problemen – zoals terrorisme – al een feit’, stelt hij. We zouden ons dan ook allemaal als wereldburger moeten gedragen, als kosmopoliet. Heel kort houdt wereldburgerschap in dat we de diversiteit juist als rijkdom zien, dat we nieuwsgierig en geïnteresseerd zijn. ‘Een Nederlander die de wereld rondreist, kan nog steeds overal zijn land meenemen’, zegt hij. Het gaat Appiah erom dat je inzicht wil hebben in de ander en probeert te begrijpen hoe een ander denkt en voelt.

Appiah erkent dat redelijkheid en goede argumentatie weinig van invloed zijn op het creëren van een vreedzame samenleving. De enige manier om verschillen te leren tolereren is door aan elkaar te wennen. Dat kan het beste door samen te leven, door samen te werken en samen dingen te maken of te ondernemen. ‘Hardnekkig streven naar een morele consensus’, zegt hij, ‘werkt in dat gewenningsproces averechts.’ Sowieso gelooft hij niet in universele waarden. Morele principes zullen door verschillende groepen anders geïnterpreteerd worden en ideeën zullen soms botsen. Maar volgens hem is het ook niet altijd nodig om de onenigheden te slechten om te kunnen samenleven. Zo leefden in Nederland in de zeventiende eeuw al verschillende religies en klassen samen. Kosmopolitisme gaat over het erkennen van culturele verschillen. Grensoverschrijdende solidariteit kan volgens hem samengaan met respect voor diversiteit.

Appiah wordt door andere filosofen wel eens bekritiseerd ‘naïef’ te zijn, niet iedereen is geïnteresseerd in de ander en hoeveel mensen zitten er nu werkelijk te wachten op samen dingen doen en maken. Maar in wezen komt zijn advies neer op wat wij in de praktijk brengen elders ter wereld: ‘Ga in discussie aan de onderhandelingstafel, ondervind welke van de gedachten die je over de ander hebt een stereotype zijn.’ Tijd om onze koffer vol ‘gereedschap’ eens in Nederland uit te pakken en onszelf aan een experiment te onderwerpen.

 

Vechten voor het recht op liefde

Door Siri Lijfering | 05 december 2019

De antihomowet die in Nigeria is ingevoerd, maakt de lhbt-gemeenschap nòg kwetsbaarder. Zo is opkomen voor lesbische vrouwen zowel broodnodig als gevaarlijk; een kat-en-muisspel met hoge inzet. Hoe gaat het strategisch partnerschap Count Me In! ermee om?

Lees artikel

Venezolaanse vluchtelingen op Curaçao vallen tussen wal en schip

Door Bob van Dillen | 05 december 2019

Nu er een humanitaire crisis is in onze eigen regio, geeft de Nederlandse overheid niet thuis. Dat schrijft Bob van Dillen van Cordaid, die de situatie nauwgezet volgt, in deze opiniebijdrage. Ondertussen wordt de situatie steeds nijpender en krijgen vluchtelingen op Curaçao geen menswaardige behandeling.

Lees artikel

Strijd op twee fronten

Door Siri Lijfering | 04 december 2019

De Nigerdelta is aantrekkelijk voor sekswerkers, maar ook gevaarlijk: geweld en vervolging liggen op de loer. Het strategisch partnerschap Count Me In! probeert hun rechten te beschermen; beeldvorming en beïnvloeding van beleid lijken de sleutel te zijn. Twee sekswerkers doen hun verhaal.

Lees artikel