Door:
Ayaan Abukar

12 december 2016

Tags

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Afgelopen vrijdag publiceerde Oxfam Novib een rapport waarin het stelde dat het Nederlandse bedrijfsleven steeds meer profiteert van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. PvdA Kamerlid Roelof van Laar ontplofte bijna toen hij dit las en eiste een factcheck. Vice Versa vond hoogleraar Paul Hoebink bereid om deze uit te voeren. Conclusie: Oxfam Novib is slordig met de feiten en Roelof van Laar te optimistisch.

Het is eigenlijk logisch, als je flink bezuinigt op ontwikkelingssamenwerking en de programma’s voor het Nederlandse bedrijfsleven (financieel) in stand houdt, dan zal het relatieve aandeel van de uitgaven die je doet ter versterking van export en investeringen van Nederlandse bedrijven automatisch toenemen; absoluut dus misschien niet, maar relatief wel. Oxfam Novib stelt in haar rapport van 9 december dat er 2 miljard is bezuinigd op de Nederlandse ontwikkelingshulp en dat er steeds meer geld gaat naar de BV Nederland. PvdA Kamerlid Roelof van Laar ontkent dit. Op de eerste plaats (factchek 1) kunnen we blijkbaar steggelen over of er nu wel of niet fors bezuinigd is op ontwikkelingssamenwerking en op de tweede plaats (factcheck 2) kunnen we proberen te berekenen hoeveel hulp er naar het Nederlandse bedrijfsleven gaat, maar bij voorbaat, dat laatste is niet eenvoudig.

Factcheck 1

In het rapport ‘Zaken eerst: BV Nederland in ontwikkelingssamenwerking’ stelt Oxfam Novib dat waar de Nederlandse uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking “sinds 2010 gestaag dalen, neemt binnen de ODA middelen het deel van het bedrijfsleven toe”: “En terwijl het totale budget van ontwikkelingshulp onder Rutte II met meer dan 2 miljard euro is gekort, is het budget voor het bedrijfsleveninstrumentarium gestaag verhoogd”. Het rapport geeft bovendien aan dat zonder onveranderd beleid het komende jaar de Nederlandse hulp zakt naar 0,56 procent van het Bruto Nationaal Inkomen in 2017 en in 2018 naar 0,46 procent.

PvdA-Kamerlid en woordvoerder Ontwikkelingssamenwerking Roelof van Laar protesteert daar heftig tegen op zijn openbare Facebook pagina: “Tot nu toe is er deze kabinetsperiode alleen maar meer geld uitgegeven aan ontwikkelingssamenwerking, ondanks de afspraak uit het regeerakkoord om 1 miljard minder uit te geven dan 0,7% van het nationaal inkomen”.

Van Laar zit hier een beetje mooi weer te spelen, want hij ‘vergeet’ dat in 2015, toen Nederland inderdaad weer boven de 0,7 procent uitkwam, maar liefst 23 procent van de Nederlandse ‘ontwikkelingshulp’ werd uitgegeven aan de eerstejaars opvang van asielzoekers (want onder de regels van de OESO mag je die kosten in het eerste jaar meerekenen bij je ontwikkelingshulp). Bovendien is er niet alleen maar meer uitgegeven aan ontwikkelingshulp, maar was er een forse bezuiniging in 2013 en 2014.

Laten we er maar een echte autoriteit bij halen, namelijk de Rekenkamer. In zijn brief van 7 oktober stelt deze dat in 2015 de ODA-norm weliswaar is gehaald, maar dat dat vooral kwam door die opvangkosten voor asielzoekers (eerst geschat op € 297 miljoen, daarna opgelopen tot € 836 miljoen en uiteindelijk uitmondend in € 1.186 miljoen). Voor 2016 en 2017 ziet het er veel somberder uit, want de minister is dan wel gecompenseerd voor die stijgende kosten, in 2015 en ook in 2016, maar dat gaat ten koste van de groei van het hulpbudget van 2016 tot en met 2020, omdat in die jaren de groei van het BNI niet wordt doorgerekend in de omvang van de Nederlandse hulp.

Dat alles is mooi te zien in de grafiek van de Rekenkamer. Onder Rutte I is Nederland al teruggegaan in twee stappen van 0,8 naar 0,7 procent en daar kwamen de bezuinigingen in Rutte II van € 750 miljoen in de eerste drie jaar bij. In de grafiek zien we de teruggang van 2011 tot en met 2014 die meer dan een miljard was en daar zien we weer een stijging van hulp (zonder asielzoekerskosten) in 2015, die bezuiniging gedeeltelijk ongedaan maakt, onder andere door een stijging van de noodhulp en opvang van asielzoekers in de regio vorig jaar. Het sommetje wordt iets gecompliceerder omdat we die 4 miljard aan hulp ook moeten afwegen tegen het gestegen BNI van Nederland over 2014 en 2015. Dan komt de daadwerkelijk hulp uit op 0,58 procent. Al met al leidt dat tot een bezuiniging van ongeveer € 1 miljard in 2015 en 2016 en veel meer nog in de komende jaren, waardoor deze, bij onveranderd beleid, gaat oplopen naar € 2 miljard.

Conclusie Factcheck 1: er is door het kabinet Rutte inderdaad fors bezuinigd op de Nederlandse ontwikkelingshulp, maar dat haalt de € 2 miljard nu nog niet. Bij onveranderd beleid wel in 2020. Het woord is hier dus aan de kiezer om te zorgen dat de bezuinigingen op de Nederlandse ontwikkelingshulp ongedaan worden gemaakt.

Factcheck 2

Ooit beweerde minister Udink dat 100 procent van de Nederlandse bilaterale hulp (direct van Nederland naar een ontwikkelingsland) in Nederland werd besteed. Dat was overdreven, maar vanaf midden jaren zestig, toen de Nederlandse bilaterale hulp op gang kwam was die hulp gebonden, dat wil zeggen dat die besteed moest worden aan Nederlandse diensten en goederen. Het kabinet Van Agt-Wiegel maakte daar in 1978 een einde aan door de Nederlandse hulp partieel te ontbinden, wat wilde zeggen dat die hulp niet alleen in Nederland maar ook in ontwikkelingslanden besteed kon worden, dus ook aan kosten in het hulpontvangende land zelf. Min of meer ter compensatie kreeg het bedrijfsleven daarvoor een potje ‘cadeau’ van Ontwikkelingsrelevantie Exportkredieten. Na een aantal zeer kritische evaluaties wist minister Koenders, toen nog voor Ontwikkelingssamenwerking, dat te veranderen (hij zag het als een van zijn grootste overwinningen) in een programma voor Ontwikkelingsrelevantie Infrastructuurontwikkeling (ORIO), dat vorig jaar weer een nieuwe naam kreeg, DRIVE (Development Related Infrastructure Investment Vehicle).

In de jaren zeventig en tachtig hielden de donorlanden ook precies in de gaten hoeveel hulp van internationale organisaties in hun land besteed werd. Zij benoemden zelfs mensen in hun delegaties die dat goed moesten bijhouden en die contacten bij die internationale organisaties voor het nationale bedrijfsleven moesten zorgen. Organisaties als de Wereldbank publiceerden jaaroverzichten om te illustreren in welke Westerse landen er orders waren geplaatst. Nederland scoorde daar over het algemeen ‘goed’, dat wil zeggen dat het verhoudingsgewijs veel meer orders binnenhaalde dan het percentage van zijn aandelen in de Bank of percentuele bijdrage aan de EU. Dit soort ‘World Bank/EU watching’ is in de laatste twee decennia geheel verdwenen.

Vanaf de jaren zestig kunnen Nederlandse bedrijven ook steun krijgen voor hun investeringen in ontwikkelingslanden, eerst via de Nederlandse Overzeese Financieringsmaatschappij en een potje voor drempelprojecten, samengevoegd in 1970 in de Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO), die haar programma door de jaren heen steeds verder heeft uitgebreid. Daarnaast was er vanaf 1998 de mogelijkheid om investeringssubsidies te krijgen via het Programma voor Samenwerking met Opkomende Markten (PSOM), dat in 2009 werd omgezet in het programma voor Private Sector Investeringen (PSI). Die programma’s kwamen in 2012 in het nieuws, toen Wakker Dier in een rapport aangaf dat Nederland via dat programma megastallen exporteerde, wat leidde tot veel publiciteit onder andere in het Tros-programma Radar.

Op dit moment is er een allegaartje aan subsidies en subsidieregelingen voor het bedrijfsleven, zowel het Nederlandse bedrijfsleven als dat in ontwikkelingslanden. De Rekenkamer gaf in een speciaal rapport dit jaar aan dat alleen al de Rijksdienst voor Ondernemend Neerland (RVO) zestien programma’s op het terrein van ontwikkelings­samenwerking in beheer had, waarvan de helft van de middelen alleen al voor PSI was. Daarnaast zijn er exportsubsidies die door Atradius worden afgehandeld, investeringssubsidies door FMO en PwC/Triple Jump (dat ook met Oxfam Novib samenwerkt), is er directe financiering van bedrijven, enzovoorts.

In het rapport van Oxfam Novib wordt een zevental van deze programma’s bij elkaar geteld met hun uitgaven vanaf 2009. Daarnaast worden alle uitgaven voor duurzame handel en investeringen samengevoegd om tot een percentage te komen over de totale besteding aan het Nederlandse bedrijfsleven. Volgens dat sommetje ging in 2010 bijna 6 procent van de Nederlandse hulp naar het Nederlandse bedrijfsleven liep dat op tot 7,4 procent in 2014 om te dalen naar 6,2 procent (vanwege de hoge uitgaven voor asielzoekers neemt het relatief af) en zal het de komende jaren stijgen naar 11,3 procent in 2018 (als de bezuinigingen dan doorgaan).

Roelof van Laar stelt daartegenover: “Bedrijven krijgen nauwelijks geld. Wel leningen die ze met rente terugbetalen. Het geld voor private sectorontwikkeling gaat vooral naar organisaties die bedrijven helpen maatschappelijk verantwoord te ondernemen, die boeren trainen of handel bevorderen.” Een eerste correctie misschien: er zijn leningen maar ook regelrechte subsidies en niet alleen naar derde organisaties, maar ook naar bedrijven en hun programma’s zelf.

Er zijn een paar grote problemen met de berekeningen in het rapport van Oxfam Novib. Op de allereerste plaats komen lang niet al deze programma’s ten goede aan het Nederlandse bedrijfsleven. Het Centrum voor Bevordering van Import uit Ontwikkelingslanden (budget zo’n € 14 mln. per jaar), opgericht in 1971 en tegenwoordig ook onder beheer van RVO, heeft tot taak om importen van ontwikkelingslanden te bevorderen, onder andere door voorlichting te geven aan bedrijven uit die landen. Het was het grootste programma onder de noemer ‘marktontwikkeling’, naast bijvoorbeeld de ondersteuning van Solidaridad of het Initiatief Duurzame Handel (IDH). Het is net geëvalueerd door de IOB en uit die evaluatie alleen al kun je niet concluderen dat Nederlandse bedrijven daar nu van profiteren.

Het driekoppige monster Dutch Good Growth Fund dat deze regering heeft gecreëerd moet investeringen van het Nederlandse MKB bevorderen alsmede de export van deze bedrijven, maar heeft als derde poot ook het bevorderen van investeringen door het MKB in ontwikkelingslanden (47 procent van de leningen van het fonds). Dat wordt in het Oxfam Novib rapport ook geheel toegerekend aan de ‘BV Nederland’. De resultaten van dit door drie instanties beheerde fonds vallen behoorlijk tegen en blijven hangen tussen de € 80 en 90 miljoen per jaar, voor een revolverend fonds dat oorspronkelijk zou worden opgetuigd met maar liefst € 750 miljoen, later bijgesteld naar € 700 miljoen. Het lijkt dat minister Ploumen hier eindigt als haar verre voorganger Jan de Koning die in september 1980 zijn zware teleurstelling uitte over het gebrek aan initiatieven van het Nederlandse bedrijfsleven.

Zelfs het grootste programma, PSI, is niet rechtlijnig naar Nederlandse bedrijven toe te redeneren. Nogal wat van de subsidies gaan naar bedrijven in ontwikkelingslanden zelf of naar andere buitenlandse bedrijven. Dit kan omdat lang niet alle leningen gebonden zijn, maar juist ontbonden of partieel ontbonden. Van de uitgaven van PSI bijvoorbeeld in maar liefst 67 landen gaat ongeveer de helft naar Nederlandse bedrijven en bijna een derde naar bedrijven buiten Nederland; 47 procent van de bestedingen naar ‘hulplanden’ en ‘overgangslanden’, zo gaf de Rekenkamer aan

In zijn rapport van dit jaar komt de Rekenkamer tot een bedrag van € 261 miljoen voor het bedrijfslevenkanaal in 2015, 6 procent van de totale hulp voor het overgrote deel (34 procent) besteed via de RVO. De Rekenkamer zegt niet, zoals Oxfam Novib suggereert in haar rapport, dat dit allemaal aan het Nederlandse bedrijfsleven ten goede komt, maar komt, zoals hierboven aangegeven, voor sommige programma’s met wat gedetailleerder cijfers.

Er is echter meer en dat maakt het plaatje nog wat complexer. Oxfam Novib heeft niet onderzocht, niet kunnen onderzoeken, welk deel van de bilaterale hulp aan opdrachten en leveranties van Nederlandse bedrijven wordt besteed. In het bilaterale programma wordt ook binnen de prioritaire thema’s steeds meer gestreefd naar ‘partnerschappen’. Die partnerschappen bestaan uit kennisinstellingen, NGO’s, maar ook uit bedrijven, zoals Heineken en Friese Vlag. Het zal bijzonder onderzoek en speciale berekeningen vragen om boven tafel te krijgen in welke mate het Nederlands bedrijfsleven hiervan profiteert en evaluaties om te zien hoe dat weer in verhouding staat tot de doelstellingen die Nederland beoogt. Het is niet voor niets dat juist het bedrijf dat minister Ploumen zo graag prees, Heineken, hier ter discussie staat (zie de publicaties van Olivier van Beemen) (hier)8 (en hier)9 (en hier)10.

Conclusie Factcheck 2

Als Oxfam Novib stelt dat de BV Nederland steeds meer profiteert van de Nederlandse ontwikkelingshulp, dan heeft ze het toch vooral over de komende jaren. De afgelopen jaren zijn de budgetten daarvoor niet daadwerkelijk verhoogd en is het aandeel dat naar het Nederlandse bedrijfsleven gaat zeker niet toegenomen. Dat heeft gedeeltelijk te maken met de stijging van het budget door de opvang van asielzoekers, waardoor het aandeel van het Nederlandse bedrijfsleven relatief gelijk blijft of zelfs daalt. Oxfam Novib is slordig in haar rapport over de toerekening van budgetten aan het Nederlands bedrijfsleven, maar Roelof van Laar weer te optimistisch, als hij denkt dat de middelen niet naar het Nederlandse bedrijfsleven gaan. Blijft staan dat een goede en diepgaande evaluatie en een herordening van het bedrijfsleven instrumentarium hard noodzakelijk is.

  

Paul Hoebink

Paul Hoebink is docent bij de Master in Sustainable Development Management aan de Rhein-Waal Hochschule in Kleve en voorheen hoogleraar aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Volg hem op twitter : @hoebink_paul

Opinie: ‘Brief minister Kaag over maatschappelijk middenveld: analytisch zwak en weinig ambitieus’

Door Fons van der Velden | 09 juli 2019

Het is een groot goed dat de Nederlandse overheid zoveel fondsen ter beschikking stelt voor de versterking van maatschappelijke organisaties en maatschappelijk middenveld, schrijft Fons van der Velden in deze opiniebijdrage naar aanleiding van de kamerbrief van minister Kaag. Maar hij vindt de brief analytisch zwak en van weinig ambitie getuigen. Wat had beter gekund?

Lees artikel

Tip 3 aan Kaag: ‘Lever in op je privilege en geef zuidelijke organisaties meer inspraak bij het bepalen van prioriteiten’

Door Lizan Nijkrake | 08 juli 2019

Minister Kaag werkt hard aan een nieuw subsidiekader voor het maatschappelijk middenveld. Ze wil meer eigenaarschap geven aan zuidelijke ngo’s om hen meer legitimiteit te geven, en ziet daarbij een andere rol voor Nederlandse organisaties. Vice Versa vroeg vier zuidelijke organisaties hoe zij dit zien. Wat is hun gouden tip voor onze minister? Met vandaag Carla López Cabrera, directeur van Fondo Centroamericano de Mujeres (FCAM) in Nicaragua, een feministisch fonds dat lokale vrouwenrechtenbewegingen in Centraal Amerika steunt.

Lees artikel

Shifting fundamental power issues in funding relationships

Door Evelijne Bruning Ruerd Ruben en Lau Schulpen | 02 juli 2019

This article claims that the current aid architecture favours clientilism, dependency and short-term projects. The authors Evelijne Bruning (The Hunger Project) Ruerd Ruben (Wageningen University & Research) and Lau Schulpen (Radboud University Nijmegen) are suggesting four possible ways to overcome this in order to shift power closer to the ground.

Lees artikel