Door:
Ayaan Abukar

8 november 2016

img_2078Deze week wordt de begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking behandeld in de Tweede Kamer en zal er gedebatteerd worden hoe het ontwikkelingssamenwerkingsbudget voor 2017 wordt ingevuld. Nederland zette deze kabinetsperiode in op de transitie van hulp naar handel. MP Watch deelnemer Nienke Boone vraagt zich af wie nu eigenlijk de winnaars en verliezers zijn van dit beleid. Worden de allerarmsten hierdoor bereikt, en vertelt minister Ploumen wel het eerlijke verhaal?

Van hulp naar handel

In de nota ‘Wat de wereld verdient’ beschrijft minister Ploumen in 2012 haar nieuwe beleid voor hulp, handel en investeringen. Haar drie belangrijkste ambities: het uitbannen van extreme armoede in één generatie, duurzame en inclusieve groei overal ter wereld en succes voor Nederlandse bedrijven in het buitenland. Ploumen benadrukt keer op keer dat Nederland solidair blijft met de allerarmsten en dat we blijven strijden voor een eerlijke wereld. Maar hoe is de verhouding hulp en handel? Hulp wordt verleend uit solidariteit, terwijl handel en investeringen uiteindelijk draaien om eigenbelang. Ploumen: ‘Landen moeten groeien om hun eigen armoedeproblemen aan te kunnen pakken. Maar groei betekent nog niet dat de hele bevolking profiteert. Tegelijkertijd zijn opkomende markten een kans voor ons bedrijfsleven, vooral in sectoren waarin Nederland aan de internationale top staat’. Kort samengevat: Niet iedereen profiteert van handel, maar er is iets te halen voor het Nederlandse bedrijfsleven. Terwijl de budgetten voor ODA (Official Development Assistance) afnamen, werd er wel extra geld vrij gemaakt voor het revolverende Dutch Good Growth Fund om handel te stimuleren.

Het succesverhaal

Dat handel effectief is om werkgelegenheid te creëren en de lokale economie te stimuleren wordt onder andere aangetoond in Ethiopië, het land dat we tijdens onze masterclass met Woord en Daad bezocht hebben. Daar zijn ruim 130 Nederlandse ondernemingen actief die samen goed zijn voor duizenden banen. De meerwaarde van deze banen zit voor een deel in de capaciteitsversterking van de werknemers. Zo investeerde de textieldrukkerij BeConnected een kleine 50.000 euro in de training van personeel en er werden zelfs medewerkers naar Zwitserland gevlogen voor specialistische cursussen. Kennis, kunde en investeringen uit Nederland kunnen een belangrijke rol spelen in het creëren van een economische middenklasse. Maar op de vraag of de onderkant van de Ethiopische samenleving ook profiteert van deze ontwikkeling was het antwoord van veel Nederlandse ondernemers die we spraken duidelijk; het zijn niet de allerarmsten die profiteren van onze aanwezigheid.

Het vergeten verhaal

Het beleid van minister Ploumen richt zich sterk op internationale handelsketens, met de impliciete aanname dat ook de allerarmsten daarvan profiteren. Maar de meeste armen staan volkomen los van de internationale handel. Meer dan driekwart van de rurale bevolking wereldwijd produceert voedsel om zelf van te leven, of hooguit om die op de lokale markt te verkopen. Soms verslechtert de situatie van de allerarmsten zelfs door investeringen in handel. Bijvoorbeeld als buitenlandse ondernemers, vaak in samenwerking met lokale, al dan niet corrupte, overheden, ervoor zorgen dat land wordt onteigend, het grondwaterpeil daalt of leefomgevingen worden vervuild.

Hier komt nog bij dat de investeringen in handel niet worden gedaan in de landen waar de humanitaire nood het grootst is. Nederlandse bedrijven investeren liever in landen als Ghana, Tanzania, India, Sri Lanka en Bangladesh. Dit zijn relatief rijke ontwikkelingslanden met een grote afzetmarkt. Ook worden investeringen vaak in urbane, relatief rijke gebieden gedaan. De ongelijkheid binnen landen wordt op die manier verder versterkt.

Economische bedrijvigheid kan alleen goed op gang komen als er ook een goede sociale en economische infrastructuur is: bijvoorbeeld goed opgeleid personeel, een goede gezondheidszorg, eerlijke landrechten en toegang tot financiële diensten. Juist op programma’s die werken aan deze ‘randvoorwaarden’ voor ontwikkeling is de voorbije jaren fors bezuinigd.

In 2013 diende Kamerlid Kees van der Staaij (SGP) een motie in. Hij vroeg aan minister Ploumen of zij extra aandacht wil besteden aan de resultaten voor de allerarmsten bij de rapportages over het ontwikkelingsbeleid. Dat gebeurt bijvoorbeeld tijdens de jaarlijkse evaluatie, in de vorm van het IOB-jaarbericht. In het voorwoord van deze evaluatie staat dat de ‘allerarmsten veelal nog beperkt bereikt worden.’ Een belangrijke reden is dat het vaak heel moeilijk is om erachter te komen wie de allerarmsten zijn en waar ze zich bevinden. Dit maakt het des te opmerkelijker dat de minister nog altijd volhoudt dat ook de allerarmsten profiteren van het huidige beleid. Recent stelde ze: ‘Handel en investeringen in ontwikkelingslanden zorgen voor banen en inkomen en dus een weg uit de armoede. Maar dan moet wel iedereen daarvan profiteren: de allerarmsten, vrouwen en jongeren. De afspraken die we hier hebben gemaakt, zijn bedoeld om juist deze groepen te laten meedelen in economische groei.’ Hoewel minister Ploumen aangeeft dat het niet gemakkelijk is om de allerarmsten te bereiken, blijft ze vasthouden aan haar beleid, blijft ze investeren in handel en blijft ze benoemen dat de allerarmsten voor haar centraal staan.

Het eerlijke verhaal

Handel én ontwikkelingssamenwerking hebben de potentie om ontwikkelingslanden een stap verder te brengen. Zij kunnen elkaar aanvullen en versterken. Minister Ploumen zou er goed aan doen dit te onderkennen en te benoemen naar buiten toe. Geef eerlijk toe dat handel goed is voor de economie van ontwikkelingslanden (en voor Nederlandse bedrijven), maar doe niet alsof de allerarmsten er veel aan hebben. Zij blijven gebaat bij hulp, bij doelgerichte ontwikkelingssamenwerking die de armste mensen in afgelegen gebieden wél bereikt, en bovendien werkt aan de randvoorwaarden voor groei waarvan iedereen kan profiteren.

De deelnemers van MP Watch, een masterclass van Woord en Daad over politiek en ontwikkelingssamenwerking, reisden in augustus naar Ethiopië om te zien hoe het Nederlandse ontwikkelingsbeleid in de praktijk uitpakt. In november en december zullen zij regelmatig bloggen over thema’s gerelateerd aan beleidscoherentie in ontwikkelingssamenwerking.

Nienke Boone

Nienke Boone is masterstudent International Development Studies aan Wageningen Universiteit.

Opinie: ‘Brief minister Kaag over maatschappelijk middenveld: analytisch zwak en weinig ambitieus’

Door Fons van der Velden | 09 juli 2019

Het is een groot goed dat de Nederlandse overheid zoveel fondsen ter beschikking stelt voor de versterking van maatschappelijke organisaties en maatschappelijk middenveld, schrijft Fons van der Velden in deze opiniebijdrage naar aanleiding van de kamerbrief van minister Kaag. Maar hij vindt de brief analytisch zwak en van weinig ambitie getuigen. Wat had beter gekund?

Lees artikel

Tip 3 aan Kaag: ‘Lever in op je privilege en geef zuidelijke organisaties meer inspraak bij het bepalen van prioriteiten’

Door Lizan Nijkrake | 08 juli 2019

Minister Kaag werkt hard aan een nieuw subsidiekader voor het maatschappelijk middenveld. Ze wil meer eigenaarschap geven aan zuidelijke ngo’s om hen meer legitimiteit te geven, en ziet daarbij een andere rol voor Nederlandse organisaties. Vice Versa vroeg vier zuidelijke organisaties hoe zij dit zien. Wat is hun gouden tip voor onze minister? Met vandaag Carla López Cabrera, directeur van Fondo Centroamericano de Mujeres (FCAM) in Nicaragua, een feministisch fonds dat lokale vrouwenrechtenbewegingen in Centraal Amerika steunt.

Lees artikel

Shifting fundamental power issues in funding relationships

Door Evelijne Bruning Ruerd Ruben en Lau Schulpen | 02 juli 2019

This article claims that the current aid architecture favours clientilism, dependency and short-term projects. The authors Evelijne Bruning (The Hunger Project) Ruerd Ruben (Wageningen University & Research) and Lau Schulpen (Radboud University Nijmegen) are suggesting four possible ways to overcome this in order to shift power closer to the ground.

Lees artikel