‘Nederland heeft zijn geloofwaardigheid in één klap verkwanseld’

picture by Eric Montfort

picture by Eric Montfort

 

 

 

 

 

 

 

 

Dat in het IOB-rapport The Gaps Left Behind een aantal harde noten wordt gekraakt, is inmiddels duidelijk. Vice Versa vroeg twee deskundigen om hun mening over de bevindingen. Onderzoeker Lau Schulpen (verbonden aan de Radboud Universiteit) en Manuela Monteiro, oud-directeur van Hivos, namen daarbij geen blad voor de mond. En ook minister Ploumen moet zich de conclusies aantrekken en had wel wat kunnen doen op het gebied  van nazorg.

Dit is het tweede stuk dat Vice Versa publiceert in aanloop naar het debat ‘Stoppen, en dan?’ dat woensdag 2 november i.s.m. het IOB wordt georganiseerd in Humanity House in Den Haag. Het debat bijwonen? Klik dan hier.

 

Lau Schulpen hoeft niet lang na te denken als hij wordt gevraagd een eerste reactie op het rapport te geven. ‘In dit rapport wordt het ministerie klip en klaar, in heldere bewoordingen, de oren gewassen’, zegt hij. ‘Als ik het rapport in één zin zou moeten samenvatten, dan zou ik dat zo doen: het terugtrekken uit de partnerlanden heeft de Nederlandse overheid slecht onderbouwd, slecht uitgevoerd met alle nadelige gevolgen van dien. Het lijkt me overigens behoorlijk wat om dat te kunnen zeggen als kritische evaluatiedienst.’

Over de inhoud van het rapport is Schulpen allerminst verbaasd. Sterker nog, hij vermoedde al dat de evaluatie kritisch zou zijn. ‘Ik ben zeer zeker niet verrast. Het terugtrekken uit de landen is heel snel gebeurd. Te snel. Het besluit om terug te trekken is daarna de leidraad geweest, daarom wordt in het rapport op elk punt over de exit-strategie tegen het ministerie gezegd dat het niet goed is gegaan. We, en daarmee bedoel ik Nederland én de andere Europese donoren, weten uit het verleden dat terugtrekken lang niet altijd gebeurd in overleg met onze bondgenoten, terwijl dat wél afgesproken is. De einzelgäng van Nederland wordt in het rapport keurig gefileerd. En je kunt je ook afvragen wat de internationale afspraken nog waard zijn als niemand ze naleeft.’

‘De laatste zin van het rapport is wat mij betreft heel treffend: “If European donors want to take the reduction of fragmentation and donor proliferation seriously in the future, they should start discussing a division of labour instead of ending support to the same countries and sectors in an uncoordinated way.” Dat zegt het allemaal. De Europese landen kunnen twee dingen doen op het gebied van afspraken over landenconcentratie: óf je veegt ze van tafel óf je neemt ze serieus en doet wat de IOB zegt. Als je dat niet doet, dan is het slecht bestuur.’

Het rapport moet volgens Schulpen in die zin een les zijn voor het ministerie én de andere Europese donoren. ‘Maar er zitten nog veel meer andere lessen in. Wil je goed uitfaseren dan is een meer flexibele opstelling vereist, dat deel ik met de IOB. Ons eigen belang heeft ons nu heel inflexibel gemaakt. Nederland is niet alleen kieskeurig geweest in toepassing van criteria die zijn opgesteld, maar men heeft ook niet gekeken hoe effectief de Nederlandse hulp het was in bepaalde landen. Daar zijn we aan voorbijgegaan. Nogmaals, Nederland was niet zozeer bezig met de effectiviteit, maar wilde koste wat kost bezuinigingen doorvoeren.’

‘Laten we ervan uitgaan dat we nogmaals zo’n exercitie moeten doorvoeren. Hoe moet je dat exit-proces dan managen? Ik denk dan aan het inbouwen van flexibiliteit, maar je moet de ontvangende partij ook laten meedenken. Kijk goed of hetgeen dat je in zo’n land doet ook goed doet, en zo ja, zet je programma dan voort. De effectiviteit van bestaande programma’s en dus van hetgeen je als donor in een land doet is belangrijker dan het met oogkleppen op nastreven van speerpunten. Naar die effectiviteit nu helemaal niet of te weinig gekeken. Nederland heeft in die zin op oneigenlijke gronden keuzes gemaakt.’

Kapitaalvernietiging

Ook Manuela Monteiro laat zich in niet mis te verstane woorden uit over het rapport. Het onderzoek laat volgens de oud-directeur van Hivos en lid van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) zien hoe Nederland in één klap veranderde van een internationaal uiterst serieuze en gewaardeerde speler in een wispelturige en onverschillige partner. ‘Het rapport geeft talloze aanwijzingen van kapitaalvernietiging en terugval in eerder geboekte resultaten. Ik kan niet anders concluderen dan dat het proces juist niet effectief is geweest. Het zou elke minister sieren om tegenvallende conclusies van evaluaties te omarmen om het vervolgens beter te doen. Maar dat zien we helaas te weinig in de Nederlandse politiek.’

Monteiro meent dat ‘met een pennenstreek en zonder al te veel denkwerk achttien partnerlanden plotsklaps overboord zijn gegooid.’

‘Het ging zogenaamd om een effectiviteitsslag, dus minder versnippering en meer focus, maar dat overtuigt niemand. Als het daar om te doen was, dan was het proces anders verlopen. In dat geval had Nederland de twee hoofdregels van effectiviteit, te weten betrouwbaarheid en voorspelbaarheid van de hulp, zoals die zijn opgenomen in de Paris Declaration for Aid Effectiveness, niet aan haar laars gelapt. Nederland heeft met deze bezuiniging zijn geloofwaardigheid in een klap verkwanseld.’

Daarnaast stelt Monteiro dat de gevolgen voor de ngo’s en cso’s die rechtstreekse financiering kregen van de Nederlandse overheid volstrekt onverantwoord zijn. ‘Zeker in situaties waar dit een politieke betekenis had, zoals in Guatemala. Men kon weten dat andere donoren door de bank genomen niet aan core funding doen en dat daarmee de zo noodzakelijke steun voor institutionele ontwikkeling zou wegvallen. Ook kon men niet verwachten dat de Nederlandse maatschappelijke organisaties dit gat zouden opvullen: zij werden immers ook fors getroffen door bezuinigingen op het medefinancieringsstelsel en moesten in de eigen programma’s snijden. Kortom, ellende en kapitaalvernietiging door onbezonnen optreden.’

‘Wat mij betreft is hiermee ook aangetoond hoe ingewikkeld, ja zelfs onwenselijk, de keuze voor direct funding is. Het risico van discontinuïteit is gewoon te groot. Het medefinancieringssysteem, nu helaas ter ziele, was nou juist zo mooi omdat het de minister in staat stelde om de lokale civil society op een betrouwbare manier via Nederlandse maatschappelijke organisaties te ondersteunen.’

‘Het IOB-rapport getuigt van lef en intellectuele zuiverheid: de auteurs zijn niet te beroerd om de wankele basis van de toenmalige assumpties, ook van de WRR, te ontmaskeren, of de tegenstrijdigheden in het proces aan de kaak te stellen’, vervolgt Monteiro. ‘Wat vooral in het oog springt is het ongelooflijk dedain waarmee de deskundigheid die in vijftig jaar over ontwikkelingsprocessen is opgebouwd is benaderd. Het motto was: er moest bezuinigd worden en wel nu; en er moest maar eens worden afgerekend met al die do-gooders op het ministerie en omstreken. Naar het advies van ambtenaren werd niet gevraagd. Staatssecretaris Knapen had er geen boodschap aan.’

‘De botte bijl is in 2010 door staatssecretaris Knapen gehanteerd, maar minister Ploumen moet zich de conclusies ook aantrekken. We hebben in Nederland afspraken over ministeriële verantwoordelijkheid. Dat wil zeggen, elke minister is verantwoordelijk voor de fouten van zijn of haar voorgangers. Bovendien had Ploumen wel wat kunnen doen op het gebied van nazorg. Zij had bij haar aantreden in 2012 sommige effecten kunnen mitigeren. Dat is bij mijn weten niet gebeurd.’

 

‘Nederland heeft zijn geloofwaardigheid in één klap verkwanseld’

picture by Eric Montfort

picture by Eric Montfort

 

 

 

 

 

 

 

 

Dat in het IOB-rapport The Gaps Left Behind een aantal harde noten wordt gekraakt, is inmiddels duidelijk. Vice Versa vroeg twee deskundigen om hun mening over de bevindingen. Onderzoeker Lau Schulpen (verbonden aan de Radboud Universiteit) en Manuela Monteiro, oud-directeur van Hivos, namen daarbij geen blad voor de mond. En ook minister Ploumen moet zich de conclusies aantrekken en had wel wat kunnen doen op het gebied van nazorg.

Dit is het tweede stuk dat Vice Versa publiceert in aanloop naar het debat ‘Stoppen, en dan?’ dat woensdag 2 november i.s.m. het IOB wordt georganiseerd in Humanity House in Den Haag. Het debat bijwonen? Klik dan hier.

 

Lau Schulpen hoeft niet lang na te denken als hij wordt gevraagd een eerste reactie op het rapport te geven. ‘In dit rapport wordt het ministerie klip en klaar, in heldere bewoordingen, de oren gewassen’, zegt hij. ‘Als ik het rapport in één zin zou moeten samenvatten, dan zou ik dat zo doen: het terugtrekken uit de partnerlanden heeft de Nederlandse overheid slecht onderbouwd, slecht uitgevoerd met alle nadelige gevolgen vandien. Het lijkt me overigens behoorlijk wat om dat te kunnen zeggen als kritische evaluatiedienst.’

Over de inhoud van het rapport is Schulpen allerminst verbaasd. Sterker nog, hij vermoedde al dat de evaluatie kritisch zou zijn. ‘Ik ben zeer zeker niet verrast. Het terugtrekken uit de landen is heel snel gebeurd. Te snel. Het besluit om terug te trekken is daarna de leidraad geweest, daarom wordt in het rapport op elk punt over de exit-strategie tegen het ministerie gezegd dat het niet goed is gegaan. We, en daarmee bedoel ik Nederland én de andere Europese donoren, weten uit het verleden dat terugtrekken lang niet altijd gebeurd in overleg met onze bondgenoten, terwijl dat wél afgesproken is. De einzelgäng van Nederland wordt in het rapport keurig gefileerd. En je kunt je ook afvragen wat de internationale afspraken nog waard zijn als niemand ze naleeft.’

‘De laatste zin van het rapport is wat mij betreft heel treffend: “If European donors want to take the reduction of fragmentation and donor proliferation seriously in the future, they should start discussing a division of labour instead of ending support to the same countries and sectors in an uncoordinated way.” Dat zegt het allemaal. De Europese landen kunnen twee dingen doen op het gebied van afspraken over landenconcentratie: óf je veegt ze van tafel óf je neemt ze serieus en doet wat de IOB zegt. Als je dat niet doet, dan is het slecht bestuur.’

Het rapport moet volgens Schulpen in die zin een les zijn voor het ministerie én de andere Europese donoren. ‘Maar er zitten nog veel meer andere lessen in. Wil je goed uitfaseren dan is een meer flexibele opstelling vereist, dat deel ik met de IOB. Ons eigen belang heeft ons nu heel inflexibel gemaakt. Nederland is niet alleen kieskeurig geweest in toepassing van criteria die zijn opgesteld, maar men heeft ook niet gekeken hoe effectief de Nederlandse hulp het was in bepaalde landen. Daar zijn we aan voorbijgegaan. Nogmaals, Nederland was niet zozeer bezig met de effectiviteit, maar wilde koste wat kost bezuinigingen doorvoeren.’

‘Laten we ervan uitgaan dat we nogmaals zo’n exercitie moeten doorvoeren. Hoe moet je dat exit-proces dan managen? Ik denk dan aan het inbouwen van flexibiliteit, maar je moet de ontvangende partij ook laten meedenken. Kijk goed of hetgeen dat je in zo’n land doet ook goed doet, en zo ja, zet je programma dan voort. De effectiviteit van bestaande programma’s en dus van hetgeen je als donor in een land doet is belangrijker dan het met oogkleppen op nastreven van speerpunten. Naar die effectiviteit nu helemaal niet of te weinig gekeken. Nederland heeft in die zin op oneigenlijke gronden keuzes gemaakt.’

Kapitaalvernietiging

Ook Manuela Monteiro laat zich in niet mis te verstane woorden uit over het rapport. Het onderzoek laat volgens de oud-directeur van Hivos en lid van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) zien hoe Nederland in een klap veranderde van een internationaal uiterst serieuze en gewaardeerde speler in een wispelturige en onverschillige partner. ‘Het rapport geeft talloze aanwijzingen van kapitaalvernietiging en terugval in eerder geboekte resultaten. Ik kan niet anders concluderen dan dat het proces juist niet effectief is geweest. Het zou elke minister sieren om tegenvallende conclusies van evaluaties te omarmen om het vervolgens beter te doen. Maar dat zien we helaas te weinig in de Nederlandse politiek.’

Monteiro meent dat ‘met een pennenstreek en zonder al te veel denkwerk achttien partnerlanden plotsklaps overboord zijn gegooid’.

‘Het ging zogenaamd om een effectiviteitsslag, dus minder versnippering en meer focus, maar dat overtuigt niemand. Als het daar om te doen was, dan was het proces anders verlopen. In dat geval had Nederland de twee hoofdregels van effectiviteit, te weten betrouwbaarheid en voorspelbaarheid van de hulp, zoals die zijn opgenomen in de Paris Declaration for Aid Effectiveness, niet aan haar laars gelapt. Nederland heeft met deze bezuiniging zijn geloofwaardigheid in een klap verkwanseld.’

Daarnaast stelt Monteiro dat de gevolgen voor de ngo’s en cso’s die rechtstreekse financiering kregen van de Nederlandse overheid volstrekt onverantwoord zijn. ‘Zeker in situaties waar dit een politieke betekenis had, zoals in Guatemala. Men kon weten dat andere donoren door de bank genomen niet aan core funding doen en dat daarmee de zo noodzakelijke steun voor institutionele ontwikkeling zou wegvallen. Ook kon men niet verwachten dat de Nederlandse maatschappelijke organisaties dit gat zouden opvullen: zij werden immers ook fors getroffen door bezuinigingen op het medefinancieringsstelsel en moesten in de eigen programma’s snijden. Kortom, ellende en kapitaalvernietiging door onbezonnen optreden.’

‘Wat mij betreft is hiermee ook aangetoond hoe ingewikkeld, ja zelfs onwenselijk, de keuze voor direct funding is. Het risico van discontinuïteit is gewoon te groot. Het medefinancieringssysteem, nu helaas ter ziele, was nou juist zo mooi omdat het de minister in staat stelde om de lokale civil society op een betrouwbare manier via Nederlandse maatschappelijke organisaties te ondersteunen.’

‘Het IOB-rapport getuigt van lef en intellectuele zuiverheid: de auteurs zijn niet te beroerd om de wankele basis van de toenmalige assumpties, ook van de WRR, te ontmaskeren, of de tegenstrijdigheden in het proces aan de kaak te stellen’, vervolgt Monteiro. ‘Wat vooral in het oog springt is het ongelooflijk dedain waarmee de deskundigheid die in vijftig jaar over ontwikkelingsprocessen is opgebouwd is benaderd. Het motto was: er moest bezuinigd worden en wel nu; en er moest maar eens worden afgerekend met al die do-gooders op het ministerie en omstreken. Naar het advies van ambtenaren werd niet gevraagd. Staatssecretaris Knapen had er geen boodschap aan.’

‘De botte bijl is in 2010 door staatssecretaris Knapen gehanteerd, maar minister Ploumen moet zich de conclusies ook aantrekken. We hebben in Nederland afspraken over ministeriele verantwoordelijkheid. Dat wil zeggen, elke minister is verantwoordelijk voor de fouten van zijn of haar voorgangers. Bovendien had Ploumen wel wat kunnen doen op het gebied van nazorg. Zij had bij haar aantreden in 2012 sommige effecten kunnen mitigeren. Dat is bij mijn weten niet gebeurd.’