Inbinden of terugslaan?


6079432443_502012465e_z

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wereldwijd krimpt de beweegruimte voor ngo’s en hun medewerkers. Hoe zet je als organisatie je werk voort in repressieve tijden? Drie concrete adviezen.

China noemt ze ‘de tentakels van het Westen’, volgens Rusland zijn het ‘buitenlandse agenten’ en in India gaan ze door voor ‘anti-ontwikkelingsorganisaties’: de ngo’s. De nieuwe grootmachten hanteren steeds meer repressieve maatregelen om de tegenmacht de mond te snoeren. Dat lijkt een precedent te scheppen voor kleine mogendheden, die in navolging van de BRICS-landen (met Brazilië en Zuid-Afrika erbij) gretig beteugelende wetgeving invoeren. Zo mogen ngo’s nu ook in Angola niet langer buitenlands geld aannemen voor milieu- of mensenrechtencampagnes en dwarsboomt de Cambodjaanse overheid ngo’s die met hun projecten indruisen tegen de ‘nationale belangen’.

De kiem van de wijdverspreide oppressie is niet eenvoudig aan te wijzen. De Amerikaanse denktank Carnegie benadrukt in een recent rapport dat ze voortvloeit uit een gecompliceerde samenloop van omstandigheden: ‘De krimpende ruimte hoofdzakelijk toeschrijven aan de autoritaire golf die de wereld overspoelt, gaat voorbij aan de verscheidenheid van oorzaken. Zie het toenemende nationalisme, het antiterrorismebeleid, het in twijfel trekken van de westerse macht, de botsing tussen economische belangen en burgeractivisme, en andere factoren die dit fenomeen aansporen’, aldus de denktank. De onderzoekers trekken hieruit een verontrustende conclusie: ngo-repressie is geen voorbijgaande fase, maar inherent aan het huidige internationale politieke systeem. Oppressie zal dus ook in de nabije toekomst een stempel op het ngo-landschap drukken.

Dit vooruitzicht vraagt om een passende handelwijze van ngo’s en hun medewerkers. Want hoe gedraag je je in een verdrukte maatschappelijke ruimte: moet je inbinden of terugslaan? Drie adviezen van drie vakmensen uit de internationale ngo-sector.

 

Eén: Bundel je krachten en kom in verzet

Het probleem

Terwijl steeds meer landen repressieve wetgeving invoeren, maakt Kenia eind 2012 een tegenstelde beweging door de Public Benefit Organizations Act (PBO) aan te nemen. Die wet vervangt de oude, repressieve ngo-wet uit 1990 en staat de sector toe zichzelf te reguleren. Registratie en toezichthouden doen de ngo’s onder de PBO zelf. Er ontstaat echter één probleem: het kabinet weigert de wet uit te voeren. Sterker nog, met het aantreden van president Uhuru Kenyatta dreigt de wet zelfs te worden ingeruild voor weer een onderdrukkend exemplaar, waarbij enkel vijftien procent van de inkomsten van ngo’s uit het buitenland mag komen.

De oplossing

Njeri Kabeberi (Directeur Greenpeace Africa, oud-leider Civil Society Reference Group, Kenia)

Njeri Kabeberi (Directeur Greenpeace Africa, oud-leider Civil Society Reference Group, Kenia)

Njeri Kabeberi, directeur van Greenpeace Africa en oud-leider van de Civil Society Reference Group in Kenia: ‘Ons doel hebben we bereikt, we dwongen de regering tot de uitvoering van de oorspronkelijke PBO-wet en repressieve amendementen zijn voorkomen. Dat lukte na een verzetsperiode van drieënhalf jaar.

‘Denktank Carnegie noemde het verzet van de Reference Group “een krachtig en succesvol voorbeeld van een lokale ngo-prestatie tegen problematische wetgeving”. Dat doet me deugd: het is fantastisch dat Kenia dit succesverhaal in handen heeft en ik hoop dat we een voorbeeld kunnen zijn voor andere landen. Dat het maatschappelijk middenveld daar opstaat, en zegt: wij kunnen dit ook.

‘De Civil Society Reference Group is een nationaal platform, dat bestaat uit een divers gezelschap van Keniaanse organisaties; van milieubewegingen tot ontwikkelingsorganisaties en mensenrechtenclubs. De groep bestaat sinds 2009 en heeft tot doel progressieve ngo-wetgeving te promoten. Ik stond sinds september 2015 voor precies een jaar aan het hoofd.

‘De sleutel tot ons succes is de bundeling van krachten in het Keniaanse maatschappelijk middenveld en de omarming van verschillende verzetsmethodes. We deden aan straatprotesten en mediaoptredens, al is het “geheim” ongetwijfeld ons drieledig verzet, gestoeld op de trias politica. In het parlement lobbyden we voor een wetsvoorstel van onze hand met enkel één wens: als een wet eenmaal is aangenomen en door de president ondertekend – zoals het geval was bij de PBO-wet – moeten de bewindslieden overgaan tot de uitvoering ervan. Een zinvol voorstel, want de PBO lag inmiddels al drieënhalf jaar op de plank. Het wetsontwerp was aangenomen en ging net de tweede beoordelingsronde in.

‘Ondertussen liep er ook een rechtszaak, waarin we juridisch ons gelijk probeerden te halen. De rechter moest zijn vonnis nog uitspreken, maar er lag al wel een rechterlijk bevel: het parlement mocht in de tussentijd geen amendementen aannemen. Zo was het kabinet aan handen en voeten gebonden. Er was gewoon geen uitweg. Toen we afgelopen september onze lobby startten om een voet tussen de deur te krijgen bij het kabinet en onderhandelingen te beginnen, kreeg ik plots een telefoontje: “Het kabinet stemt in met jullie voorstel en gaat over op uitvoering van de wet.” Geweldig nieuws was dat.

‘De Civil Society Reference Group is nu een overwegend Keniaans initiatief, maar wat mij betreft moeten ook internationale ngo’s ons steunen. Als je als ngo je intrede in Kenia maakt, ben je één van ons. Dat bleek ook wel tijdens onze verzetsperiode: nadat de regering eerst de kritische lokale ngo’s de mond probeerde te snoeren, volgden daarna de internationale ngo’s. Als we onze krachten bundelen en onszelf allemáál zien als onderdeel van het Keniaanse maatschappelijk veld, staan we in de toekomst sterker.

‘Ook donoren kunnen een grotere rol spelen: bij mijn recente vertrek merkte ik dat er veel twijfel bestaat bij donoren over onze groep. Ze snappen niet wat we precies doen, zo’n branchevereniging is nieuw voor hen. Terwijl juist hier de toekomst van de tegenmacht ligt. Wij hebben nu alles zelf betaald, maar hadden ongetwijfeld sneller succes behaald met extra financiering. Daarom is mijn oproep aan donoren: wees niet huiverig voor nationale ngo-platforms, waar ook ter wereld. Integendeel: investeer juist in ons.’

Leestip: The Closing Space Challenge: How Are Funders Responding (Carnegie 2015)

 

Twee: Gooi het financieringssysteem eindelijk ècht om

Het probleem

Steeds vaker bestempelen overheden ngo’s als ‘buitenlandse handlangers’ die een ‘anti-ontwikkelingsagenda’ nastreven. Critici beweren dat de internationale hulpgemeenschap de hand in eigen boezem moet steken: westerse hulporganisaties werken de oppressie in de hand door lokale ngo’s te steunen die netjes de agenda volgen van hun buitenlandse geldschieters, maar die vaak een gedegen achterban ontberen. Financiële steun vanuit het Noorden gaat dus eerder naar een ngo die luidkeels de boodschap van de donor verkondigt dan naar een organisatie die de wens van het volk ter plekke vertolkt. Het is een willekeur die landen als China en India op stang jaagt en hen tegelijk voorziet van bruikbaar geschut om ngo’s weg te zetten als westerse tentakels.

De oplossing

Michael Edwards, onderzoeker, schrijver en activist: ‘Het beste dat ngo’s in tijden van repressie kunnen doen, is hun regering geen enkel excuus geven om in te grijpen – of het de machthebbers op z’n minst ongelofelijk moeilijk maken. Dat doe je deels door naar onafhankelijkheid van lokale ngo’s te streven en hun sociale wortels te versterken. Je wilt als lokale organisatie uiteindelijk krachtig genoeg zijn om een repressieve regering de wind uit de zeilen te nemen. Want het is onvermijdelijk dat de macht keer op keer op je af zal komen. Dat is inherent aan het werk van deze ngo’s, in hun rol als waakhond.

‘Onderdeel van deze oplossing is het radicaal omgooien van de internationale financieringsstructuur zoals die nu is. Je wilt een gelijkwaardig speelveld, waarin lokale ngo’s hun eigen fondsen werven en de zelfstandigheid omarmen. Dat is iets wat we al jaren roepen, maar nooit uitvoeren. De krimpende maatschappelijke ruimte is een extra reden om het nu eindelijk wèl te doen. Laten we die moeilijke vragen over geld op tafel leggen: maak onderwerpen als welvaartsverschillen, privilege en macht bespreekbaar. We moeten de huidige technisch-financiële discussies inruilen voor de politieke en morele vragen. Dat zijn de vragen die er ècht toe doen als je over geld praat.

Michael Edwards, onderzoeker, schrijver en activist

Michael Edwards, onderzoeker, schrijver en activist

‘Zo’n radicale financieringsomwenteling is niet eenvoudig. We hebben het hier over ngo’s die werkzaam zijn in lage- en middeninkomenslanden, waar nauwelijks een middenklasse is die je kunt aanspreken zoals we dat hier in het Westen doen. Toch maak ik me over het geld geen zorgen. In een Hivos-rapport uit 2013 leg ik haarfijn uit hoe het wèl kan. Het startpunt is om het gehele financieringspallet mee te nemen. Er is niet één manier om geld binnen te halen; er zijn duizend manieren.

‘Nog veel te vaak denken we dat fondsenwerving een westerse uitvinding is, maar wie zich verdiept in de Afrikaanse of Arabische cultuur ziet dat er daar tal van mogelijkheden voor zijn. Integreer ook fondsenwerving in je projecten: ga het zien als wezenlijk onderdeel van de vooruitgang die je nastreeft, niet als iets dat rijke mensen doen voor de armen.

‘De mensen die op het geld zitten, díe moeten deze financieringsrevolutie ontketenen. Het vermogen om het systeem te kantelen ligt bij de sterksten: de groep met geld. Zolang zij niet bewegen, is er niets dat mensen aan de andere kant van het spectrum kunnen doen. Toegegeven, ik ben sceptisch: grote ngo’s bekleden nu nog een te comfortabele positie om deze verandering in gang te zetten. Maar juist daarom is mijn boodschap voor zowel de Nederlandse regering als de grote ngo’s: jaag de radicale verandering na – dóe het domweg!’

Leestip: Beaty and the Beast: Can Money Ever Foster Social Transformation? (Hivos, 2013)


Drie: Politici en donoren, blijf tegenmacht ondersteunen

Het probleem

Donoren bepleiten graag ngo-projecten en beïnvloeden ze ook, maar de uitvoering wordt steeds moeilijker. Repressief overheidsbeleid hindert het werk van organisaties en hun medewerkers en roept sommige activiteiten zelfs een halt toe. Ook is openlijke communicatie of nauwkeurige rapportage uit veiligheidsoverwegingen soms ondoenlijk.

 

De oplossing

foto barbaraBarbara van Paassen, hoofd beleid en campagnes bij ActionAid: ‘Repressie is hèt thema dat onze collega’s wereldwijd bezighoudt, we hebben het er continu over. Daarbij staat niet de beweegruimte voor onze ActionAid-kantoren centraal, maar de ruimte voor de mensen met wie we samenwerken. Al is het hebben van voldoende maatschappelijke ruimte wel een voorwaarde voor ons werk: anders kun je geen activiteiten en campagnes op touw zetten.

‘Dat de speelruimte voor ngo’s krimpt, maakt het werk voor ons allemaal lastiger. Voor zuidelijke collega’s vergroot dit het risico op bedreigingen en het intrekken van de vergunning. Wij moeten daardoor ook alerter zijn. Het is constant zoeken: welke ruimte ziet onze partner? Welke rol kunnen wij daarin spelen? En hoe gaan we met dit alles zo strategisch mogelijk om?

‘Risicomanagement – het in kaart brengen van alle risico’s die er zijn, van politiek tot veiligheidsvraagstukken – speelt binnen ActionAid een veel grotere rol dan voorheen. Hoe je op repressie reageert is afhankelijk van het land en de personen met wie je werkt, er bestaat geen blauwdruk. De ene directeur is meer uitgesproken dan de andere, en sommige groepen gaan onverschrokken door, terwijl andere juist duidelijk een grens trekken: “Dit thema doen we gewoon niet meer.” Sowieso bepalen ActionAid-kantoren zèlf wat ze wel en niet doen. We zijn een federatie, dus er is geen sprake van een opgelegde agenda uit het Westen – een veelgehoorde aantijging van oppressieve overheden.

‘De grote uitdaging voor ons, als Nederlandse collega’s? Het werk dat wij doen, pleiten en beïnvloeden, is heel moeilijk te verkopen. Maar als we dit willen blijven doen en geloven in het belang van tegenmacht en kritisch burgerschap, dan moeten we de Nederlandse bevolking en politiek overtuigen van het nut van onze activiteiten. Dat je met pleiten en beïnvloeden een structurele verandering teweeg kan brengen.

‘Strategische partnerschappen, dat is een goede zet van de regering, maar ik zie ook een tegengestelde richting ontstaan: een aantal politici wil een ontwikkelingsmodel dat is gestoeld op tastbare projecten met meetbare resultaten. Dat staat natuurlijk haaks op wat wij doen: pleiten en beïnvloeden is een activiteit van de lange adem die zich niet makkelijk laat vangen in concrete uitkomsten. Het kan jaren duren voor je een onderwerp op de agenda krijgt of een beleidsverandering veroorzaakt. Natuurlijk moet je laten zien dat je impact hebt en dat het relevant is wat je doet, maar de meetbaarheid die sommige politici wensen is niet te verwezenlijken. Dan ga je weer terug naar waterputten slaan en dienstverlening.

‘Het probleem is dat juíst door de maatschappelijke verdrukking het steeds moeilijker wordt om te communiceren over misstanden en resultaten van onze acties. Je moet voorzichtig zijn en soms kun je niet iedereen met naam en toenaam noemen of een ‘succes’ claimen. Zoiets kan je relatie met de plaatselijke overheid dwarsbomen, je vergunning op het spel zetten of de veiligheid van lokale werknemers in gevaar brengen.

‘Het zou helpen als donoren en de politiek zich flexibeler opstellen. Ons werk vraagt om vertrouwen, want het is niet lineair en laat zich niet voorspellen en meten. Maar dat is er juist zo mooi aan: het is werk van lange duur dat, gestoeld op lokale legitimiteit en empoweren van de bevolking, een structurele verandering teweeg kan brengen.’

Leestip Opening doors and unlocking potential: Key lessons from an evaluation of support for Policy Influencing, Lobbying and Advocacy (IOB, 2015)

 


Kader

Op zoek naar de maas in repressieve wetgeving
Eerder gaf Henri Tiphagne (mensenrechtenadvocaat en directeur van de Indiase ngo People’s Watch) deze verzetstip op onze website: ‘Als ngo in een land met repressieve financieringswetten moet je zoeken naar een hiaat in de wet. Kijk, als bedrijven hier investeren in een ngo-project wordt dat onder de Foreign Contribution Regulation Act gezien als een lokale investering. De overheid mag dan niets afromen – een handige maas in de wet. Het aanboren van zo’n alternatieve financieringsbron is een slimme manier om de oppressie te omzeilen, zeker omdat steeds meer overheden in opkomende landen het buitenlandse bedrijfsleven verplichten om bij te dragen aan sociale projecten. Die bedrijven zijn dus op zoek naar goede projecten.’