Tegenmacht in Nederland – toen en nu

Demonstratie tegen bezuinigingen op kunst en cultuurDe rookbom die provo’s in 1967 gooiden naar de bruidsstoet van Beatrix en Claus. De kritische studenten die in 1969 de Katholieke Hogeschool Tilburg omdoopten tot Karl Marx Universiteit en in Amsterdam het Maagdenhuis bezetten. Deze dadendrang luidde het einde van de brave jaren vijftig in en vormde de opmaat tot de bloei van de door sociale wetenschappers genoemde ‘nieuwe sociale bewegingen’: de vrouwen-, milieu-, vredes- en derde-wereldbeweging. Wat verklaart hun succes en waarom nam hun kracht in de jaren negentig af?

De wortels van de ‘nieuwe sociale bewegingen’ lagen in de bewegingen voor vrouwenkiesrecht en natuurbescherming, voor antimilitarisme en antikolonialisme uit de eerste decennia van de twintigste eeuw – je kan dus beter spreken van hernieuwde of herboren bewegingen. Ze werden gedragen door jongeren, en daar waren er veel van na de explosie van geboortes in de naoorlogse jaren veertig. Bovendien was het de eerste generatie jongeren die financieel en sociaal redelijk onafhankelijk was; de wederopbouw was achter de rug, de welvaart nam toe, sociale wetten (met als sluitstuk de bijstandswet van 1965) zorgden voor bestaanszekerheid en de uitvinding van de pil maakte een vrijer seksueel verkeer mogelijk.

Ondanks – of dankzij – deze welvaartsgroei ontstond bij veel jongeren een aversie tegen de mentaliteit van braafheid, gezapigheid, oppervlakkige gehoorzaamheid en consumptieverslaving van de oudere generatie, en tegen de regenteske houding van overheid, kerk, universiteit, school en kazerne. De Amerikaanse bombardementen op Vietnam vormden het ultieme bewijs dat de Koude Oorlog-denkwijze van de gevestigde macht immoreel was.

Eisen als de gelijkwaardigheid van de vrouw, het einde van de kernwapenwedloop, zorg voor een leefbaar milieu en het einde aan honger en armoede in de ex-koloniën werden ook buiten de bewegingen niet als onredelijk ervaren. Het was vooral de wijze waarop activisten hun eisen naar voren brachten die tot afkeuring leidde bij de overheid en de gezeten burgerij. De misstanden waar de bewegingen op wezen pasten ook niet in het ideologische of religieuze zelfbeeld van de christendemocratische, sociaaldemocratische en liberale politieke partijen.

Een aarzelende overheid
De regering, in wisselende samenstelling gevormd door de christelijke partijen, de PvdA en de VVD – sinds jaar en dag rond de tachtig procent van het electoraat –, raakte vaak verdeeld, kreeg te maken met linkse afsplitsingen en vleugels (D66, PPR en Nieuw Links), trad soms hard op om even later mee te buigen of begrip te tonen. Van deze onduidelijke, onzekere toestand maakten de sociale bewegingen gebruik.

De actie ‘baas in eigen buik’ leidde tot de abortuswet in 1980; de vredesbeweging had haar grootste succes in de demonstraties tegen kernwapens in 1981 en 1983; de acties van de milieubeweging werden meer en meer gesteund en omgezet in wetten en internationale verdragen; en de derde-wereldbeweging eiste met wisselend succes meer en betere ontwikkelingshulp, verlaging van tariefmuren en meer begrip voor de eisen van de bevrijdingsbewegingen in Latijns-Amerika en Zuidelijk Afrika.

In de jaren vijftig en zestig werd de derde-wereldbeweging in gang gezet door een aantal organisaties: Plein 54, Sjaloom, Novib, wereldwinkels en het kerkelijke IKVOS, en kreeg in de twee decennia daarna bekendheid door de acties van solidariteitscomités. De omstandigheden in die tijd waren gunstig, men kon bijvoorbeeld rekenen op medewerking van honderden lokale vredes- en derde-wereldgroepen. Ook het linkse kabinet-Den Uyl (1973-1977) en, in afnemende mate, het daaropvolgende kabinet stonden niet onwelwillend tegenover ‘derde-wereldacties’. Dat uitte zich ook in het beleid van de in december 1970 opgerichte Nationale Commissie Ontwikkelingssamenwerking, die – tot woede van De Telegraaf – vanaf 1972 subsidie verleende aan derde-wereldorganisaties.

Ook de kerken, die zelf een vernieuwingsproces doormaakten, onderschreven de meeste eisen van de solidariteitsgroepen – mede doordat veel zendelingen en missionarissen met name in Latijns-Amerika en Zuidelijk Afrika rechtstreeks geconfronteerd werden met uitbuiting en onderdrukking. Ze sympathiseerden met bewegingen die zich daartegen verzetten. Het lukte de solidariteitsgroepen te appelleren aan officieel gekoesterde normen en waarden zoals vrijheid (door de VVD) rechtvaardigheid (door de PvdA) en naastenliefde (door het CDA).

Het vasthouden aan de apartheid, het krampachtige kolonialisme van Portugal en het ondersteunen van de Latijns-Amerikaanse dictaturen (door de Verenigde Staten) paste ten slotte slecht in de ontwikkeling naar een moderne vorm van kapitalisme. Het kwam vooral door de Koude Oorlog dat regeringen in West-Europa en de VS, tegen beter weten in, tot eind jaren tachtig vast bleven houden aan deze ‘ouderwetse’ vormen van uitbuiting.

 

De omslag

De val van de Berlijnse Muur in november 1989 markeerde het einde van de Koude Oorlog, alsook van de afname van protestacties in omvang en intensiteit. De apartheid in Zuid-Afrika liep op haar eind, de Portugese koloniën werden onafhankelijk en dictaturen in Latijns-Amerika maakten plaats voor sociaaldemocratische of christendemocratische regeringen. Ook de andere sociale bewegingen hadden een reeks successen behaald.

Elk behaald succes betekent tegelijkertijd óók de beëindiging van een aansprekend actiemiddel, waardoor de actiebereidheid van de achterban afneemt. Veel activisten en sympathisanten waren bovendien aan het werk gegaan in overheidsinstellingen en probeerden daar zaken te beïnvloeden. De strategie van de mars door de instituties was deels geslaagd, maar de resultaten ervan waren minder zichtbaar.

Daar komt bij dat het publiek in Nederland wel warm loopt voor steun aan groepen die strijden voor democratie en vrijheid van meningsuiting, maar als deze doelen behaald zijn blijkt een groot deel voorlopig tevreden. In Latijns-Amerika en Zuidelijk Afrika was het eenvoudig kiezen tussen de ‘kwaden’ en de ‘goeden’, maar bij de vele etnische twisten in Afrika en Azië was dat in veel gevallen onmogelijk.

Ook de opkomst van conservatieve regeringen in de VS (Ronald Reagan) en het Verenigd Koninkrijk (Margaret Thatcher) in de jaren tachtig, gevolgd door centrumrechtse kabinetten in tal van Europese landen, maakte een einde aan een progressief gedoogbeleid. Sociale wetten  werden afgeschaft of naar beneden bijgesteld. De dominantie van het neoliberale marktbeleid, waarbij werknemers met tijdelijke contracten geacht worden vooral voor zichzelf op te komen, ondermijnde collectieve sociale actie en versterkte een egocentrisch individualisme.

Rond de eeuwwisseling ontstonden er massademonstraties van andersglobalisten bij internationale economische conferenties in Seattle, Genua, Praag en Milaan, maar deze opleving werd ruw verstild door de aanslag op het World Trade Center in New York. Dat was het begin van een oorlogszuchtige ontwikkeling die, ondanks massaprotesten in vele Europese steden, uitmondde in de Amerikaanse inval in Irak. Door de moord op Pim Fortuyn in mei 2002 en  de moord op Theo van Gogh in november 2004 ontstond in Nederland een sterke populistische beweging. Deze conservatieve politieke en culturele ontwikkeling werd nog eens versterkt in 2008 door de val van investeringsbank Lehman Brothers in de VS.

 

Nieuwe kansen

Het van oorsprong Griekse woord crisis betekent keerpunt, ofwel een mogelijkheid tot omslag. Om de kans die de crisis geeft ten volle te benutten is het in de eerste plaats noodzakelijk dat het huidige doorgeslagen individualisme plaats maakt voor een evenwichtige balans tussen individuele ontplooiing en collectieve betrokkenheid. In dat kader is het ook belangrijk initiatieven te ontplooien die leiden tot een redelijke dialoog met iedereen in Nederland over problemen rond integratie, godsdienstig fundamentalisme en migratie. Vanuit deze hernieuwde gemeenschapszin kunnen progressieve initiatieven leiden tot een leefbare toekomst voor mens, dier en natuur. In deze tijd van economische, sociale en culturele globalisering is het aloude adagium ‘denk mondiaal, doe het lokaal’ relevanter dan ooit.

Zinvolle en kansrijke initiatieven zijn:

  •  Versterken van het gezamenlijk beheer van zonnecollectoren, alternatieve geldsystemen, weggeefwinkels, collectieve maaltijden en buurtinitiatieven.
  •  Terugdringen van inkomensongelijkheid binnen landen en tussen landen, afschaffing van belastingparadijzen, belasting op oneerlijke handel, méér belasting op kapitaal en minder op arbeid, het instellen van een kringloopeconomie, strenger toezicht op banken, de robotisering opvangen door drastische arbeidstijdverkorting en het invoeren van het basisinkomen.
  • Bevorderen van internationale wet- en regelgeving op gebieden als milieu, klimaat (zonnecollectoren in de Sahara), voedselzekerheid, veiligheid, rechtszekerheid , vrouwenrechten, inkomen en sociale zekerheid, alsmede het wereldwijd bevorderen van democratische rechten.

Kortom, het ontwikkelen van een mentaliteit – zowel lokaal, nationaal als mondiaal – waarin persoonlijke creativiteit en onderlinge betrokkenheid centraal staan.