‘Onlineactivisme blijft altijd een kat-en-muisspel’

4584746696_df41b84e7e_o-copy

In het tijdperk van internet is het makkelijker dan ooit om grote groepen mensen te mobiliseren. Maar in hoeverre is activisme door internet naar een hoger niveau gevoerd? Voor het online debat ‘De kracht van tegenmacht’ duikt Vice Versa in de wereld van het digitale verzet.

De Twitterrevolutie. Een mooiere benaming voor de politieke omwenteling in Tunesië eind 2010 – die de ‘Arabische Lente’ aanwakkerde – is er niet. Via de microberichtendienst riepen Tunesische actievoerders hun landgenoten op om de straat op te gaan en lieten zij de wereld weten wat er in Tunis en andere plaatsen gaande was. Op het moment dat de regering het internet afsloot, konden de activisten met hulp van het internationale hackerscollectief Anonymous opnieuw online komen en doorgaan met het verspreiden van informatie.

Hoe mooi dat ook klinkt, ten slotte speelden sociale media lang niet zo’n grote rol in de Tunesische revolutie als sommigen willen doen geloven, zegt Ico Maly, docent Nieuwe Media en Politiek aan de Universiteit van Tilburg en hoofdredacteur van Diggit Magazine. ‘De Arabische opstanden zijn, in tegenstelling tot wat veel mensen beweerden, niet veróórzaakt door sociale media. Die nieuwe media zorgden wel voor de noodzakelijke verspreiding van informatie en meer organisatiekracht om mensen op de been te brengen. Het gebruik van Twitter was in Tunesië uiteindelijk heel beperkt. Maar waar het om draait: de activiteit die er wèl was deed ertoe en was effectief, zowel in Tunesië als daarbuiten.’

De Arabische revoluties vormen niet het enige verzet dat ten onrechte bewierookt is als digitaal fenomeen. Maly kent voorbeelden dichter bij huis: ‘Zie de Occupy-beweging. Veel mensen denken dat Occupy eerst online zeer goed georganiseerd was en een felle en effectieve campagne op internet voerde, terwijl het omgekeerd was. Pas nádat filmpjes van politiegeweld tegen de betogers heel vaak zijn bekeken, is de aandacht van de reguliere media voor Occupy vlug toegenomen – het internet zorgde dus wel voor de globalisering van Occupy.’

Apathie

Maly’s boodschap is dat internet een grote rol kan spelen bij actievoeren, maar dat je succesverhalen niet te veel moet oppompen. Volgens hem is het ook belangrijk om niet te vergeten dat veel staten en bedrijven toezicht willen op de onlinewereld, die willen beheersen. Denk maar aan de censuur in dictaturen of de afspraak tussen Facebook en de Israëlische overheid. Maly: ‘Enerzijds zijn er de personen die jubelden over de rol die Twitter speelde tijdens de Arabische Lente, anderzijds is er een grote groep die meent dat internet burgers apathisch maakt en ervoor zorgt dat ze niet meer de straat op gaan.’

Een bekend gezicht in dat laatste kamp is de Wit-Rus Evgeny Morozov. Hij probeerde in het verleden vergeefs via internet revoltes op gang te brengen in Oost-Europese landen en nam daarna een zeer kritische houding aan tegenover internetactivisme. Zijn gedachtegoed zette hij onder andere uiteen in het boek The Net Delusion, dat wereldwijd veel is verkocht. In een totaal aan hem gewijde aflevering van het VPRO-programma Tegenlicht uit 2011 zei Morozov (vanaf minuut 28) dat internet mensen ervan weerhoudt publiekelijk hun woede te uiten.

Naar aanleiding van een fragment waarin een werkloze Amerikaanse de groeiende kloof tussen arm en rijk in Californië bespreekt – en voorspelt dat vroeg of laat een enorme opstand zal uitbreken – vraagt Morozov zich af waarom dergelijke protesten zo weinig zichtbaar zijn, ondanks de schrijnende omstandigheden waarin veel mensen leven. De organisatie van grootscheepse betogingen is nooit gemakkelijk geweest, maar niettemin ziet Morozov ze amper: ‘Personen ventileren hun woede via Facebook en Twitter, maar gaan daarna niet meer naar het stadhuis. Je ontketent geen revolutie door je profielfoto op Facebook te veranderen.’

Maly kan zich niet vinden in de theorieën van Morozov. ‘Het is geen kwestie van kiezen voor het een of het ander. Volgens mij is het zo dat de online- en offlinewereld onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en elkaar juist versterken.’

GeenPeil

Veel onlinegroepen gaan volgens Maly na een vliegende start ten onder door een gebrek aan structuur en leiderschap. En dat is waar ‘de nieuwe en de oude wereld’ elkaar moeten zien te vinden. ‘Kijk naar de protesten in Tunesië; daarbij speelden de vakbonden ook een enorme rol, die vaak onderbelicht blijft. En in Vlaanderen zijn in het najaar van 2014 zeer succesvolle betogingen tegen de bezuinigingen van de rechtse regering georganiseerd, waarbij klassieke, hiërarchisch geleide vakbonden en het nieuwe burgercollectief Hart Boven Hard – dat zijn achterban deels via het internet opbouwde – de handen ineensloegen. Zonder veel positieve aandacht van de traditionele media kwamen op deze protesten veel meer mensen af dan de vakbonden voor mogelijk hielden. Op het toppunt waren er meer dan honderdtwintigduizend mensen bijeen, terwijl men op maximaal tachtigduizend rekende. Dat was de grootste demonstratie in 26 jaar in België. En dat allemaal door de kracht van een sterke sociale-mediacampagne te verenigen met een goede organisatiestructuur.’

Sociale media zijn heel handig om mensen snel online te mobiliseren, meent Maly, en zelfs om ze op de been te brengen, maar dat is niet genoeg als je sterk en langdurig protest wil voeren. ‘Ik denk dat aankomende generaties veel beter zullen zijn in het vinden van oplossingen voor deze problemen. Dat zie je nu al bij #BlackLivesMatter, dat van een hashtag uitgroeit tot een steeds beter  georganiseerde – maar nog steeds gedecentraliseerde – beweging die veel online actievoert, maar ook offline activiteiten organiseert. Zij laat de online- en offlinewereld op een goede manier samenvloeien.’

Ook Arjan El Fassed, directeur van de Open State Foundation – dat zich richt op het inzichtelijk maken van grote hoeveelheden publieke informatie en onlinedata – denkt dat het langdurige internetgebruik de behoefte om openbaar te protesteren niet wegneemt. ‘Iedereen zoekt naar een manier van protesteren die bij hem of haar past’, zegt hij. ‘En voor veel mensen gebeurt dat op internet, puur omdat het zo laagdrempelig is.’

De vraag is alleen: hoe effectief is dit verzet? El Fassed: ‘De allereerste internetpetities, die eind jaren negentig verschenen, liepen heel goed. Maar tegenwoordig zie je er zoveel dat de uitkomst ervan lastig in te schatten is. GeenPeil, dat een referendum over het associatieverdrag tussen de Europese Unie en Oekraïne afdwong, is natuurlijk een goed voorbeeld. Dat project kon op een erg makkelijke manier worden gesteund; dat is een belangrijke voorwaarde voor een geslaagde actie. Ook had de organisatie een groot platform en kreeg het snel veel aandacht van traditionele media – daar draait het toch om. Dáár komt vaak politieke aandacht uit voort, en dan begint het te lopen.’

Privacy-cafés en cryptofeestjes

Demonstraties en ‘flitsmeutes’ regelen, petities laten tekenen of hashtags laten opbloeien; véél valt onder onlineactivisme. Maar deze laagdrempelige voorbeelden staan niet in verhouding tot andere vormen, die tijdrovend zijn en professioneel worden uitgevoerd. Denk daarbij aan burgerjournalisten die internetbronnen uitpluizen, programmeurs en onderzoekers die zich op enorme hoeveelheden staatsdata storten en hackers die systemen kraken om wantoestanden binnen gemeentes, overheden of bedrijven te openbaren. Wie heeft er niet gehoord van WikiLeaks, van klokkenluider Edward Snowden en het ‘hacktivisme’ van Anonymous, dat net zo makkelijk aanvallen uitvoert op websites van Sony als van Islamitische Staat.

Zo is het vrijwel onmogelijk te becijferen hoe omvangrijk de ‘professionele’ tak van de beweging is. ‘Veel mensen zijn nu eenmaal onzichtbaar aan het werk’, laat Lonneke van der Velden desgevraagd weten. Zij is voorzitter van het stichtingsbestuur van Bits of Freedom en doet onderzoek naar data-activisme aan de Universiteit van Amsterdam. Volgens Van der Velden heeft het bekend en inzichtelijk maken van grote hoeveelheden data de laatste jaren voor een flinke omwenteling gezorgd; stilaan is er meer bewustwording bij de burger. ‘Mensen zoeken naar allerlei manieren om beter om te gaan met het feit dat er steeds meer data en gegevens over hen bekend zijn’, zegt ze. ‘Zij gebruiken  technieken als de versleuteling van chatberichten of e-mail om persoonlijke data te beschermen. Je zou dit digitale weerbaarheid kunnen noemen. Deze technieken kun je leren in “privacy-cafés” of op zogenaamde “cryptofeestjes” in bibliotheken, georganiseerd door vrijwilligers van Bits of Freedom.’

Daarnaast zijn er veel organisaties die grote groepen data gebruiken voor activistische doeleinden, vervolgt Van der Velden: ‘We kennen natuurlijk Wikileaks, dat heel veel data vindt waaruit wordt opgemaakt hoe overheden handelen. Zo zijn er een paar grote successen geweest. Voor veel mensen heeft dat wel iets veranderd, maar voor de meesten blijft het toch een ver-van-mijn-bed-verhaal. Je kunt elke onthulling daarom het beste beschouwen als een kleine bewustwordingscampagne. Maar daarvan moeten er nog een heleboel volgen.’

Metadata en de NSA

Het aantal projecten met open data is volgens Van der Velden de laatste jaren flink toegenomen. Een voorbeeld uit Groot-Brittannië is de UK Transparency Agenda, die wortelt in een groot declaratieschandaal in de Britse politiek uit 2009. Talloze politici, onder wie de toenmalige Lagerhuis-voorzitter Michael Martin, bleken grote sommen aan privé-uitgaven als onkosten te hebben opgegeven en moesten na de onthullingen het veld verlaten. Met name in Groot-Brittannië wordt daarom veel rondgeneusd in de overheidsfinanciën en is bij het publiek veel meer inzicht ontstaan in de wijze waarop grote geldstromen lopen.

Daarnaast zie je de opkomst van clubs die publieke bronnen gebruiken als bewijsvoering. Het bekendste voorbeeld daarvan is Bellingcat, het eveneens Britse platform voor burgerjournalistiek dat aan de hand van sociale media en openbare satellietbeelden allerlei onthullingen over het neerschieten van vlucht MH17 deed.

Soms krijgt de overheid bij een spraakmakende onthulling keihard het deksel op de neus. Dat bleek toen Share Lab, een hackerscollectief uit Belgrado, onderzoek deed naar Hacking Team, een Italiaans bedrijf dat afluistersoftware ontwikkelt dat vooral wordt gebruikt in autoritair-geleide landen. Van der Velden: ‘In de periode na de Snowden-onthullingen gaf de NSA aan dat het alleen maar metadata verzamelde (data over data, bijvoorbeeld wie het heeft opgesteld, op welke dag, in welke taal, red.). Daarmee probeerde het te doen voorkomen dat de verzamelde gegevens niet erg inzichtelijk zouden zijn. Share Lab besloot de proef op de som te nemen en aan de hand van metadata informatie over Hacking Team te achterhalen. Wat bleek: van de beweringen van de NSA bleef weinig overeind. Share Lab kon door de metadata namelijk erg relevante en gedetailleerde informatie naar buiten brengen over Hacking Team en met wie het waar, wanneer en op welk moment zaken deed. Dat is duidelijk data-activisme.’

Twittercensuur

De Open State Foundation van El Fassed maakt bij het onderzoeken van vrij toegankelijke informatie gebruik van programmeurs die ‘maatschappelijk hacken’ toepassen – het woord hacken heeft een negatieve connotatie, maar volgens El Fassed opereren zij legaal en hebben ze juist een waakhondfunctie. ‘Je moet het ontstaan ervan zien als een klacht tegen de manier waarop overheden verantwoording afleggen. Daarnaast is de vraag vanuit het publiek groot. Voor elke stembusgang merk je dat de kiezers de overheid kunnen controleren op wat zij zegt en doet, ook nu met de aanstaande Tweede-Kamerverkiezingen. Informatie is macht, zeg ik altijd. En een groeiende groep mensen wil gewoonweg de neutrale feiten zien. Voor hen moet die enorme hoeveelheid data hanteerbaar worden gemaakt.’

De stichting probeert zoveel mogelijk kennis in handen van de burgers te leggen, maar wordt daarbij ook weleens tegengewerkt, zoals onlangs door Twitter. Wat was het geval: de Open State Foundation verzamelde beschamende tweets van politici – die zij hadden verwijderd – op het platform Politwoops, maar dat bleek tegen de zin van Twitter. Politwoops werd begin dit jaar geblokkeerd, maar succesvol protest zorgde er twee maanden later voor dat de vergrendeling werd opgeheven.

El Fassed: ‘Dat gebeurde via een simpele onlinebrief die snel over de hele wereld werd verspreid. Uiteindelijk hebben we vijftig organisaties in vijf werelddelen achter ons gekregen, van journalistenfederaties tot digitale-rechtenorganisaties, maar bijvoorbeeld ook Human Rights Watch. Daardoor stonden we zo sterk dat we Twitter uiteindelijk ertoe hebben bewogen de blokkade op te heffen. Bij Open State volgen we drie principes uit de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens: het recht op informatie, het recht op privacy en vrijheid van meningsuiting. Daar hebben we in deze situatie duidelijk op gewezen.’

Sociale-mediareuzen worstelen steeds vaker met berichten van personen met wie zij het oneens zijn, ziet El Fassed. ‘Facebook en Twitter zijn inmiddels zo groot dat zij fungeren als redacties. Ze zijn continu berichten aan het filteren. Iemand dient een klacht in en een dag later is je account verwijderd. Steeds vaker willen overheden met die platforms om tafel om hun onvrede over kwesties te uiten.’

Deze week kwam naar buiten dat Twitter het oordeel van een Turkse rechter om een account van een ‘lastige’ journalist te blokkeren heeft genegeerd. Het sociale medium houdt namelijk vast aan de kernwaarde dat ‘de stem van de gebruiker gerespecteerd en verdedigd moet worden’. El Fassed: ‘Het is interessant om te zien of bedrijven als Facebook en Twitter bestand zijn tegen die druk of de dreiging van enorme rechtszaken. Recent ging de Israëlische minister van Justitie in gesprek met Facebook, wat leidde tot het verwijderen van twee pagina’s van Palestijnse journalisten. Dit zorgde echter voor zo’n storm van kritiek, dat Facebook hier snel op terugkwam. Als je daaraan denkt, dan kom je weer uit bij die drie rechten. Mochten sociale media op een zeker moment bepaalde berichten niet meer willen delen, dan vinden actievoerders vermoedelijk wel weer een nieuw platform. Zo zal het onlineactivisme altijd een kat-en-muisspel blijven.’