Door:
Ayaan Abukar

28 september 2016

Tags

SANYO DIGITAL CAMERA

 

OPINIE – Wel afdwingbare rechten voor buitenlandse investeerders, maar geen bindende plichten als het gaat om mensenrechten? Nederland moet kiezen voor mensenrechten in plaats van bedrijfsbelangen, vindt SOMO. Dat betekent ook dat het constructief moet gaan deelnemen aan de onderhandelingen over een bindend VN verdrag, en deze onderhandelingen niet moet boycotten zoals nu het geval is.

Door: Mariëtte van Huijstee, Roeline Knottnerus, Lydia de Leeuw, Roos van Os (SOMO).

Mensenrechten vormen een belangrijke pilaar van het buitenlandbeleid van Nederland en de EU. Dat mensenrechtenbeleid ook moet worden toegespitst op bedrijven, wordt daarbij erkend. Dit kwam bijvoorbeeld tot uiting op de EU Roadmap conferentie, mede georganiseerd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken tijdens het Nederlandse Europese voorzitterschap.

In theorie, want in de uitvoering laat het beleid nog te wensen over. Nederland en de EU investeren veel tijd, geld en energie in het onderhandelen van handels- en investeringsverdragen die de rechten van buitenlandse investeerders uitstekend en afdwingbaar beschermen. Met de mogelijkheden om diezelfde investeerders aansprakelijk te stellen als zij de mensenrechten schenden, is het veel slechter gesteld. De EU vertrouwt in het bevorderen van goed bestuur, duurzame ontwikkeling en mensenrechten als de pijlers onder haar moderne handelsagenda Trade for All vooral op voor bedrijven niet bindende en daarom moeilijk afdwingbare kaders als de UN Guiding Principles for Business and Human Rights, de ILO Tripartite Declaration on Multinational Enterprises and Social Policy en de OECD Guidelines for Multinational Enterprises.

In handels- en investeringsverdragen krijgen buitenlandse bedrijven en investeerders het recht om – buiten de nationale rechter om – nationale overheden aan te klagen als beleidsmaatregelen de winstgevendheid van hun investeringen dreigen te schaden. Belastingmaatregelen, milieubeleid, gezondheidsmaatregelen en zelfs wetgeving om het nationale minimumloon te verhogen zijn al onderwerp geweest van investeringsgeschillen (zie International Investment Agreements Under Scrutiny, 2015 )

Omdat schadeclaims in de vele honderden miljoenen kunnen lopen, zien overheden vaak al bij het dreigen met een claim af van voorgenomen beleid, of maken ze uitzonderingen voor het betreffende bedrijf. De bepalingen in handels- en investeringsverdragen zorgen er zo in de praktijk voor dat de belangen van bedrijven prioriteit krijgen boven de bescherming van mensenrechten. Temeer omdat de slachtoffers van mensenrechtenschendingen door diezelfde multinationale bedrijven vaak nauwelijks toegang tot het recht hebben en zich alleen kunnen beroepen op weinig afdwingbare soft law-instrumenten.

Toch blijft Nederland vooral vasthouden aan vrijwillige zelfregulering door bedrijven. En houden zowel Nederland en de EU zich afzijdig bij de onderhandelingen over een bindend VN-verdrag dat beoogt om de toegang tot recht van slachtoffers van bedrijfsgerelateerde mensenrechtenschendingen aanzienlijk te versterken. Als mensenrechten echt zo’n belangrijk principe zijn voor Nederland en de EU, zouden zij juist een voortrekkersrol moeten spelen in deze onderhandelingen, die in oktober weer van start gaan.

Uitgebreide mogelijkheden voor multinationals

Mensenrechtenbeschermers en landrechtenactivisten bevinden zich in de frontlinie als het gaat om intimidatie en geweld. Tegelijk hebben ze nauwelijks middelen om bedrijven aansprakelijk te stellen voor mensenrechtenschendingen. Nationale rechtssystemen hebben vaak niet de middelen om (transnationale) bedrijven juridisch ter verantwoording te roepen voor mensenrechtenschendingen. Internationale handels- en investeringsverdragen geven buitenlandse bedrijven juist een krachtig politiek wapen om zich te verzetten als nationale overheden schadelijke bedrijfspraktijken aan banden willen leggen.

Het aantal investeringsclaims is sinds eind jaren ’90 exponentieel gestegen. En ook de geclaimde bedragen worden steeds hoger. Vanwege de inbreuk op hun soevereiniteit zijn steeds meer ontwikkelingslanden en opkomende economieën, zoals Zuid-Afrika, Indonesië, India, en een aantal Latijns-Amerikaanse landen, begonnen om deze gevaarlijke verdragen op te zeggen of te herzien. Zelfs in Europa en de VS groeit inmiddels, onder invloed van de onderhandelingen over nieuwe trans-Atlantische akkoorden, de oppositie.

Europa zet inmiddels in reactie op de aanzwellende kritiek nu de stap om het oude model voor investeringsbescherming te vervangen door een nieuw ICS-systeem (Investment Court System). Hoewel dat iets verbetert in het juridische proces, houdt de EU daarmee nog steeds een aparte rechtsgang voor internationale investeerders en bedrijven overeind. Ook de potentieel verlammende effecten van torenhoge investeringsclaims behoren met ICS geenszins tot het verleden: het blijft aan arbiters om achteraf te bepalen of overheidsbeleid wel legitiem, noodzakelijk en proportioneel was. En in handelsonderhandelingen wordt nog altijd niet ingezet op het koppelen van investeringsbescherming aan bindende plichten en verantwoordelijkheden voor bedrijven op het gebied van mensenrechten en milieu.

Geen toegang tot recht voor slachtoffers

Burgers komen als slachtoffer van mensenrechtenschendingen door multinationale ondernemingen vele, vaak onoverkomelijke, barrières tegen op hun weg naar gerechtigheid. Niet alleen zijn de hoge kosten gekoppeld aan een rechtszaak vaak een onoverkomelijke barrière, ook loopt de bewijsvoering vaak stuk op de schimmige bedrijfsstructuren en complexe toeleveringsketens van multinationals, en de enorme ongelijkheid in middelen tussen slachtoffer en multinational. Verder hebben burgers vaak maar toegang tot één jurisdictie, terwijl multinationals de mogelijkheid hebben voor forum shopping en hun bedrijfsactiviteiten internationaal zo kunnen structureren dat hun risico op juridische aansprakelijkheid zoveel mogelijk beperkt blijft.

De onafhankelijke deskundige inzake de bevordering van een democratische en rechtvaardige internationale orde van de Verenigde Naties, Alfred de Zayas, loopt niet voor niets te hoop tegen de schadelijke gevolgen van investeringsbescherming op een rechtvaardige internationale orde en duurzame ontwikkeling. De bestaande mensenrechtenkaders zijn in investeringsverdragen zeer gebrekkig ingebed. De OESO onderzocht 2107 verdragen en vond slechts verdragsbepalingen die verwijzen naar mensenrechten in minder dan 1% (!) daarvan.

In een dergelijke context, waarin multinationals – dankzij goed beschermde afdwingbare rechten en een gebrek aan bindende plichten en verantwoordelijkheden – internationaal kunnen opereren in een sfeer van straffeloosheid, en mensenrechtenverdedigers in toenemende mate bedreigd, geïntimideerd of zelfs vermoord worden, is de urgentie voor bindende regels groter dan ooit.

Boycot vanuit Nederland

In juni 2014 nam de VN Mensenrechtenraad op initiatief van Ecuador en Zuid-Afrika een resolutie aan om een VN-verdrag op transnationale bedrijven en mensenrechten te gaan ontwikkelen. Van 24 tot en met 28 oktober aanstaande vindt bij de VN in Genève de tweede ronde van de onderhandelingen plaats. In 2017 zou er een concreet ontwerpverdrag moeten liggen. Maar, in het kielzog van de EU, boycot Nederland de onderhandelingen – met als belangrijkste reden dat de voorbereidende werkgroep niet naar alle bedrijven kijkt, maar zich in eerste instantie beperkt tot multinationaal opererende bedrijven.

Als Nederland en de EU stellen dat ‘de verantwoordelijkheden van nationale bedrijven om mensenrechten te respecteren niet verschillen van die van transnationale’ en dat ‘veel mensenrechtenschendingen [juist worden] veroorzaakt door nationaal geregistreerde bedrijven’, dan hebben ze daarin formeel gelijk. Ook vanuit het perspectief van slachtoffers van bedrijfsgerelateerde mensenrechtenschendingen zou een verdrag idealiter alle bedrijven moeten omvatten. Maar tegelijkertijd zou een verdrag dat alleen multinationals betreft al een belangrijke stap in de gewenste richting zijn.

Ook gaan Nederland en de EU met hun stellingname voorbij aan de bijzondere positie die multinationals innemen, zowel in het internationaal recht als in de mogelijkheden die zij hebben om hun activiteiten onder te brengen in die landen/jurisdicties waar ze het beste aanspraak kunnen maken op belastingvoordelen en investeringsbescherming onder de bilaterale belasting- en investeringsovereenkomsten die de betreffende landen erop nahouden (zie ook onze mensenrechtenrapportage).

Helaas moet worden geconstateerd dat Nederland, zeker in relatie tot dat laatste, niet de meest smetteloze staat van dienst heeft: buitenlandse bedrijven kunnen zich gemakkelijk in ons land vestigen om zich te bedienen van de zeer ruime beschermingen die het omvangrijke Nederlandse netwerk van investeringsverdragen biedt. Alleen vanuit de VS worden meer investeringsclaims aangespannen – Nederland neemt wereldwijd de tweede plaats in. Daarbij gaat het in 70 procent van de gevallen om brievenbusmaatschappijen – bedrijven zonder echte economische activiteiten in Nederland.

Dan wringt het des te meer dat Nederland onverminderd blijft inzetten op zelfregulering door multinationals, terwijl ook de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) de regering ‘[g]ezien de getoonde beperkingen van zelfregulering op dit terrein’ aanbeveelt ‘om onomwonden steun te verlenen aan het tot stand komen van een internationaal juridisch bindend verdrag op het gebied van mensenrechten en duurzaam ondernemen’.

Beleidscoherentie gewenst

Het is op z’n zachts gezegd opmerkelijk dat de EU en Nederland weigeren aan de VN onderhandelingen voor een bindend verdrag voor bedrijven deel te nemen omdat de reikwijdte van het eventuele verdrag daarin beperkt werd tot transnationale bedrijven. De investeringsbescherming waar men zich wel sterk voor maakt, geldt óók alleen voor buitenlandse investeerders en bedrijven. Het lijkt er op dat voor rechten voor internationale bedrijven, er wel een aparte, geprivilegieerde internationale rechtsgang in het leven kan worden geroepen die bovendien alleen kijkt naar de belangen van het internationale bedrijfsleven en niet naar de bredere maatschappelijke context, terwijl voor het opleggen van plichten en maatschappelijke verantwoordelijkheden die uitzonderingspositie plots niet geldt.

Buitenlandse bedrijven hebben juist door hun economische omvang en machtsstatus een uitzonderlijke positie en profiteren van een grote lacune in het reguleren van hun activiteiten. Tegelijkertijd zijn juist multinationals op dit moment moeilijk ter verantwoording te roepen en genieten juist multinationals een uitzonderingspositie wanneer het gaat om de bescherming van hun rechten. Terwijl vanuit het perspectief van mensenrechten een eerlijk en gezond investeringsbeleid zich dient te richten op het beschermen van publieke belangen in plaats van, tegen hoge maatschappelijk kosten, aanjagen van private winsten. Mensenrechten, milieubescherming en economische democratisering zouden hierin centraal moeten staan.

Er is sprake van een governance gap die maar moeilijk nationaal gedicht kan worden, en hoognodig op internationaal niveau aangepakt moet worden. Mensenrechtenverdragen vormen de internationale consensus over de verantwoordelijkheden van staten naar mensen en leggen bindende verplichtingen op aan overheden wat betreft het beschermen en bevorderen van mensenrechten. Als er sprake is van een conflict tussen mensenrechtenverdragen en andere overeenkomsten tussen staten (zoals handels- of investeringsverdragen), stelt Artikel 103 van het Handvest van de Verenigde Naties dat mensenrechtenverplichtingen waar de landen die het Handvest hebben getekend zich aan hebben gecommitteerd, prevaleren. In de balans tussen rechten en plichten van transnationale bedrijven moet het primaat van de mensenrechten hoognodig worden hersteld.

Naast een versterking van nationale rechtssystemen, moet de internationale rechtszekerheid voor slachtoffers van mensenrechtenschendingen door bedrijven worden bevorderd. Slachtoffers van de bedrijfspraktijken van internationale bedrijven moeten deze bedrijven ook internationaal aansprakelijk kunnen stellen. Een internationaal bindend verdrag inzake bedrijven en mensenrechten is dan de logische stap. Als transnationale bedrijven weten dat ze extraterritoriaal kunnen worden afgerekend op hun staat van dienst inzake mensenrechten, dan zullen ze er ook meer voor gaan waken dat ze medeplichtig raken aan mensenrechtenschendingen in de gastlanden waar ze opereren. En – tegemoetkomend aan het kernargument waarvan de EU en Nederland zich bedienen om zich niet in te laten met de VN-onderhandelingen – kan dat op zijn beurt – via de supply chain van de grote multinationals – juist weer een positieve weerslag hebben op nationale bedrijven.

Lees of download het volledige stuk van SOMO hier: https://www.somo.nl/nl/bedrijfsleven-en-mensenrechten/

Help het primaat van mensenrechten versus investeringsbescherming te versterken. Roep Nederland en de Europese Unie naar de onderhandelingstafel en teken de petities gericht aan Minister Koenders- https://milieudefensie.nl/earthalarm/152 – en EU President Juncker: https://you.wemove.eu/campaigns/stop-corporate-abuse

 

 

Mariette van Huijstee

 

Roeline Knottnerus

 

Roos van Os

 

Opinie: ‘Brief minister Kaag over maatschappelijk middenveld: analytisch zwak en weinig ambitieus’

Door Fons van der Velden | 09 juli 2019

Het is een groot goed dat de Nederlandse overheid zoveel fondsen ter beschikking stelt voor de versterking van maatschappelijke organisaties en maatschappelijk middenveld, schrijft Fons van der Velden in deze opiniebijdrage naar aanleiding van de kamerbrief van minister Kaag. Maar hij vindt de brief analytisch zwak en van weinig ambitie getuigen. Wat had beter gekund?

Lees artikel

Tip 3 aan Kaag: ‘Lever in op je privilege en geef zuidelijke organisaties meer inspraak bij het bepalen van prioriteiten’

Door Lizan Nijkrake | 08 juli 2019

Minister Kaag werkt hard aan een nieuw subsidiekader voor het maatschappelijk middenveld. Ze wil meer eigenaarschap geven aan zuidelijke ngo’s om hen meer legitimiteit te geven, en ziet daarbij een andere rol voor Nederlandse organisaties. Vice Versa vroeg vier zuidelijke organisaties hoe zij dit zien. Wat is hun gouden tip voor onze minister? Met vandaag Carla López Cabrera, directeur van Fondo Centroamericano de Mujeres (FCAM) in Nicaragua, een feministisch fonds dat lokale vrouwenrechtenbewegingen in Centraal Amerika steunt.

Lees artikel

Shifting fundamental power issues in funding relationships

Door Evelijne Bruning Ruerd Ruben en Lau Schulpen | 02 juli 2019

This article claims that the current aid architecture favours clientilism, dependency and short-term projects. The authors Evelijne Bruning (The Hunger Project) Ruerd Ruben (Wageningen University & Research) and Lau Schulpen (Radboud University Nijmegen) are suggesting four possible ways to overcome this in order to shift power closer to the ground.

Lees artikel