De WHO moet veranderen. Maar hoe?

SAMSUNG CSCVERSLAG- Stel je eens voor dat elk debat zou doorgaan totdat over het onderwerp in kwestie een eensgezinde conclusie kan worden getrokken. Dat klinkt (vrijwel) onmogelijk. Maar hoewel vrijdag in het Koninklijk Instituut voor de Tropen een gezelschap bijeenkwam dat verschillende geluiden liet horen over de rol van Nederland en de WHO bij de aanpak van grote gezondheidscrises, was de uiteindelijke boodschap die zij verkondigden wél eensluidend: de WHO moet hervormen. De vraag is alleen hoe.

In de goed gevulde zaal de Subtropen trapte het hoofd van het health department van het KIT, Lindy van Vliet, af met een kort inleidend praatje waarna IOB-onderzoekster Kirsten Mastwijk een uitgebreide blik op het mede door haar geschreven rapport ‘Voorkomen is beter dan genezen’ wierp. “Kritiek op WHO is kritiek op onszelf”, liet zij haar toehoorders al snel weten. Waarna zij de conclusies en aanbevelingen die de IOB in het rapport deed op een rijtje zette.

Hoewel het een lastig en technisch onderwerp is (en blijft), zaten er dusdanig veel kenners in de zaal, dat al snel een discussie over het nut van de WHO ontstond. KIT-medewerkers, onderzoekers en personen met een werkverleden bij de VN en WHO vroegen zich af of er in het rapport niet alleen zaken staan die al die jarenlang bekend zijn. En waarom worden die dan niet opgelost? Trekken we niet aan een dood paard als we doorgaan met de WHO? Moet er niet een nieuw soort organisatie opgericht worden? En, kijkt Nederland wel genoeg naar zijn eigen rol als het kritiek levert op de WHO? Maar er klonk ook een ander geluid. Enkele aanwezigen wezen erop dat niet moet worden onderschat wat de WHO juist wél voor elkaar bokst. De organisatie krijgt – vaak terecht – een bak kritiek over zich heen, maar daardoor wordt de aandacht ook afgeleid van zaken die juist wel goed gaan. Zoveel mensen, zoveel meningen dus. Maar uiteindelijk beaamde iedereen dat er veranderingen moeten worden doorgevoerd binnen de logge organisatie die de WHO is.

Panel

Na een even luchtig als serieus intermezzo door de Afghaanse dichter Qader Shafiq, mocht een kwartet experts – Jur Toonen van het KIT, Corinne Hinlopen van Wemos, Joseph Seh van CCoLA en Maarten Oranje van Cordaid – hun licht laten schijnen over de staat van de WHO.

Dit gebeurde aan de hand van drie stellingen die zij voorgelegd kregen. (1) Je louter inzetten voor de verbetering van seksuele gezondheidszorg als de basisgezondheidszorg in een land niet functioneert is dweilen met de kraan open. Nederland kan zich daarom beter richten op steun aan gezondheidszorg in brede zin dan aan SRGR. (2) Het is in het belang van Nederland om veel meer aandacht en financiële steun te geven aan rampenparaatheid en rampenbestrijding via organisaties als de WHO dan aan ‘single-issue’ organisaties als Gavi (the Vaccine Alliance) en het Global Fund (aids, tuberculosis en malaria). (3) De WHO heeft als normerende en technische organisatie geen operationele rol te vervullen als het om gezondheidscrises als ebola gaat. Zij kan dit veel beter aan NGO’s overlaten.

Tijdens het gesprek over het eerste twistpunt gaf Toonen direct aan dat we echt eens af moeten van de ‘of-of-discussie’. “Het moet niet  langer een keus zijn tussen het een of het ander, maar we moeten bekijken hoe we het allebei kunnen doen. Zie de ebolacrisis. Als je een gezondheidsramp van die orde wil aanpakken, dan moet er een systeembenadering komen. Zo simpel is het.”

Joseph Seh toonde zich begripvol tegenover de keuze van minister Ploumen om een paar speerpunten in haar programma op te nemen, maar denkt niet dat het de juiste keuze is. “Ik sta er zelf niet achter, maar heb geleerd te accepteren dat er wordt ingezet op een paar specifieke zaken. De kiezer moet overtuigd worden, zien dat Ploumen zich in een korte periode kan inspannen voor een paar afgebakende issues. Daarom begrijp ik het als de minister een aantal doelen moet bedenken die haar beleid in vier jaar moeten vormgeven. Zeggen dat je vier jaar lang werkt aan de versterking van health systems is voor veel mensen waarschijnlijk niet concreet genoeg. Nogmaals, ik begrijp haar keuzes, maar sta er zelf niet achter. Het zou namelijk moeten gaan om de aanpak van de grondoorzaak in plaats van een paar symptomen.”

Corinne Hinlopen van Wemos, die vorige week al een lijvig opiniestuk voor de website van Vice Versa schreef, vindt dat er veel te zeggen is voor een one health approach. “Hoewel ik denk dat de minister het op het gebied van haar speerpunten goed heeft gedaan, zien we ook dat de focus op het grotere plaatje minder is geworden.”
Het laatste woord tijdens de discussie over het eerste punt was aan Maarten Oranje, die de huidige situatie treffend omschreef. “Het is nu zo dat iemand op je afstapt, je vastklampt en zegt: Ik ben bang ziek te worden, help mij. Waarop jij reageert met: Prima, ik help je. Want ik heb namelijk heel veel verstand van griep. Terwijl je eigenlijk moet zeggen: ga sporten, eet gezond, zorg dat je je goed wast. Kortom, doe er alles aan om niet ziek te worden. Ik ben er daarom ook van overtuigd dat Nederland niet per se meer moet doen, maar de zaken wel anders aan moet pakken.”

Het gesprek over de tweede stelling viel – letterlijk – een beetje tussen de eerste en laatste in, en leverde daardoor wat minder prikkelende bijdragen op. Al had Toonen nog een goede opmerking over de rampenparaatheid van de WHO. “Tijdens de ebolacrisis is er niet daadkrachtig opgetreden. Waarom niet? Omdat er te veel rompslomp bij kwam kijken, er moest te veel gewacht worden op orders van bovenaf. Als de organisatie van de WHO wordt gedecentraliseerd, dan zal in het geval van gezondheidscrises veel beter worden opgetreden. Hinlopen: “Natuurlijk door andere organisaties, zoals Gavi en UNAIDS, een hoop goeds. Maar de normzettende rol van de WHO is verschrikkelijk belangrijk. Hervormen is dus beter dan inzetten op andere partijen.”

Met haar opmerking sloeg Hinlopen een mooi bruggetje naar het laatste onderwerp. Toonen greep hier direct de gelegenheid aan om te wijzen op de succesvolle aanpak van de Sars-uitbraak in 2003. “Waarom is dat goed gegaan? Omdat daar een hoop op orde was. Wil je een goede aanpak, dan is een coördinerende taak dus vereist. Je kunt niet het een wel doen en het ander niet, zoals nu gebeurt. Dan blijven er grote gezondheidscrises opspelen.”
Seh laat zich vervolgens verleiden om de aanpak van een gezondheidscrises te vergelijken met behandeling die hij recent kreeg bij een tandarts. Tot hilariteit van de zaal. “Toen ik naar de tandarts ging ben ik op drie verschillende manieren aan mijn gebit geholpen. Ik kwam binnen, werd gecontroleerd en kreeg daarna te horen: we gaan dit doen, maar ook dit én ook nog dat. Er zijn dus allemaal uiteenlopende behandelingen die er uiteindelijk samen voor zorgden dat mijn gebitsproblemen verholpen zijn. En zo zou het ook moeten gaan bij de aanpak van gezondheidscrises. Als je het ene doet, moet je ook het andere doen.”

Hinlopen: “Dit zijn lastige vragen. Soms vraag je je af of we de WHO een ander mandaat moeten geven of, zoals sommigen voorstellen, misschien maar moeten opdoeken. Wat mijn verstandig lijkt is dat Nederland zich, zeker nu het in de uitvoerende raad van de WHO zit, meer moet uitspreken over wat het nu wil met de Wereldgezondheidsorganisatie. Het is voor zowel Nederland als de WHO van belang om nu je plaats te bepalen ten aanzien van de gezondheidsproblemen.”

Het laatste woord was aan Oranje en die wees ter afsluiting op het opereren als natiestaat versus het optreden als wereldwijd collectief bij de aanpak van gezondheidscrises. “In het framework waarin wij denken kan een natiestaat niet meer zelfstandig opereren. Maar dat gebeurt helaas nog wel. Dat is niet meer van deze tijd, want de meeste grote problemen raken ons allemaal. Sterker nog, je zou de natiestaat eigenlijk moeten opheffen als het op dit soort zaken aankomt. Maar goed, dat is weer een hele andere discussie.”