Waar blijft de Nederlandse strategie voor mondiale gezondheid?

CorinneOPINIE- Nu het IOB-rapport over de Nederlandse steun aan de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is verschenen, is het volgens Corinne Hinlopen van Wemos tijd om stelling te nemen op wat er in de evaluatie staat. En er zijn nogal wat punten die om actie vragen. Het Nederlandse kabinet heeft de afgelopen jaren veel steken laten vallen en het veel beter kunnen doen, bijvoorbeeld tijdens de Ebola-crisis.

De IOB-evaluatie maakt ons blij. Heel blij. Wij voelen ons gesterkt in onze standpunten over de rol van de WHO, de noodzaak tot steun voor versterking van zwakke zorgstelsels en de noodzaak van de ontwikkeling van een Nederlandse Global Health Strategy. De evaluatie werd uitgevoerd naar aanleiding van een Kamermotie, waarin Tweede Kamerleden hun zorg uitten over de aanpak van de ebolacrisis van 2014 in West-Afrika. Zij wilden een antwoord krijgen op prangende vragen zoals: had de ebola-uitbraak niet voorkomen kunnen worden? Waarom was er niet eerder alarm geslagen? Waar was de Wereldgezondheidsorganisatie? En vooral ook: welke verantwoordelijkheid had de Nederlandse overheid in dit alles? Had Nederland het beter kunnen doen? Ik kan u verklappen: ja. Veel beter.

In niet mis te verstane bewoordingen stelt de IOB in haar rapportage dat Nederland (evenals het merendeel van de donorgemeenschap, overigens) pas in actie kwam toen duidelijk werd dat de ebola-uitbraak in West-Afrika ook gevolgen voor Nederland zou kunnen hebben. Dat slecht functionerende gezondheidssystemen risico’s met zich mee brengen voor de lokale bevolking en de efficiënte terugdringing van een virusuitbraak belemmeren, wisten we wel. Maar dat werd hier in Nederland pas een gespreksonderwerp toen ebola niet netjes in Afrika bleef maar Europa binnenkwam. Bovendien is Nederland, aldus de IOB, mede verantwoordelijk voor de problemen binnen de WHO waardoor de organisatie steken heeft laten vallen bij het indammen van de ebola-uitbraak.

Stiefkindje

De WHO is jarenlang een stiefkindje in het kabinetsbeleid geweest. Het IOB-rapport stelt dat Nederland een ambigu beleid voert als het op de WHO aankomt. Enerzijds erkent de overheid terecht dat de binnenlandse volksgezondheid sterk afhankelijk is van de kwaliteit van gezondheidssystemen in andere delen van de wereld. Anderzijds resulteert dit besef niet in voldoende (financiële) steun en erkenning voor de WHO om te werken aan versterking van zorgsystemen in landen waar dat nodig is.

Tijdens de evaluatieperiode (2011-2015) is de jaarlijkse Nederlandse financiële bijdrage aan de WHO gedaald. Ook de steun van Nederland voor broodnodige hervormingen van de WHO was minimaal. Het kabinet hanteerde een cirkelredenering: voordat de financiële bijdrage omhoog kan, moeten de hervormingen van de WHO tot zichtbare veranderingen hebben geleid. Dit is natuurlijk niet realistisch, want veranderingen kosten tijd en geld. En als daar geen ruimte en volmondige steun van lidstaten voor komt, wordt het lastig.

De WHO heeft wel geld, maar dat zit voor een steeds groter deel in geoormerkte bijdragen. Dat wil zeggen dat donoren bedragen beschikbaar stellen voor specifieke programma’s en gezondheidsuitdagingen, zoals aids, malaria of tuberculose. Echter, de ongeoormerkte bijdragen van lidstaten aan de WHO, waaronder de vaste jaarlijkse contributie, krimpen. Terwijl de WHO dat geld hard nodig heeft voor haar hervormingen, voor rampenparaatheid en voor het versterken van gezondheidssystemen wereldwijd – allemaal taken die ook deel uitmaken van het mandaat van de WHO. In 2015 was van de Nederlandse bijdrage aan WHO 50% ongeoormerkt. In 2011 was dat nog bijna 60%. Dat is nogal een daling. Wat wordt daarin de kabinetslijn voor de komende jaren?

Nu Nederland tot de Uitvoerende Raad van de WHO is toegetreden (in mei jl.) is onze hoop dat Nederland het pleidooi voor een verhoging van de verplichte bijdrage van alle lidstaten weer zal agenderen. Immers, dat is een van de manieren om het niet-geoormerkte programmabudget van de WHO te verhogen.

Onderbelicht

De noodzaak om te investeren in de versterking van gezondheidssystemen blijft onderbelicht in het buitenlandbeleid. Het is een vergissing om te denken dat gezondheidssystemen alleen nodig zijn om uitbraken van infectieziekten in te dammen. De successen van het speerpunt ‘seksuele en reproductieve gezondheid en rechten’ (SRGR) binnen het beleid voor ontwikkelingssamenwerking staan of vallen met goed functionerende gezondheidssystemen in de partnerlanden. Maar helaas: sinds 2011 heeft Nederland juist bezuinigd op haar bijdragen aan systeemversterking.

In een eerdere evaluatie uit 2013 [1] concludeerde dezelfde IOB dat door ‘het besluit [in 2011] om de sectorale steun aan gezondheidssystemen af te bouwen […] de vooruitgang in die sector afneemt. [Daardoor] kan de zuigelingen- en moedersterfte minder snel afnemen.’ Het is treurig om te constateren dat die conclusie toen niet meteen heeft geleid tot het terugdraaien van dat besluit. Met een behoud van investeringen in gezondheidssystemen in 2011 had de overheid veel vrouwen en kinderen kunnen helpen. Ook de nu zittende minister Ploumen die veel investeert in SRGR heeft onvoldoende geïnvesteerd op het systemische niveau. Terwijl haar doelen ongetwijfeld effectiever worden behaald door gelijktijdig te investeren in de basisgezondheidszorg, juist omdat kinderen en vrouwen daar veel baat bij hebben.

Richting

Als voorkomen beter is dan genezen, lijkt ons een meerjarige overheidsbrede strategie voor Global Health een perfect richtinggevend kader om besluiten over dergelijke investeringen te legitimeren. Ook extra toekenningen aan Global Health-initiatieven en aan UNAIDS zouden binnen dat kader kunnen plaatsvinden. Want terwijl de Nederlandse bijdrage aan de WHO over de periode 2011-2015 zo’n 115 miljard euro bedroeg, ontvingen de Global Fund, GAVI en UNAIDS in diezelfde periode samen een slordige 530 miljard euro. Ik vraag me af welke redenering daaraan ten grondslag ligt. Het op- of afbouwen van steun aan een Global Health Initiative of aan een multilaterale organisatie zou perfect getoetst kunnen worden aan de doelen die de overheid stelt als ze zo’n overheidsbrede Global Health-strategie heeft ontwikkeld. Hetzelfde geldt voor de prioriteiten die Nederland wil uitdragen tijdens het lidmaatschap van de uitvoerende raad van de WHO (2016-2019), en de doelstellingen in het nieuw te onderhandelen bilaterale partnerschap tussen Nederland en de WHO (vanaf 2017). En laten we niet bang zijn om daarin een grote broek aan te trekken; Minister Schippers heeft met de recente inspanningen voor toegang tot geneesmiddelen en bestrijding van antibioticaresistentie laten zien dat Nederland een voorloper kan zijn op belangrijke thema’s.

Tot slot

De resultaten van de IOB-evaluatie vragen om actie. Ik denk dat een Nederlandse strategie voor Global Health een uitstekend kader biedt om te bepalen welke Nederlandse acties nodig zijn om gezondheid wereldwijd te beschermen. Het zou goed zijn als ambtenaren van diverse departementen al dit najaar starten met sparren over de concrete doelen van zo’n strategie. Dan kan het volgende kabinet daar direct mee aan de slag. Wemos draagt graag bij aan de ontwikkeling en concretisering van die strategie. Daar wordt iedereen beter van.

[1] IOB Evaluatie Nieuwsbrief #13 09.

Komende vrijdagmiddag 9 september organiseert Vice Versa het debat ‘Voorkomen is beter dan genezen’ over de bevindingen van het IOB-rapport. Voor meer informatie en aanmelden: https://hetnieuwe.viceversaonline.nl/events/voorkomen-is-beter-dan-genezen/