Door:
Ayaan Abukar

11 augustus 2016

Categorieën

Tags

Foto: Leonard Faustle

Cacao uit Ivoorkust heeft al jaren een bittere bijsmaak vanwege aanhoudende berichten over kinderarbeid. Westerse bedrijven proberen er iets aan te doen, maar kunnen zij dit probleem wel oplossen? Wat heeft het te maken met andere problemen in het land en wie is ervoor verantwoordelijk? Ellen Mangnus geeft haar tegendraadse visie.

Ivoorkust is de grootse wereldproducent van cacao. Zo’n 900.000 kleine boeren produceren de bonen, die naar schatting 6 van de 22 miljoen Ivorianen werk en inkomen bezorgen. Cacaobonen verbinden de hoogste ambtenaar met de meest geïsoleerde boer en de lokale handelaar met de westerse consument.

In het jaar 2000 werd die consument wakker geschud. De BBC onthulde dat zeker 15.000 Malinese kinderen als slaaf op cacaoplantages in Ghana en Ivoorkust werkten. Duizenden Cadbury en Mars-etende Europeanen beschuldigden de industrie van uitbuiting. Spoedig ondertekenden de grote bedrijven het Harkin-Engel protocol, waarmee ze zich committeerden aan het verbeteren van de situaties op de plantages en ernaar te streven om in 2005 de ergste vormen van kinderarbeid te hebben uitgebannen.

Ondanks hun macht in de keten blijkt het lastig voor de ondertekenaars om het probleem te bestrijden. Nog regelmatig publiceren journalisten over leed in de cacao. De Amerikaanse Tulane Universiteit rapporteerde in 2015 dat er in de twee voorgaande jaren nog zo’n twee miljoen kinderen op de cacaoplantages in Ivoorkust en Ghana werkten.

Wat heeft kinderarbeid te maken met de problemen in Ivoorkust en wie is ervoor verantwoordelijk? Ik ging op onderzoek uit.

 Definities van kinderarbeid

De auto vliegt over een bijna lege asfaltweg. Cacao, rubber, palmolie – als een rangschikking van verschillende kleuren groen flitsen de plantages aan me voorbij. We nemen een zandweggetje. Een te dun meisje met een flinke takkenbos op haar hoofd stiefelt langs de kant van de weg. Straaltjes zweet sijpelen langs haar gezichtje. Het grijze wolkendek van vanochtend heeft plaatsgemaakt voor een hoge, brandende zon. Een kranige man op een fiets peest zichzelf geconcentreerd de heuvel op. Dan valt mijn oog op twee lachende jongetjes en een meisje. De ene jongen heeft een tros mais in de hand, de andere een machete, en het meisje heeft een gifspuit op haar rug. De kinderen dollen en zien er doorvoed uit. Toch maakt mijn hart een alarmerend sprongetje: kinderarbeid! Tegelijkertijd doemt een jeugdherinnering op van mijzelf met een kapper op een aardappelveld. Mijn ouders hebben een boerderij en twee keer per jaar gingen mijn broertje, zusje en ik met mijn ouders en opa mee om onkruid te wieden. Na drie rijtjes wieden vonden we het vaak wel mooi geweest en speelden we aan de kant. Ik vraag me af: wanneer is iets kinderarbeid? En hoe kan het oog van de buitenstaander zien wanneer het om uitbuiting gaat?

De International Labor Organisation spreekt van kinderarbeid wanneer kinderen onder de 12 jaar werken, wanneer kinderen tussen 12 en 14 zwaar werk moeten doen en wanneer kinderen onder de 18 gevaarlijk werk moeten doen. Gevaarlijk werk is al het werk wat mogelijk de gezondheid, veiligheid of moraal van kinderen beschadigt. Met betrekking tot cacao betekent dit het gebruik van machines, het dragen van zakken met cacaobonen en blootstelling aan pesticiden en chemicaliën. Van kinderslavernij spreekt men als het om gedwongen arbeid gaat.

Dorte Thorsen, wetenschapper aan het Nordic Africa Institute in het Zweedse Uppsala, trekt deze definitie in twijfel. In westerse samenlevingen hanteren we afgebakende categorieën als peuter, kind, puber en adolescent. In principe worden alle kinderen tot 17 jaar gezien als afhankelijk en werkloos en vinden we dat ze ruimte horen te hebben om te spelen en naar school te gaan. Uit haar antropologisch onderzoek in het zuiden van Burkina Faso blijkt dat in veel gemeenschappen daar leeftijd juist een fluïde begrip is. De positie van iemand op de ladder naar volwassenheid is afhankelijk van een aantal aspecten. Allereerst van zijn fysieke vermogen. Is zij of hij sterk en volgroeid genoeg om zelfstandig te wonen en werken? Zelfredzaam? En als laatste moet de gemeenschap de persoon als verantwoordelijk beoordelen: kan zij of hij zorgdragen voor anderen?

Thorsen stelt dat de criteria om iemand te bestempelen als een kind of als een volwassene, cultureel en sociaal geconditioneerd zijn. Volgens haar moeten we voorzichtig zijn met het duiden van een praktijk als kinderarbeid. Dat geldt ook voor kindermigratie. Vaak wordt gesteld dat arme ouders uit noodzaak hun kind eropuit sturen om te verdienen. Thorsen ontdekte dat in veel gemeenschappen in Burkina Faso migratie een belangrijk onderdeel is van het volwassen worden. Vaak besluiten kinderen zelf om te migreren. Uit haar onderzoek blijkt dat de tijdelijke afzondering van de gemeenschap gezien wordt als een manier om autonoom te worden en levenservaring op te doen. Bovendien blijkt dat veel 16- tot 18-jarigen een zwaar baantje in een onbekende stad verkiezen boven de landbouwactiviteiten en de sociale druk van hun dorp en familie.

Het maakt me nog niet wijzer over de kinderen die op de cacaoplantages werken – worden ze nu wel of niet uitgebuit? Ik pols het bij de Ivoriaanse onderzoekers met wie ik werk.

De ernst van het probleem

Een onderzoeker van het Nationaal Centrum voor Agrarisch Onderzoek in Abidjan schampert: ‘Jullie westerlingen trekken kinderarbeid in de cacao compleet uit zijn verband en context. Van wie heb jij die nootjes daar gekocht? Juist’, zegt hij: ‘Van een meisje langs de weg.’ Hij vervolgt: ‘Heb je hier wel eens op een markt rondgelopen? Wat zie je daar? Inderdaad: honderden kinderen die na school ouders helpen met sjouwen en verkopen.’ Hij vervolgt: ‘Ga een keer de bananenplantages of de katoenvelden in, dan zal je zien hoeveel kinderen daar werken: cacao is er niets bij. In onze samenleving is het normaal dat kinderen meedraaien in het economische leven van hun familie.’

Ik schrik: dat meisje met de zware pan water op haar hoofd, de jongens die koffers van reizigers op het dak van de bus tillen, het ranke joch dat een zware kar met brandhout voortduwt. Ik heb het nooit eerder beseft: ze waren onderdeel van het chaotische straattafereel. Nu dringt het tot me door: deze economie draait op kinderhandjes. Overal zijn ze. In restaurants, winkels, bussen en velden. Werkende kinderen zijn niet louter een cacaoprobleem.

Toch vind ik het vreemd dat het cultureel geaccepteerd zou zijn dat kinderen werken. Internationaal hebben we toch al lang besloten dat kinderen naar school horen te gaan?

‘De plantage is onze leerschool. Voor veel plattelandskinderen biedt de publieke school geen toekomst. De landbouw wel. En landbouw leer je in de praktijk. Beetje bij beetje, van je familieleden’, zegt een landbouwkundige van een cacao-onderzoeksinstituut in Soubré. Hij vervolgt: ‘Wees gerust, het is heus niet zo dat kinderen dezelfde werkzaamheden als hun ouders verrichten.’

Zijn omschrijving komt overeen met wat Thorsen observeert in onderzoek naar kinderarbeid in een dorp in Burkina Faso. Kinderen in de leeftijd 8 tot 10 zijn verantwoordelijk voor het grazen van de geiten en schapen. Zodra zij interesse tonen in landbouw krijgen ze gereedschap, emmers en karretjes die aangepast zijn aan hun fysieke kracht. Vanaf 12 of 13 gaan ze mee het land op om te helpen. Ze mogen dan zelf bepalen hoe lang ze werken en ook nog spelen. De meesten krijgen al snel een eigen stukje land om mee te oefenen. Daarmee stimuleren de ouders hen om zelfstandig economische activiteiten op te nemen. Heel geleidelijk worden ze zo klaargestoomd voor een leven als landbouwer. Volgens Thorsen hebben de internationale instituten een westerse bril op. Ze stelt dat zaken als educatie en arbeid gestaafd worden aan de westerse normen en moraal. Daardoor bestempelen ze praktijken die elementair zijn binnen de Afrikaanse samenleving als fout.

Ik stel de landbouwkundige mijn prangende vraag: ‘Maar hoe zit het dan met de rechten van een kind op educatie? Die zijn toch ook door Ivoorkust ondertekend?’

‘Dat klopt’, beaamt de landbouwkundige. ‘Zo hoort het te zijn. Dat is de ideale situatie. Maar om dat in de praktijk te realiseren moet er wel een functionerend onderwijssysteem zijn. Loop hier maar eens een plattelandsschool binnen. Je zult al snel concluderen dat kinderen weinig opsteken van alle uren die ze in de schoolbanken spenderen. De meeste komen de examens niet door en halen nooit een diploma.’ Hij vervolgt: ‘Bovendien brengt een diploma ze nergens. De jeugdwerkeloosheid in Ivoorkust is enorm. De landbouw biedt meer zekerheid voor de toekomst.’

Het wordt in veel studies als hoofdoorzaak van kinderarbeid genoemd: het gebrek aan scholen en de gebrekkigheid van de scholen die aanwezig zijn. Er is een tekort aan lesmateriaal, of er is maar één leraar voor 60 kinderen, en sanitair ontbreekt. Veel meisjes voelen zich veiliger bij moeder in het veld dan bij leraren met losse handjes. Het is duidelijk dat de plattelandsscholen in Ivoorkust een kind geen toegangsbrief naar een welvarende toekomst bieden. Veel van de kinderen kunnen na het afronden van de basisschool nog niet eens schrijven.

Wat kunnen we doen?

Een cultureel geaccepteerd gebruik of een economische noodzaak? Uitbuiting of een logische keuze? Feit blijft dat er vermoedelijk vele kinderhanden ingezet worden om het basisingrediënt te produceren van het goedje waar wij met z’n allen zo dol op zijn. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat deze kinderen niet lijden?

Toen in 2001 de situatie aan het licht kwam, werd de strijd tegen kinderarbeid meteen aangegaan. Bedrijven financierden trainingen aan boeren en de bouw van scholen. In ieder cacaodorp werden schilderingen op gemeentehuizen gemaakt om duidelijk te maken wat kinderen wel en niet mochten doen in de cacaoteelt. Het zette weinig zoden aan de dijk: in 2009 bleek de situatie amper veranderd.

Veel ontwikkelingsprojecten betrekken nu de gemeenschap in de strijd tegen kinderarbeid. Hun gedachtegang is dat verandering van onderop en binnenuit gerealiseerd moet worden, met de gemeenschappen waarin kinderen een risico lopen te moeten werken. Gezamenlijk wordt er gekeken wat de oorzaken zijn en wat er moet gebeuren om de situatie te veranderen.

Sidi Camara vindt het maar hypocriet. Deze jonge cacaoboer is door het Vision for Change-programma van Mars opgeleid als ‘cacaodokter’ en adviseert nu de boeren in zijn dorp over het verbeteren van de productiviteit. ‘Jullie zetten je alleen in voor de strijd tegen kinderarbeid op de cacaoplantages, omdat jullie geen chocolade van kinderhandjes willen consumeren. Alsof daarmee kinderarbeid uitgeroeid wordt! Boeren telen ook rubber en bananen.’ Hij vindt het idee van de monitoring comités naïef: ‘Allereerst is het probleem niet zo groot als wordt voorgespiegeld’, zegt hij. ‘Je eigen nazaten, je eigen bloed, die kun je niet uitbuiten. Dat doe je niet.’ Hij vervolgt: ‘Ook geloof ik er niet in dat boeren elkaar zullen controleren. Hoe zie je dat voor je? Dat ze hun buurman op de vingers gaan tikken?’ Camara betwijfelt of de acties op dorpsniveau tot structurele verandering zullen leiden.

Ook de Ierse journaliste Órla Ryan, die vier jaar lang voor Reuters onderzoek deed naar de cacaosector in Ghana en Ivoorkust, schrijft in haar boek Chocolate Nations: Living and Dying for Cocoa in West Africa dat het probleem voornamelijk bij de internationale markt ligt en bij de overheid die veel belasting heft op de cacao-export. Bovendien, stelt ze, is de situatie in de praktijk onbegrijpelijk complex voor de Europese consument. Ze spreekt boeren die lid zijn van een fairtrade coöperatie, maar die toch tegen lagere prijzen elders verkopen, omdat ze de handelaar al lang kennen of omdat ze snel cash nodig hebben. Ook haalt ze studies aan die aantonen dat in de cacaoregio relatief meer kinderen naar school gaan dan in plattelandsgebieden waar geen cacao geproduceerd wordt. Volgens Ryan kunnen keurmerken en fairtrade labels wel helpen meer aandacht te werven voor de situatie van de arme boer, maar zijn de effecten van hun strijd gering. Uit haar berekeningen blijkt dat een westerse consument minstens 4 euro moet betalen voor een reep van 100 gram, wil de boer in Ivoorkust een eerlijke prijs betaald krijgen.

De beste actie

De auto zoeft weer over de bijna lege asfaltweg. Ik tuur uit het raam. Voor mijn gevoel ben ik weinig wijzer geworden over de werkelijke situatie van kinderen in de cacaogebieden van Ivoorkust. Worden ze uitgebuit? Of is een dag op de plantage de beste van alle slechte opties? Wel is het me duidelijk geworden dat de omstandigheden van de boerenfamilies moeilijk te doorzien zijn met een westerse bril.

Hoe dan ook, zelfs al zou je leeftijd door een West-Afrikaanse bril als fluïde kunnen zien en de plantage als een school waarin ouders hun kinderen een vak onderwijzen, feit blijft dat de situatie van de cacaoboeren in Ivoorkust weinig rooskleurig is.

Misschien is de beste actie die we kunnen ondernemen wel om ons eigen gedrag aan de westerse normen en moraal te staven en een zo eerlijk mogelijke prijs beginnen te betalen. Want of de meest effectieve verandering nu gerealiseerd moet worden vanuit de gemeenschap, of door wetgeving vanuit de overheid, dat wij als Europese consumenten meer zouden moeten betalen staat buiten kijf.

Dit artikel verscheen in de cacaospecial van Vice Versa. Wilt u de hele special ontvangen? Neem dan via onze website een abonnement op Vice Versa of bestel de special los voor tien euro via info@viceversaonline.nl

 

 

 

 

 

 

 

Communities need land rights to gain from investments

Door Siri Lijfering | 26 oktober 2020

Communities being able to participate on an equal basis in land governance is key to food security and inclusive development. How can securing land rights pave the way for responsible investments and what can we learn from experiences with the palm oil industry? To answer these questions we turn to West Africa where two activists are fighting for their communities’ right to land. ‘If we want to move forward, we need to share the wealth that the land brings.’

Lees artikel

How to make smallholder farmers an interesting investment opportunity

Door Hans van de Veen | 22 oktober 2020

Smallholder farmers and small agrifood enterprises are key for sustainable food systems in Africa. They need access to capital, but banks consider it tedious, costly and too much of a risk to invest in them. Initiatives like the IDH Farmfit Fund and crowdfunding platform PlusPlus have been set up to try to break this deadlock. Can these new funds assist smallholder farmers and companies to become a commercially interesting opportunity for financial institutions?

Lees artikel

‘Minister Kaag schuift de verantwoordelijkheid voor de bescherming van mensenrechten door naar Europa’

Door Kelly Groen | 21 oktober 2020

Terwijl landen om ons heen nationale wetgeving optuigen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen, laat Nederland het initiatief aan de EU. Zo schuift de minister de oplossing tegen mensenrechtenschendingen door Nederlandse bedrijven op de lange baan, schrijft Kelly Groen van ActionAid.

Lees artikel