Door:
Janneke Juffermans

29 maart 2016

Tags

wiebeWiebe Bijker, bestuursvoorzitter van de NWO-WOTRO, is ervan overtuigd: ‘Van internationaal georiënteerd onderzoek wordt de wetenschap beter.’ Om nieuw Nederlands onderzoek met bewuste aandacht voor de meest kwetsbaren in de wereld te stimuleren, werd hierover op 9 maart met een zeer divers gezelschap gebrainstormd. Bijker kijkt tevreden terug en vertelt over de vervolgstappen die hij zal nemen.

Hoe kunnen recht en andere vormen van regulering voldoende rechtszekerheid bieden en tegelijkertijd inspelen op maatschappelijke kansen en uitdagingen?’ Het is één van de 140 vragen van de Nationale Wetenschapsagenda die vorig jaar is geformuleerd om richting te geven aan nieuw Nederlands onderzoek. In datzelfde jaar werden de Sustainable Development Goals (SDG’s) mondiaal vastgelegd. Sommige overeenkomsten zijn overduidelijk. Wat te denken van bovenstaande vraag en duurzaamheidsdoel 16: ‘Provide effective justice for all and build effective, accountable and inclusive institutions at all levels.’ Dat klinkt als een match!

Kansen

Er zijn veel meer dwarsverbanden tussen de Nationale Wetenschapsagenda en de SDG’s te vinden, aldus Wiebe Bijker, bestuursvoorzitter van NWO-WOTRO Science for global development en hoogleraar techniek en maatschappij aan de Universiteit van Maastricht. Toch neigt de Nationale Wetenschapsagenda dit soort wetenschappelijke vragen te beperken tot de Nederlandse context, en dat is zonde. Bijker legt uit hoe de Nationale Wetenschapsagenda in elkaar zit en welke kansen kunnen blijven liggen: ‘De Nationale Wetenschapsagenda is gebaseerd op bijna 12.000 vragen, die zijn geformuleerd door Nederlandse burgers, organisaties en onderzoekers. Om er structuur in aan te brengen zijn ze gebundeld tot 140 overkoepelende vragen en zestien verschillende routes. De zestien routes bieden invalshoeken om bepaalde vragen met elkaar te verbinden, en ze tegelijkertijd aan een hoger maatschappelijk doel te verbinden, zoals een veiliger samenleving. De zestien routes zijn nogal Nederlands georiënteerd. Er zitten vragen tussen die zich expliciet op het buitenland richten, maar veel vaker is dat niet zo en beperkt de onderzoeksvraag zich tot de Nederlandse context. Wij vonden het daarom van belang om een extra route te ontwikkelen met expliciete aandacht voor inclusieve mondiale ontwikkeling.’

NWO-WOTRO organiseerde samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Partos, de Worldconnectors en PIE op 9 maart een dag voor wetenschappers, beleidsmedewerkers, ngo-medewerkers en ondernemers om die route verder uit te stippelen. Het gezelschap ging in groepen uiteen om over vijf verschillende thema’s te discussiëren: conflict en recht, voedselzekerheid en circulaire economie, gezondheid, kwaliteit van de omgeving en energie, en veerkrachtiger samenlevingen.

Positieve reacties

De aanloop naar 9 maart ging soepel, vertelt Bijker: ‘NWO-WOTRO benaderde de andere vier partners en zij reageerden snel. Binnen twee weken was het plan voor de workshop en het vervolgtraject rond, met als doel om in juni een mondiaal investeringsvoorstel aan de Stuurgroep van de Nationale Wetenschapsagenda te overhandigen. Ook het secretariaat van Nationale Wetenschapsagenda reageerde positief op het initiatief. Bijker: ‘Dat de ontwikkelingsdimensie niet duidelijk in de zestien routes terugkwam, was niet bewust zo gedaan. Soms gebeuren dingen zonder dat men zich realiseert welke onbedoelde effecten het heeft. Toen we betrokkenen hierop wezen, vond iedereen het een goed idee om daar verandering in te brengen.’

Mondiaal denken is blijkbaar voor veel burgers – en wellicht ook voor de wetenschappers die hun opmerkingen vertaalden naar de 140 vragen – nog niet vanzelfsprekend, ook al wordt bij navraag het belang ervan erkend. Een klassiek emancipatieprobleem, denkt Bijker. ‘Idealiter was deze route helemaal niet nodig geweest. Dan was de ontwikkelingsdimensie een heel vanzelfsprekend, herkenbaar en gemainstreamed onderdeel geweest in alle routes. Misschien is dat in een Nationale Wetenschapsagenda over een aantal jaar wel het geval, maar op dit moment is de aparte aandacht in de vorm van een extra route nog hard nodig.’

Financiering 

Het beoogde investeringsvoorstel voor de Nationale Wetenschapsagenda moet de komende maanden vorm krijgen. ‘De discussies van woensdag worden vertaald in concrete en goed uitgewerkte themabeschrijvingen, samenwerkingsverbanden, onderzoeksvragen en financieringsplannen. Dat werk moet nog gebeuren, maar de workshops waren zeer bemoedigend. De belangstelling was zo groot dat we vijftig mensen moesten weigeren omdat er geen plek meer was. Het was niet wenselijk om de themagroepen nog groter te laten worden: dan waren er te veel mensen geweest om samen een inhoudelijke discussie te voeren. Onderzoekers, beleidsmakers, afgevaardigden uit het bedrijfsleven en ngo-medewerkers zaten samen in deze themasessies. Mensen die elkaar niet heel vaak tegenkomen. Dat was inspirerend! Aan het einde van de dag was iedereen het erover eens dat er zo’n investeringsvoorstel moet worden geformuleerd. Dat vind ik de allergrootste winst.’ Ook is Bijker tevreden over het inhoudelijke resultaat. ‘Er is een aantal heel concrete vraagstukken uitgetekend voor elk van de vijf thema’s. Met dit basismateriaal gaan we tussen nu en juni een overtuigend verhaal formuleren, dat een buitenstaander ook over de streep moet trekken.’

Jeroen Verheul, ambassadeur Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking noemde tijdens de bijeenkomst al redenen die buitenstaanders kunnen overtuigen: solidariteit, verlicht eigenbelang (als het met anderen elders ter wereld goed gaat, profiteren wij daar ook van) en hard eigenbelang (zoals het voorkomen van ziekten die ons ook kunnen treffen). Bijker kan zich daarin prima vinden. ‘Graag voeg ik er nog een reden aan toe: het is voor onze wetenschap enorm verrijkend om vanuit een internationale dimensie te onderzoeken en met onderzoekers in ontwikkelingslanden samen te werken. Zo krijgen Nederlandse wetenschappers niet alleen toegang tot ander empirisch materiaal, maar komen ze ook in aanraking met andere theoretische perspectieven en ethische invalshoeken.’

Lessen uit India

Hij noemt een voorbeeld: ‘Ik heb veel onderzoek in India gedaan en denk dat Nederland veel kan leren van de Indiase democratie. Tussen alle niveaus in de maatschappij, lokaal en binnen gemeenschappen, maar ook nationaal en internationaal, wordt er overlegd en samengewerkt. Dat wil niet zeggen dat alles in pais en vree verloopt en er altijd consensus is. Het is beslist geen ‘polderen’. In India wordt hevig gediscussieerd, en soms worden tegenstellingen opgezocht in plaats van dat men naar een gemeenschappelijke basis zoekt. Maar mensen zijn er heel expliciet vanuit verschillende niveaus bezig met wetenschap en techniek om bepaalde problemen aan te pakken. Ngo’s proberen bijvoorbeeld dorpen pesticide-vrij te maken en pendelen intussen op en neer naar het ministerie. Bij ons is de kloof tussen beleidsmakers en de gewone burger heel groot geworden.’ Bijker ziet dan ook veel wederzijdse voordelen van de extra onderzoeksroute: ‘Voor de Nederlandse wetenschap is het heel vruchtbaar en verrijkend om die internationale dimensie toe te voegen. We worden er beter van en kunnen iets toevoegen aan de wereld!’

Andersom kunnen andere landen kunnen ook van Nederland leren en profiteren. ‘Er zijn veel specifieke wetenschapsgebieden waarin Nederland heel goed is, zoals gentechnologie, voedselzekerheid en waterbeheer.’ Maar dat niet alleen. ‘Nederland staat ook echt aan de top als het gaat om transdisciplinair wetenschappelijk onderzoek. We linken niet alleen verschillende wetenschapsgebieden met elkaar, maar we kunnen ook stakeholders van allerlei pluimage – zoals burgers en maatschappelijke organisaties –  bij wetenschappelijk onderzoek betrekken, als dat voor een probleem relevant is. Er is geen land waar dat op deze manier gebeurt.’

De komende week verschijnen op deze website de interviews met de voorzitters van de werksessies conflict en recht, voedselzekerheid en circulaire economie, gezondheid, kwaliteit van de omgeving en energie, en veerkrachtiger samenlevingen.

Opinie: ‘Brief minister Kaag over maatschappelijk middenveld: analytisch zwak en weinig ambitieus’

Door Fons van der Velden | 09 juli 2019

Het is een groot goed dat de Nederlandse overheid zoveel fondsen ter beschikking stelt voor de versterking van maatschappelijke organisaties en maatschappelijk middenveld, schrijft Fons van der Velden in deze opiniebijdrage naar aanleiding van de kamerbrief van minister Kaag. Maar hij vindt de brief analytisch zwak en van weinig ambitie getuigen. Wat had beter gekund?

Lees artikel

Tip 3 aan Kaag: ‘Lever in op je privilege en geef zuidelijke organisaties meer inspraak bij het bepalen van prioriteiten’

Door Lizan Nijkrake | 08 juli 2019

Minister Kaag werkt hard aan een nieuw subsidiekader voor het maatschappelijk middenveld. Ze wil meer eigenaarschap geven aan zuidelijke ngo’s om hen meer legitimiteit te geven, en ziet daarbij een andere rol voor Nederlandse organisaties. Vice Versa vroeg vier zuidelijke organisaties hoe zij dit zien. Wat is hun gouden tip voor onze minister? Met vandaag Carla López Cabrera, directeur van Fondo Centroamericano de Mujeres (FCAM) in Nicaragua, een feministisch fonds dat lokale vrouwenrechtenbewegingen in Centraal Amerika steunt.

Lees artikel

Shifting fundamental power issues in funding relationships

Door Evelijne Bruning Ruerd Ruben en Lau Schulpen | 02 juli 2019

This article claims that the current aid architecture favours clientilism, dependency and short-term projects. The authors Evelijne Bruning (The Hunger Project) Ruerd Ruben (Wageningen University & Research) and Lau Schulpen (Radboud University Nijmegen) are suggesting four possible ways to overcome this in order to shift power closer to the ground.

Lees artikel