Skip to content

 

Door:
Saskia Brand

22 december 2015

Tags

paper stackBLOG – Saskia Brand (MDF) evalueert de subsidieaanvraag voor het Funding Leadership and Opportunities for Women (FLOW), en ziet dat van organisaties een veel te grote investering wordt gevraagd die voor bijna niemand iets oplevert. Een vernietiging van schaars kapitaal.

Het Funding Leadership and Opportunities for Women (FLOW) programma was tot voor kort één van de parels van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. De overheid stelde middels dit programma fondsen ter beschikking van vrouwengroepen uit het Zuiden. Een unicum, waarmee ons land wereldwijd lof oogstte.

Dit voorjaar werd de tweede subsidieronde van dit programma aangekondigd. Er zou 93 miljoen euro verdeeld worden voor een periode van vijf jaar onder organisaties die daarvoor de beste voorstellen schreven. Nieuw was dat het fonds ook voor Nederlandse organisaties werd opengesteld. Ook nieuw: van gemiddeld 2,4 miljoen euro per project, werd het budget opgeschroefd naar vijf tot vijftien miljoen euro. Omdat dit gekoppeld werd aan de omzet van de aanvrager, werden hiermee organisaties met een jaarbudget lager dan zevenhonderd duizend euro uitgesloten van deelname. Er werd nogal wat gevraagd van de indieners. De aanvraag behelsde diverse onderdelen, die aan talrijke criteria moesten voldoen en waarin veel zaken tot op groot detail niveau moesten worden beschreven. Alles bij elkaar telde dit op tot een flink pak virtueel papier dat op 31 augustus om klokslag 23:59 moest zijn ingediend.

Het aanvraagproces van één van de indieners heb ik van dichtbij kunnen observeren. De medewerksters van deze Noord Afrikaanse organisatie gingen in de zomer vol goede moed aan de slag. Ze waren het hele jaar al bezig geweest met de veranderingstheorie van hun netwerk voor vrouwen en vrede. Ze hadden veel succes gehad met de eerste FLOW-subsidie en wisten precies wat ze wilden met FLOW2. Minister Ploumen schreef op haar Facebookpagina dat dit een organisatie was die Nederlandse steun verdiende. Twee volle maanden heeft de hele kern van de organisatie gewerkt aan de aanvraag. Ik schat dat daar zo’n honderdvijftig dagen in zijn gaan zitten. Een flinke investering die de organisatie een kleine honderd duizend euro gekost.

Toen bekend werd dat er 265 aanvragen waren ingediend drong de volle omvang hiervan tot mij door. Stel dat de gemiddelde aanvrager er niet honderdvijftig, maar honderd dagen in had gestoken. Dan was dit in totaal 26.500 dagen ofwel honderdtwintig mensjaren: met kosten tussen de twaalf en twintig miljoen euro! Deze cijfers riepen al serieuze vragen op toen de aanvragers nog in hoopvolle verwachting verkeerden. Het was duidelijk dat hier buitensporig veel werk voor niets was geleverd.

Op 1 en 2 december kwam de grote klap: slechts negen aanvragen gehonoreerd, waarvan niet één van een Zuidelijke organisatie. 159 aanvragen hebben de drempelcriteria niet gehaald en zijn de prullenbak in gegaan zonder dat iemand naar de inhoud heeft gekeken. Het geld gaat naar grote Nederlandse, Noord-West-Europese en Amerikaanse organisaties, die geen van allen het strijden voor vrouwenrechten als core business hebben. De Zuidelijke clubs die, soms met gevaar voor eigen leven, in de marges moeten opereren van wat de hun veelal ongunstig gezinde overheden toestaan en voor wie weinig subsidiekanalen beschikbaar zijn, visten allen achter het net.

Dit kan nooit de bedoeling zijn geweest van het beleidskader. Hoe heeft het ministerie de plank zo ongelooflijk kunnen misslaan? Hoe stelt men zich voor dat het doel, het verbeteren van vrouwenrechten in de wereld, gediend wordt door het op zo grote schaal vernietigen van schaars kapitaal? Was het instrument van de open voorstelronde niet goed doordacht of rechtvaardigt het doel de middelen? Met welke ogen werd er gekeken naar de aanvragen? Ging het om technische perfectie, of om de mensen die in het veld het grootste verschil kunnen maken?

Ik hoop van harte dat dit hele proces aanleiding is voor het ministerie om zich nog eens goed achter de oren te krabben over zijn eigen veranderingstheorie. Dat hieruit lessen geleerd worden en dat een manier gevonden wordt om recht te doen aan de organisaties van wie een veel te grote investering werd gevraagd.

Saskia Brand is consultant bij MDF Training & Consultancy

 

Open brief van academische gemeenschap aan minister Kaag

Door Vice Versa | 07 april 2020

De academische gemeenschap van ontwikkelingsdeskundigen in Nederland heeft een brief aan minister Kaag geschreven waarin ze zes concrete doet in het licht van de coronacrisis. Variërend van het binnen het Nederlandse kabinet een discussie op gang te brengen over de gezondheidsuitdagingen wereldwijd tot het belang van actie voor een nieuwe ontwikkelingsagenda. Vice Versa drukt de brief integraal af.

Lees artikel

Vooral projecten voor meest kwetsbare mensen getroffen door coronacrisis

Door Yvonne van Driel | 06 april 2020

Niet alleen het werk van grote ontwikkelingsorganisaties en hun partners wordt zwaar getroffen door de uitbraak van het corona-virus. Ook voor kleinschalige ontwikkelingsprojecten van het zogeheten PI (particulier initiatief) van Nederlandse burgers en hun partners heeft het grote gevolgen. En juist de organisaties die minder afhankelijk waren geworden van buitenlandse donoren, hebben het nu extra moeilijk. Yvonne van Driel, die werkt voor Partin -de branchevereniging van het particuliere initiatief, belde met een groep leden en doet verslag.

Lees artikel

Zonder mondiale solidariteit komt corona als een boemerang bij ons terug

Door Marielle Bemelmans | 03 april 2020

In deze bijdrage legt Wemos-directeur Mariëlle Bemelmans uit waarom de Covid-19 crisis het belang van mondiale solidariteit blootlegt. ‘Het heeft geen zin om alleen de eigen zorg te verbeteren, en die elders te verwaarlozen – een virusuitbraak elders bereikt ons uiteindelijk toch in deze geglobaliseerde wereld. Zonder mondiale solidariteit, komt Corona als boemerang bij ons terug. ’

Lees artikel
Scroll To Top