Door:
Paul Hoebink

9 november 2015

Categorieën

Tags

07_paul-hoebinkCOLUMN – Tijdens een grote conferentie over de evaluatie van ontwikkelingsprogramma’s vorige week in Berlijn  was Nederland als donorland onderwerp van verbijstering. Een zeer negatief, binnenkort te verschijnen rapport van de Inspectie (IOB) over hoe Nederland 15 landen in de steek had gelaten, was daarvoor mede de aanleiding. Moet minister Ploumen nu niet aftreden, vraagt Paul Hoebink zich af.  Er zullen zelden landen zijn geweest die sneller hun reputatie hebben verspeeld als Nederland. Bekend als een progressieve donor, die voorop liep in de dialoog met hulpontvangende landen, in het gebruik van nieuwe hulpinstrumenten, in het doen van gezamenlijke evaluaties, met een hoge kwaliteit van hulp in de gezondheidszorg en de watersector. Binnen amper drie-vier jaar heeft Nederland die reputatie geheel verspeeld. Dat bleek op de conferentie vorige week in Berlijn over de evaluatie van ontwikkelingsprogramma’s, waar de experts in dit veld met verbijstering keken hoe Nederland op allerlei vlakken is afgegleden. Indruisen tegen beloftes Schokkend waren bijvoorbeeld de resultaten van een evaluatie over de wijze waarop Nederland 15 landen in de steek heeft gelaten, toen het het aantal landen waarop het hulp wilde geven van 33 naar 18 bracht. Dat is natuurlijk ingezet onder staatssecretaris Knapen, maar minister Ploumen heeft dit beleid voortgezet op een manier die totaal indruist tegen beloftes hierover die de Nederlandse regering eerder heeft gedaan. In 2008 is er een gezamenlijke donor evaluatie geweest van ‘exit strategieën’: hoe hebben donorlanden zich gedragen als ze besloten hun hulp stop te zetten aan een ontwikkelingsland. Voor Nederland betrof dat de stopzetting van de hulp aan Eritrea, Malawi, India en Zuid-Afrika. Het rapport was uitermate kritisch over de wijze waarop Nederland, Zweden, Denemarken en Noorwegen die stopzetting hadden georganiseerd met weinig oog voor duurzaamheid en geen enkele poging om die in kaart te brengen. In de reactie van de Nederlandse regering op deze evaluatie van april 2009 beloofde het zich te houden aan de volgende afspraken: communicatie op hoog niveau; rekening houden met stakeholders; realistische tijdspaden; flexibiliteit bij de toekenning van budgetten; respecteren van zowel juridische verplichtingen als toezeggingen; institutionele capaciteit van partnerlanden diende zodanig te zijn dat zij in staat zijn gaten op te vullen. Uitfasering Staatsecretaris Knapen schreef in november 2011 en in november 2012 nog dat hij bij het uitfaseren van de hulp aan de 15 landen erop zou toezien dat dit ‘op verantwoorde wijze’ zou verlopen ‘op basis van het principe dat Nederland een betrouwbare partner wil zijn’, in lijn ook met die beleidsbrief uit 2009. Minister Ploumen somde in haar brief over de uitfasering van februari vorig jaar de principes voor succesvolle uitfasering nog maar eens op en stelde: “Nederland heeft deze principes zorgvuldig toegepast”, terwijl ze natuurlijk ook toen al moest weten dat dat helemaal niet het geval was. Al die fraaie beloftes gingen eigenlijk al in dunne rook op het moment zelf dat Nederland besloot 15 hulp landen van zijn lijst te schrappen. Die lijst was al (zoals ik in Vice Versa schreef) een raar misbaksel, want er bleven landen opstaan waar Nederland geen enkele ervaring heeft (Burundi) en die we dus beter aan andere donoren hadden kunnen laten of waar programma’s geenszins goed liepen (Kenia). En er gingen juist landen af waar we goed draaiende programma’s hadden (Tanzania, Burkina Faso), mede omdat de minister van Buitenlandse Zaken ambassades wilde sluiten. Quick and dirty Nederland deed zijn ‘exit’ niet ‘verantwoord’ en geenszins als een ‘betrouwbare donor’, maar ‘quick and dirty’: het besluit was definitief en in twee jaar moesten ‘we’ weg zijn. Zo werd consultatie een mededeling, het overnemen van projecten of programma’s door andere donoren een illusie. Flexibiliteit was afwezig en overgangsfinanciering feitelijk ook. En naar de institutionele kwaliteit van de landen waar men wegging was al helemaal niet gekeken, Eerste gevolg: reputatie van Nederland aan diggelen. De verzamelde experts op het terrein van evaluatie van ontwikkelingsprogramma’s in Berlijn keken er met stomme verbazing naar, want iedereen die weet hoe duur ‘branding’ is, weet hoe duur het is om je naam te grabbel te gooien en hem daarna weer proberen op te bouwen. Want net als vertrouwen vertrekt reputatie te paard. Tweede nog veel belangrijker gevolg: tientallen miljoenen voor onderwijs, gezondheidszorg en algemene begrotingssteun verdwenen van de begroting in de betreffende landen, zonder dat daar vaak enige vervanging voor was. In Zambia was Nederland leidend donor in het onderwijs. Na het Nederlandse vertrek is de buitenlandse hulp nog maar een kwart van wat deze was in 2010. Daardoor gaan er 120.000 kinderen minder naar school, constateert de IOB. In de gezondheidszorg in Tanzania was Nederland ook leidend donor en op veel vlakken uiterst succesvol. Na het vertrek van Nederland (en ook kleine donoren in deze sector als Duitsland en Noorwegen) is de buitenlandse hulp aan de gezondheidszorg in dit land bijna gehalveerd. De IOB rekent uit dat als Nederland was doorgegaan met de hulp aan de gezondheidszorg in de vier onderzochte landen er van 6.000 mensen het leven gered had kunnen worden. Accute problemen Ook aan de hulp die Nederland via de ambassades gaf aan maatschappelijke organisaties in deze landen kwam abrupt een einde, waardoor veel van deze organisaties in acute problemen kwamen. Ik herinner me hoe een Hoofd Ontwikkelingssamenwerking van de Nederlandse ambassade me aangaf dat de hulp aan dit soort organisaties toch veel beter door de ambassades gedaan kon worden dan door  particuliere ontwikkelingsorganisaties, want de ambassade zat permanent in het land en stafleden van de ontwikkelingsorganisaties bezochten het hooguit twee keer per jaar. Maar er is één groot verschil: die particuliere ontwikkelingsorganisaties waren een langdurige, betrouwbare partner en dat is de ambassade/de Nederlandse regering niet. Het had zo anders gekund. Nederland had door kunnen gaan met zijn succesvolle programma’s in Burkina Faso en Tanzania, misschien ook wel in Nicaragua en Guatemala. Dat geld had gemakkelijk gehaald kunnen worden uit de multilaterale fondsen, zoals de extra bijdrages aan het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) of het Global Fund voor de bestrijding van aids, malaria en tbs. De ambassades hadden dan ook niet gesloten hoeven te worden, maar betaald kunnen worden uit de managementkosten van de hulp. Er zijn recentelijk wel ministers en staatssecretarissen opgestapt om minder kritische rapporten, zeker als de kritiek op de minister toch al aanzwelt. Inhoudelijk heeft minister Ploumen nog niets gebracht. In tegenstelling tot haar voorganger verzet ze zich niet tegen de aanslagen op haar begroting door de grote instroom van asielzoekers, nog erger ze laat de rekeningen van het COA zonder enige controle betalen. Wordt het niet tijd dat de minister de eer aan zichzelf houdt?

Opinie: ‘Brief minister Kaag over maatschappelijk middenveld: analytisch zwak en weinig ambitieus’

Door Fons van der Velden | 09 juli 2019

Het is een groot goed dat de Nederlandse overheid zoveel fondsen ter beschikking stelt voor de versterking van maatschappelijke organisaties en maatschappelijk middenveld, schrijft Fons van der Velden in deze opiniebijdrage naar aanleiding van de kamerbrief van minister Kaag. Maar hij vindt de brief analytisch zwak en van weinig ambitie getuigen. Wat had beter gekund?

Lees artikel

Tip 3 aan Kaag: ‘Lever in op je privilege en geef zuidelijke organisaties meer inspraak bij het bepalen van prioriteiten’

Door Lizan Nijkrake | 08 juli 2019

Minister Kaag werkt hard aan een nieuw subsidiekader voor het maatschappelijk middenveld. Ze wil meer eigenaarschap geven aan zuidelijke ngo’s om hen meer legitimiteit te geven, en ziet daarbij een andere rol voor Nederlandse organisaties. Vice Versa vroeg vier zuidelijke organisaties hoe zij dit zien. Wat is hun gouden tip voor onze minister? Met vandaag Carla López Cabrera, directeur van Fondo Centroamericano de Mujeres (FCAM) in Nicaragua, een feministisch fonds dat lokale vrouwenrechtenbewegingen in Centraal Amerika steunt.

Lees artikel

Shifting fundamental power issues in funding relationships

Door Evelijne Bruning Ruerd Ruben en Lau Schulpen | 02 juli 2019

This article claims that the current aid architecture favours clientilism, dependency and short-term projects. The authors Evelijne Bruning (The Hunger Project) Ruerd Ruben (Wageningen University & Research) and Lau Schulpen (Radboud University Nijmegen) are suggesting four possible ways to overcome this in order to shift power closer to the ground.

Lees artikel