Door:
Nico Kussendrager

19 oktober 2015

Tags

Nico_KussendragerAfgelopen voorjaar riep minister Ploumen haar Europese collega’s op meer te investeren in de Afrikaanse economie. Kordaat legde ze 50 miljoen extra uit het Dutch GrowthFund op tafel. Op die manier, meende de PvdA-bewindsvrouw, kunnen we jonge mensen in Afrika een beter perspectief bieden en voorkomen dat ze in gammele bootjes de oversteek naar Europa wagen. Een druppel naast de gloeiende plaat, zegt Nico Kussendrager. Economische ontwikkeling leidt vaak juist tot meer in plaats van minder migratie. Ontwikkelingssamenwerking kan alleen een verschil maken in het vluchtelingenvraagstuk als er meerkennis is over migratiemotieven.

Bij de huidige discussie over asielzoekers wordt vaak vergeten wat de mogelijkheden zijn om vertrek uit het land van herkomst te voorkomen. (Voor alle duidelijkheid: hoewel gemakshalve vaak wordt geschreven over ‘vluchtelingen’ gaat het om asielzoekers die pas – erkende –  vluchtelingen zijn als ze in Nederland of elders een verblijfsstatus hebben).

Voor een aanpak bij de bron bestaat een aantal mogelijkheden. Een militaire oplossing – een einde aan de oorlog in Syrië, de chaos in Libië, de onderdrukking in Eritrea – laten we als vooralsnog als amper kansrijk buiten beschouwing. Met de kanttekening dat de westerse wereld voor een deel verantwoordelijk is voor de gang van zaken in deze landen.

Ontwikkelingen in Syrië, de zogenaamde Arabische lente en de daarop volgende burgeroorlog leken als een donderslag bij heldere hemel te komen, waarop het westen alleen lijkt te kunnen reageren met militaire acties. In Libië werd een dictator te lang in het zadel gehouden en zelfs gesteund, zonder dat was voorzien wat zijn val zou betekenen voor Libië. Het mondde uit in uiterst fragiele staat. Ofwel: twee Libië’s, die geen enkele greep meer hebben op de grote groepen asielzoekers, waarmee geen afspraken te maken zijn en waar mensenhandelaren vrij spel hebben. Tot slot Eritrea. Nota bene een van de landen die werd gerekend tot de African Renaissance. Een ontwikkeling waarvan we later nog maar weinig hebben gehoord. Sterker nog: Eritrea werd een land met levenslange dienstplicht, onderdrukking, een ‘verkliksysteem’ naar Oost-Duits voorbeeld en een ‘diasporabelasting’, waarmee ook de Eritresegemeenschap in Nederland te maken heeft.

‘Gelukszoekers’

In al deze gevallen gaat het om mensen die vluchten uit angst voor oorlog, vervolging, onderdrukking of geweld. Een legitieme vluchtreden volgens het Vluchtelingenverdrag van de Verenigde Naties uit 1951. In veel andere gevallen gaat het om asielzoekers die om economische of sociale redenen uit hun land vertrekken. Kortweg gezegd: mensen die op zoek zijn naar een beter bestaan. In de volksmond ‘gelukszoekers’. Voor die reden van vertrek kun je begrip hebben, volgens internationale afspraken betekent het niet dat deze groepen hier ook een verblijf moet worden geboden. Wie geen legitieme reden heeft om te vluchten, kan worden uitgezet. Dat levert doorgaans veel discussie en weinig fraaie beelden op, het is wel de realiteit. Veelal weigeren landen hun inwoners op te nemen. Met die landen moeten afspraken worden gemaakt of anders moeten sancties worden opgelegd. Probleem is dat het vaak gaat om fragiele staten, waarmee geen afspraken te maken zijn en waar sancties amper effect zullen hebben.

Juist bij groepen die om economische of sociale redenen weggaan kan worden gekeken wat de mogelijkheden zijn in het land van herkomst om vertrek te beperken.

De migratieparadox

Een voor de hand liggende oplossing lijkt economische en sociale ontwikkeling  van herkomstgebieden. Vaak is het tegendeel het geval. Welvaartsgroei en onderwijs, toegang tot de media en verbetering van infrastructuur verhogen het ambitieniveau en stellen meer mensen in staat te migreren. Emigratie neemt juist toe onder invloed van ontwikkelingsprocessen. Economische ontwikkeling leidt tot meer migratie in plaats van minder migratie, door een groeiende bereidheid, een ander verwachtingspatroon en meer mogelijkheden om te vertrekken. Vaak stapsgewijs: van het platteland trekken mensen eerder naar de stad en vervolgens naar het buitenland, waar het ‘gras nog groener is’. (Zie een klassieker uit de jaren zeventig: David Smith: Where the grass is greener, living in an unequal world. Onderzoeker Hein de Haas noemt het de ‘migratieparadox’ en heeft het over ‘mentale horizonverbreding’.)

Het zijn dan ook niet de armste of ongeletterde groepen die vertrekken, maar juist die groepen met net wat meer inkomen en net wat meer opleiding. Illustratief was een verhaal uit dagblad Trouw over twee modieus geklede Eritrese jongens, uit eenfamilie die relatief rijk was, zelfs een kameel had (!) en die met 8000 euro (!) op pad werden gestuurd. Met als bijna vanzelfsprekende  verwachting dat ze na aankomst geld zouden overmaken aan de extended family.

Op het eerste gezicht lijkt dat een goede zaak. Geld sturen naar familieleden zou toch ontwikkeling en vooruitgang ten goede moeten komen. En het gaat om grote bedragen. In veel landen is deze zogenaamde derde geldstroom of remittances hoger dan de bedragen uit ontwikkelingssamenwerking of uit buitenlandse handel. Maar de resultaten zijn betwistbaar.

Niet dat er geen voordelen zijn. Bedragen gaan rechtstreeks naar verwanten, zonder tussenkomst van overheden, ontwikkelingsorganisaties, bureaucratie. De overhead (om geen andere term te gebruiken) is dus minimaal. Daar staat tegenover dat juist in dit soort gevallen de transactiekosten bijzonder hoogzijn, tot zo’n 10 procent.

‘Nooit geweten dat ik zoveel familie had’

Er zijn belangrijker nadelen van de derde geldstroom. Geld wordt niet geïnvesteerd in onderwijs en gezondheidszorg of infrastructuur, maar wordt consumptief besteed. In het beste geval leidt dit tot een hogere vraag maar niet per se tot  economische ontwikkeling. Ook al door de onzekerheid van de geldstroom, waardoor hoopvolle plannen uiteindelijk niet kunnen worden uitgevoerd. Iedereen die wel eens heeft rondgereisd in Afrika kent de half afgebouwde huizen en de reactie van de bouwer: ‘out of money’. Ook zijn investeringen niet altijd bijster verstandig en kansrijk. In een klein Turks dorp kunnen zeker zes taxi’s rondrijden. Als de eerste taxi een succes is, waarom zou de tweede, en de derde, dat dan niet zijn.

Daar komt bij dat in een collectivistische samenleving zoveel mensen het gestuurde geld moeten delen dat het uiteindelijke effect vrijwel te verwaarlozen is. (Kijk naar de extended familyeerder in dit verhaal).

Terugkerende migranten krijgen met iets vergelijkbaars te maken. Als ze vanuit Nederland – of een ander westers land – met de beste bedoelingen teruggaan om in het land van herkomst iets op te bouwen – van een bakkerij tot een garage of een printshop – worden ze al snel aangesproken door familieleden tegenover wie verplichtingen bestaan. Zoals een teruggekeerde en inmiddels vrijwel platzakke Ghanees verzuchtte: ‘Nooit geweten dat ik zoveel familie had.’

De besmettelijkheidsfactor

Nog een mogelijkheid om enigszins paal en perk te stellen aan migratie is de aanpak van mensenhandel. In dit verband niet het oprollen van de criminele netwerken, wat uiteraard ook moet gebeuren, maar de rol van mensenhandelaren – of eigenlijk hun zetbaasjes – in het land van herkomst. Regelmatig komenverhalen uit Afrikaanse dorpen op het Afrikaanse platteland van mensenhandelaren die proberen dorpsbewoners ervan te overtuigen hun schaarse goederen te verkopen en al hun spaarcenten bij elkaar te schrapen om op zoek te gaan naar een betere toekomst. Potentiële asielzoekers worden gouden bergen voorgespiegeld, die in de praktijk de kampen bij de Kanaaltunnel  of de ‘sobere’ voorzieningen in Nederland blijken te zijn. Het in kaart brengen van deze netwerken zou op zijn minst een idee kunnen geven hoe mensen het hoofd op hol wordt gebracht. En hoe de – mogelijk steeds rooskleuriger – verhalen aan elkaar worden doorverteld. Anders gezegd: wat is de besmettelijkheidsfactor?

Nog een oplossing om greep te krijgen op migrantenstromen: opvang in de regio, met als voordeel de mogelijkheid van een snellere terugkeer en verblijf binnen een min of meer bekende omgeving of cultuur. Het zou een oplossing kunnen zijn, als al niet het merendeel van de asielzoekers op dit moment in de regio zou blijven. In een land als Libanon – om een van de meest extreme voorbeelden te noemen – verblijven op dit moment een miljoen ontheemden op een bevolking van vijf miljoen. En een snelle terugkeer is betrekkelijk. Palestijnen, Afghanen en Saharawi’s kunnen daarover meepraten. En de vertrouwdheid met de omgeving is eveneens relatief, gezien de spanningen onderling en met de lokale bevolking.

Verwonderlijk is dat niet met grote, soms getraumatiseerde groepen in een relatief klein gebied. En met een lokale bevolking die voorzieningen ontbeert die er in vluchtelingenkampen wel zijn. Een voorbeeld uit de praktijk: woedende Tanzaniaanse vrouwen die een tankwagen met MajiSafi langs het dorp zagen denderen richting een Rwandees vluchtelingenkamp, terwijl zij zelf voor drinkwater uren moesten lopen.

Waterbed

Een laatste mogelijkheid om vluchtelingenstromen te ‘sturen’: strengere grenscontroles, het terugsturen van asielzoekers, het naar zee slepen van schepen, het optrekken van metershoge hekken om migranten tegen te houden. Het doet denken aan de Koude Oorlog – of erger.

Afgezien van juridische en morele bezwaren, het werkt maar in zeer beperkte mate. Denk aan de metafoor van het waterbed: als je op één plek drukt, komt het water ergens anders omhoog. Asielzoekers zullen altijd proberen andere wegen te vinden om naar het ‘beloofde’ land te komen. Of ze zullen nog meer in handen vallen van mensenhandelaren, die nog hogere prijzen vragen. Een uitzondering is wellicht Australië, ironisch genoeg het immigratieland bij uitstek, dat de grenzen hermetisch heeft gesloten. Maar nu al blijkt dat migranten andere mogelijkheden vinden om het land binnen te komen.

Coherentie

Dit lijkt een somber verhaal, maar zo is het niet bedoeld. Er is geen reden voor te optimistische verwachtingen van de ontwikkeling van herkomstlanden, noch van het belang van de derde geldstroom. Maar ‘ontwikkeling’ en ontwikkelingssamenwerking met aandacht voor en inzicht in vertrekmotieven zou het aantal asielzoekers kunnen beperken. Met als motto: beter een goede toekomst in eigen land in plaats van een onzekere toekomst in een ander land. De vijftig miljoen euro die minister Ploumen extra heeft uitgetrokken is daarbij niet meer dan een druppel naast de gloeiende plaat.

Juist ‘gerichte’ ontwikkeling die perspectief biedt in het land van herkomst en duidelijk maakt dat over landen van aankomstirreële, zo niet valse verwachtingen bestaan, zou een deel van de asielzoekers ervan kunnen weerhouden te stemmen met de voeten.

Dat vraagt een samenhangend en anticiperend beleid op de lange termijn, wat deel zou  moeten uitmaken van een samenhangend buitenland-, ontwikkelings- en handelsbeleid.

Dat vergt meer inzicht in ontwikkelingsprocessen en vertrekmotieven dan op dit moment bestaat en vooral in de samenhang tussen die twee. Dat vereist meer aandacht voor de rol van communicatie en media. Hoeveel coherentie wil de minister hebben?

Opinie: ‘Brief minister Kaag over maatschappelijk middenveld: analytisch zwak en weinig ambitieus’

Door Fons van der Velden | 09 juli 2019

Het is een groot goed dat de Nederlandse overheid zoveel fondsen ter beschikking stelt voor de versterking van maatschappelijke organisaties en maatschappelijk middenveld, schrijft Fons van der Velden in deze opiniebijdrage naar aanleiding van de kamerbrief van minister Kaag. Maar hij vindt de brief analytisch zwak en van weinig ambitie getuigen. Wat had beter gekund?

Lees artikel

Tip 3 aan Kaag: ‘Lever in op je privilege en geef zuidelijke organisaties meer inspraak bij het bepalen van prioriteiten’

Door Lizan Nijkrake | 08 juli 2019

Minister Kaag werkt hard aan een nieuw subsidiekader voor het maatschappelijk middenveld. Ze wil meer eigenaarschap geven aan zuidelijke ngo’s om hen meer legitimiteit te geven, en ziet daarbij een andere rol voor Nederlandse organisaties. Vice Versa vroeg vier zuidelijke organisaties hoe zij dit zien. Wat is hun gouden tip voor onze minister? Met vandaag Carla López Cabrera, directeur van Fondo Centroamericano de Mujeres (FCAM) in Nicaragua, een feministisch fonds dat lokale vrouwenrechtenbewegingen in Centraal Amerika steunt.

Lees artikel

Shifting fundamental power issues in funding relationships

Door Evelijne Bruning Ruerd Ruben en Lau Schulpen | 02 juli 2019

This article claims that the current aid architecture favours clientilism, dependency and short-term projects. The authors Evelijne Bruning (The Hunger Project) Ruerd Ruben (Wageningen University & Research) and Lau Schulpen (Radboud University Nijmegen) are suggesting four possible ways to overcome this in order to shift power closer to the ground.

Lees artikel