Door:
Manon Stravens

12 oktober 2015

Tags

 

Foto: Charles Roffey

Foto: Charles Roffey

Wereldwijd wordt 90 procent van de vluchtelingen in buurlanden opgevangen. En toch roept Europa om ‘meer opvang in de regio’. In Libanon is een kwart van de bevolking een Syrische vluchteling. Vice Versa-verslaggever Manon Stravens was in Libanon en zag dat er een kritieke grens is bereikt

Met naar schatting 1,5 miljoen Syrische vluchtelingen, een kwart van de bevolking, telt Libanon het hoogste aantal vluchtelingen per capita ter wereld. In oppervlakte beslaat het land nog geen kwart van Nederland. Dan zijn de circa 330.000 gevluchte Palestijnen, Irakezen, Soedanezen en andere vluchtelingen nog niet meegeteld, evenals de 22.000 uit Syrië teruggekeerde Libanese migranten.

Zo heeft het stadje Barelias, in de Beka-vallei in het oosten van Libanon, op 10 km van de grens met Syrië, zijn inwoneraantal in vier jaar tijd ruim zien verdubbelen. Tussen de huizen duiken overal rijen tenten op, verzamelingen van plastic tenten met UNHRC-logo. Barealias telt circa 100 zogenaamde Informal Tented Settlements, variërend van een handvol optrekjes op een akker tot hele kampen van wel 400 tenten, compleet met satellieten, vuilnisbakken, watertanks en elektriciteitsvoorziening. Families tot wel tien personen wonen al vier jaar in een tent.

Enorme logistieke operatie 

Het herbergen van zoveel extra mensen is een enorme logistieke operatie voor een gemeente als Barelias. Burgemeester Saad Mayta legt uit dat de druk op de ‘meest elementaire zaken’ als het onderwijs, de gezondheidszorg, maar ook het riool, de water- en elektriciteitsvoorziening en de vuilverwerking alleen maar toeneemt. Tachtig procent betrekt een onderkomen in de stad. Welgestelde Syriërs openen winkels. Daardoor zijn de huurprijzen van woningen en winkelpaden flink gestegen. De druk op een toch al magere arbeidsmarkt groeit. Competitie om vooral laaggeschoolde banen creëert scheve ogen, want een derde van de Libanese jongeren zit ook zonder werk, zegt de burgemeester. Hoewel het land de kalmte min of meer heeft weten te bewaren, nemen de spanningen tussen Libanezen en Syriërs toe.

Verspreid over het hele land verblijven families in tenten, overvolle appartementen en garages. Ook de hoofdstad Beirut heeft circa 300.000 extra mensen te herbergen. Volgens de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR leeft de helft van de vluchtelingen in een ‘ondermaats onderkomen’. Twee derde leeft op het absolute bestaansminimum. Schulden, kinderarbeid en prostitutie nemen toe. En dat in een land dat zelf al anderhalf miljoen armen. Geen samenleving kan dit jarenlang verdragen, zo waarschuwt het Lebanon Crisis Response Plan 2015-2016. Volgens het plan wordt de situatie ‘een bedreiging voor de stabiliteit in het land’.

Los van het herbergen van zoveel vluchtelingen heeft Libanon als buurland van Syrië veel te lijden van de crisis. Het land verwacht dit jaar nul procent economische groei. De handel met Syrië ligt plat, waardoor een belangrijke exportmarkt voor Libanese boeren en producenten is vervallen. De toegenomen binnenlandse vraag door de vluchtelingen maakt dat maar ten dele goed, omdat Syriërs doorgaans weinig te besteden hebben. Ook blijven investeerders en toeristen, voorheen een kapitale inkomstenbron, weg.

Hulp, liefdadigheid en illegale dagloners

Begin dit jaar sloot het land de grenzen met Syrië en scherpte het de verblijfseisen fors aan. Vluchtelingen moeten nu 200 dollar betalen om hun verblijfsvergunning te verlengen. En ze moeten tekenen dat ze niet werken. Tegelijkertijd mogen hulporganisaties hen niet helpen met werk en inkomen, uit angst dat de Syriërs een duurzaam bestaan opbouwen en niet meer weggaan. Om die reden weigert Libanon, anders dan Turkije of Jordanië, vluchtelingenkampen in te richten. Het land wil geen herhaling van de ervaringen met de ruim 330.000 Palestijnse vluchtelingen. Die zitten al sinds 1948 vast in een twaalftal kampen, gebonden aan allerlei restricties, waaronder een waslijst van beroepen die ze niet mogen beoefenen. De Palestijnen krijgen geen status. Zo veel – voornamelijk soennitische – nieuwe burgers zouden de delicate politieke balans tussen soennieten, sjiieten en christenen in Libanon verstoren. De Palestijnse kampen zijn verworden tot ongecontroleerde broeinesten van armoede en geweld, verder versterkt door de komst van nog eens 53.000 Syrische Palestijnen.

Ook de anderhalf miljoen Syriërs zijn voornamelijk soennitisch. Ook zij kunnen voorlopig niet terug en zijn aangewezen op hulp, liefdadigheid en illegale dagloon. In de straten van Baalbek en Zahleh zijn Syriërs overal aan het werk. Ze maken schoon, poetsen schoenen, werken in de bouw of op het land, voor een paar dollar per dag. Moeders en kleine kinderen zijn aan de bedelstaf. Een enkeling vindt werk in een restaurant van een Libanees die garant wil staan. Libanon laat illegale arbeid oogluikend toe, want Syriërs moeten ook eten en de huur betalen. En Libanezen hebben de Syriërs nodig. Veel Libanese bedrijven draaien al als vanouds op goedkope Syrische arbeid. Alleen zijn de seizoenarbeiders nu gebleven en hebben ze inmiddels ook hun families laten overkomen.

Geen plan en geen geld

Er is veel kritiek op het Libanese leiderschap, of beter gezegd het ontbreken daarvan. De ‘open grenzen’ voor Syrische vluchtelingen zijn volgens critici eerder het gevolg van nalatigheid dan van gastvrijheid. Het land kan zijn eigen problemen niet eens oplossen, is een veelgehoorde klacht. Libanon heeft al anderhalf jaar geen president en al maanden zijn er protesten tegen wanbestuur en corruptie.

Omdat het land het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen niet heeft ondertekend, erkent het de status en rechten van vluchtelingen niet. Tot vorig jaar ontbrak het de overheid zelfs aan een vluchtelingenplan. Noodhulp was vooral in handen van de VN. Verspreid over het land, niet altijd geregistreerd, zijn de vluchtelingen moeilijk te bereiken voor de hulporganisaties, die bovendien nauwelijks middelen hebben. Van de benodigde 2 miljard dollar aan hulpgeld voor 2015 heeft de internationale gemeenschap nog geen 40 procent gefinancierd. Het budget van het Wereldvoedselprogramma daalde van 30 dollar naar 13,50 per persoon per maand, met een maximum van 70 per gezin. Door aangescherpte kwetsbaarheidscriteria is bovendien een kwart van de vluchtelingen van de hulplijst gehaald.

Tegelijkertijd begint de noodhulp aan vluchtelingen scheve ogen te creëren bij de Libanese bevolking. Het Lebanese Response Plan 2015 en 2016 vraagt nu om een combinatie van noodhulp en investeringen die niet alleen vluchtelingen, maar heel Libanon ten goede komen. Mogelijk kan  het land bij uitzondering aanspraak maken op een zachte lening van de Wereldbank, met steun van andere donoren. Als middeninkomensland komt het voor dergelijke leningen doorgaans niet in aanmerking. Dat geld kan dan bijvoorbeeld worden geïnvesteerd in infrastructuur.

Alles draait om stabiliteit

Aan ‘opvang in de regio’ zit een grens. In Libanon is die grens na vier jaar ‘open armen’ bereikt. Zowel wat betreft de capaciteit van gemeenten als die van een vluchteling en zijn familie om in een ‘ondermaats onderkomen’ op een bestaansminimum te moeten leven. Om een Libanese hulpverlener te citeren: ’Niemand kan vier jaar wonen in een tent.’

Het liefst wil Libanon al die vluchtelingen kwijt. Dat het land toch de kalmte weet te bewaren, is te danken aan ‘plaatselijk verantwoord leiderschap’, meent Tom Thorogood, Chief Technical Advisor Stabilization & Recovery Programme van het VN-ontwikkelingsprogramma UNDP. ‘Er zijn geen polariserende politici, en gemeentelijke maatregelen als een avondklok voorkomen escalatie van incidenten.’ Andersom hebben de Syriërs geen andere keus dan zich te schikken in hun lot, aldus Thorogood: ‘Ruim 90 procent van de Libanezen ziet Syriërs als een bedreiging. Toch dealen ze met de situatie, omdat niemand wil dat dit escaleert. Zolang er geen uitzicht is op vrede in Syrië, draait het hier allemaal om het behouden van de stabiliteit.’

Naschrift: een eerdere versie van dit artikel verscheen in Het Financieele Dagblad.

‘Empathie gaat armoede niet oplossen’

Door Lys-Anne Sirks | 18 oktober 2018

Tien jaar lang werkte de Oegandees Sean Patrick binnen de ontwikkelingssector. Maar omdat hij daar naar eigen zeggen geen duurzame verandering kon bewerkstelligen, begon hij als ‘pastarebel’ zijn eigen bedrijf, de Green Banana Food Company. Hoe kijkt hij aan tegen de beleidsnota ‘Investeren in perspectief’ van minister Kaag?

Deel 1 van een serie waarin zuidelijke experts hun visie op de beleidsnota geven.

Lees artikel

Internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen staat nog in de kinderschoenen

Door Lennaert Rooijakkers | 15 oktober 2018

Iedereen heeft de mond vol over internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO). En inmiddels zijn er al vijf convenanten die dat moeten bevorderen van kracht en zitten er nog vier in de pijplijn. Maar is het daarmee ook al integraal onderdeel van het zaken doen in het buitenland geworden?Vice Versa duikt aan begin van week twee van het dossier hulp en handel in de wondere wereld van IMVO.

Lees artikel

‘Beleid hulp en handel alleen succesvol als Nederlandse bedrijven meer lokaal inkopen’

Door Joris Tielens | 12 oktober 2018

De Nederlandse overheid moet Nederlandse bedrijven in Afrika aansporen om lokaal grondstoffen in te kopen, werk te bieden aan Afrikanen en te investeren in Afrikaanse bedrijven. Alleen dan kan het beleid van minister Kaag een succes worden, denkt prof. Chibuike Uche, hoogleraar bij het Afrika Studie Centrum.

Lees artikel