Door:
Ralf Bodelier

21 september 2015

Tags

The show must go onOPINIE – De Millennium Ontwikkelingsdoelen lopen op hun eind. De Duurzame Ontwikkelingsdoelen komen er aan. Met de Millenniumdoelen werden wonderen verricht. Of dat met de Duurzame doelen ook zal gebeuren, is nog maar de vraag, schrijft Ralf Bodelier.

Vijftien jaar nadat de Verenigde Naties acht Millennium Ontwikkelingsdoelen (Millennium Development Goals, of MDG’s) vaststelden, is het nu tijd voor zeventien Duurzame Ontwikkelingsdoelen (Sustainable Development Goals, SDG’s). Afgelopen maanden werd de eindbalans opgemaakt wat met de MDG’s  is bereikt. En volgende week besluit de wereldgemeenschap over de invoeringen van de SDG’s, de Sustainable Development Goals.

Het nieuwe pakket barst van de ambitie. Net als in de Millenniumdoelen is het hoofddoel opnieuw het uitbannen van extreme armoede. In de Millenniumdoelen ging het echter nog om het ‘halveren’ van deze armoede. De duurzaamheidsdoelen spreken nu radicaal over het ‘beëindigen van armoede, in al zijn verschijningsvormen, overal ter wereld’. Tussen 2000 en 2015 moesten vermijdbare ziekten als aids, TBC en malaria nog ‘worden teruggedrongen’, in 2030 mag niet één kind meer sterven aan epidemieën als aids, TBC en malaria. Maar bij het bestrijden van armoede blijft het dit keer niet. Nu draait het behalve om mensen ook om het milieu. Opheffen van de wereldwijde armoede moet in nu hand-in-hand gaan met het oplossen van milieuproblemen en het terugdringen van de klimaatverandering. En meer nog. De SDG’s beperking zich niet langer tot het arme Zuiden. In de SDG’s gaat het ook om leefbare steden, om beter onderwijs en om meer veiligheid in het rijke Westen.

Wie de SDG’s voor het eerst leest, wrijft zijn ogen uit. In 2020 al, dus over vijf jaar, ‘moet wereldwijd het aantal doden door verkeersongevallen zijn gehalveerd’. Ook moet in 2030 ‘iedereen gemakkelijk toegang hebben tot groene en veilige openbare ruimtes’. Of: ‘alle scholieren moeten over kennis en vaardigheden gaan beschikken om duurzame ontwikkeling te promoten.’ Ja, wanneer het aan de nieuwe doelen ligt, heeft ieder mens in 2030, overal ter wereld, een fatsoenlijke ziektekostenverzekering. Niet alleen in de Verenigde Staten, maar ook in Malawi.

Geen wonder dat de nieuwe ontwikkelingsdoelen een forse discussie losmaken. Is het niet veel te ambitieus allemaal? Kun je de ontwikkeling van de hele wereld – om minder gaat het niet – wel top-down plannen en sturen met een pakket doelen? En wat moet zo’n ambitieus programma wel niet kosten? Hier gaat het niet meer om miljarden. Dit kosten van de SDG’s lopen in de biljoenen. In een land als het Afrikaanse Malawi waar ik geregeld woon en werk, klinken de beloftes van de SDG’s als een stem uit het paradijs. Maar weinig landen zijn armer dan Malawi. Rond de 80 procent van de Malawianen leeft op het weinige dat zij zelf verbouwen. Het merendeel van hen woont in huisjes van leem en gras. Niet meer 9 procent van de Malawianen beschikt over elektriciteit. In de stinkende, overvolle zalen van de grote staatsziekenhuizen delen stervenden soms eenzelfde bed. De Wereldbank liet dit voorjaar weten dat de gemiddelde Malawiaan jaarlijks rond de 227 dollar aan waarde produceert. Zo weinig ‘BNP per capita’, zo weinig waarde per hoofd van de bevolking, wordt nergens anders ter wereld vervaardigd. Ter vergelijk: De gemiddelde Nederlander produceert voor zo’n zo’n 51 duizend dollar aan waarde. Daarmee zijn Nederlanders 225 keer zo rijk als Malawianen.

Voor geen land ter wereld zouden de SDG’s belangrijker moeten zijn dan voor Malawi. Geen land ter wereld zou er door de SDG’s zo op vooruit moeten gaan als Malawi. ‘Haal je de armste en zwakste man voor de geest die je ooit hebt gezien’, schreef Mahathma Gandhi ooit. ‘Vraag je dan af of de volgende stap die je overweegt te zetten ook in zijn belang is’. Om Gandhi te parafraseren: haal je de gemiddelde Malawiaan voor de geest, en vraag je dan af wat de nieuwe Sustainable Development Goals voor hem of haar kunnen betekenen? Het is een vraag die ik me nu stel in Malawi, maar die je je ook kunt stellen op Haïti, in Pakistan of in Bolivia. In landen waar het leven voor miljoenen mensen dramatisch zwaar is. Het is geen gemakkelijke vraag. Maar het is een vraag die het waard is te worden beantwoord.

Twee verhalen

Over extreme armoede, in een land als Malawi, kun je twee verhalen vertellen. Het eerste verhaal stuitert van optimisme. Het is een verhaal dat bijvoorbeeld wordt verteld door de Bill en Melinda Gates Stichting. De belangrijkste filantropen ter wereld benadrukken dat armoede sterk op zijn retour is. Extreme of absolute armoede, wat wil zeggen, dat je zó arm bent dat elke tegenslag je dood kan betekenen, is een aflopende zaak. Met wat geluk is deze armoede over vijftig jaar de wereld uit. Nog maar vijftig jaar geleden was bijna helft van de wereldbevolking extreem arm. Vandaag is dat aantal gedaald tot rond de 11 procent. Althans volgens de officiële norm dat extreem armen leven van minder dan 1,25 dollar per dag. Wanneer de ontwikkeling van de afgelopen jaren zich doorzet, zo becijferde Gates, zal de kindersterfte de komende vijftien jaar halveren. De landbouw zal zich zo door ontwikkelen, dat Afrika zich met gemak zelf kan voeden. En de twee miljard mensen die nu nog niet over een bankrekening beschikken, zullen dat tegen 2030 wel doen, al was het maar via hun mobieltje.

Wat heb je dan aan een oplopend percentage hier, of neergaande epidemie daar, wanneer het aantal mensen dat jaarlijks sterft van armoede nog hoger is dan het aantal slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog?

Het tweede verhaal druipt van pessimisme. Dit verhaal neemt het eerste voor kennisgeving aan. Vervolgens vestigt het de aandacht op het feit dat ook 11 procent van de wereldbevolking nog steeds uit één miljard mensen bestaat. Daarmee is het absolute aantal armen ten opzicht van vijftig jaar geleden nog maar met één-derde gedaald. En dat na decennia van onvoorstelbare economische groei. Wanneer we geen extra inspanningen leveren in de strijd tegen de armoede, zullen tot 2030 niet minder dan 68 miljoen kinderen onder de vijf jaar sterven aan vermijdbare ziektes. Bijna 120 miljoen kinderen zullen over vijftien jaar nog steeds ondervoed zijn en een half miljard mensen beschikt ook dan nog niet over een toilet. Dit verhaal wordt verteld door Duits-Amerikaanse filosoof Thomas Pogge, hoogleraar aan Yale en de natuurlijke tegenhanger van Bill en Melinda Gates. Pogge heeft niets met de optimistische geluiden over dalende honger en kindersterfte. Steevast wijst hij op het aanhoudende lijden van honderden miljoenen in het Zuiden. En dat doet hij door dit te vergelijken met het lijden van even zovelen in het Noorden tijdens de Tweede Wereldoorlog. In zijn geheel kostte de zes jaar durende oorlog rond de 60 miljoen doden, Auschwitz en de Goelag inbegrepen. Dat waren er dus tien miljoen per jaar. Daarentegen stierven, bijvoorbeeld tussen 1990 en 2010 rond de 360 miljoen mensen aan honger en vermijdbare ziektes. Dat waren er achttien miljoen per jaar. Wat heb je dan aan een oplopend percentage hier, of neergaande epidemie daar, wanneer het aantal mensen dat jaarlijks sterft van armoede nog hoger is dan het aantal slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog?

Vanzelfsprekend werpt men Pogge voor de voeten dat er nogal een verschil is in het actief doden van mensen in Auschwitz en het niet redden van mensen uit hun extreme armoede in Afghanistan. Vervolgens antwoord Pogge dat het Westen, met al zijn schimmige belangen in het Zuiden, veel meer schuld draagt aan het lijden van de armsten dan het toe wil geven. Multinationals sluizen miljarden aan belastinggeld weg uit ontwikkelingslanden. Doortrapte westerse banken, fiscalisten en complete advocatenkantoren zijn dag in, dag uit in de weer om de armen nog armer te maken dan zij al zijn.

Des te beschamender is het dat wij ons in de bestrijding van de armoede zo veel lakser opstellen dan we ooit deden in de bestrijding van de nazi’s. Neem bijvoorbeeld het eerste Millenniumdoel uit 2000, zegt Pogge, het doel waarin de wereldgemeenschap plechtig beloofde om binnen vijftien jaar het aandeel hongerigen met de hélft te verminderen. En vergelijk dat eens met de belofte in 1942 van de Amerikaanse president Roosevelt om zo snel mogelijk een einde te maken aan de wreedheden van de Nazi’s? Stel je voor dat Roosevelt in ’42 zou hebben gemeld, ‘dat de Verenigde Staten plechtig beloven de wreedheden van de nazi’s in 1957 met de hélft terug te dringen’? Al vijftig jaar houden we de extreme armoede uit, terwijl we de rampen die de nazi’s aanrichtten, nog geen vijf jaar uithielden. Wat het allemaal nog pijnlijker maakt, is dat het vele malen goedkoper is om een einde te maken aan de wereldwijde armoede, vergeleken met de prijs die we betaalden om een einde te maken aan het fascisme. De oorlog van de geallieerden tegen Duitsland, Italië en Japan was niet alleen peperduur maar ging ook gepaard met onvoorstelbaar bloedvergieten. Daarentegen zijn we vandaag in staat om een einde aan de armoede te maken zonder ook maar een schot te lossen. En dat kunnen we dan ook nog eens doen voor een bedrag dat door de burgers van rijke landen amper zal worden gevoeld.

Mirakel

De Millenniumdoelen waren het eerste mondiale ontwikkelingsprogramma dat direct inzette op de grootste problemen van de allerarmsten. De Millenniumdoelen startten met het ‘halveren van het aandeel mensen met honger en in extreme armoede.’ Het waren: ‘Basisonderwijs voor iedereen’, en ‘Gelijkheid tussen mannen en vrouwen.’ ‘Afname van kindersterfte.’ ‘Gezondheid van moeders.’ ‘Bestrijden HIV/Aids, malaria en andere ziektes’. Stuk voor stuk richten deze doelstellingen zich op het gezonder, geletterder en daarmee weerbaarder maken van de 1,2 miljard allerarmsten ter wereld. Zij richtten zich direct op de boer die niet hoefde te sterven aan aids of malaria; op het kind dat erop moest kunnen rekenen volwassen te worden; op de vader die leerde lezen en schrijven; op de moeder die erop zou mogen vertrouwen haar kraambed te overleven: de MDG’s wilden concrete mensen sterker maken.

Dat de Millenniumdoelen in 2000 werden vastgesteld, mag achteraf gezien een mirakel heten. Ze kwamen tot stand op een moment dat de officiële ontwikkelingshulp leek te zijn afgeschreven. ‘Ontwikkelingssamenwerking’ tussen rijke en arme landen was tijdens de Koude Oorlog op de eerste plaats een geopolitiek instrument. Met ontwikkelingsgeld probeerden zowel de ‘Eerste Wereld’, het kapitalistische Westen, als de ‘Tweede Wereld’, het communistische Oosten, landen in de ‘Derde Wereld’ voor zich te winnen of in hun invloedssfeer te houden. In die Derde Wereld kozen de meeste landen voor een van beide kampen. Sommigen, zoals het Tanzania van de charismatische Julius Neyerere, wisten handig uit beide geldstromen te putten. Het was de tijd waarin ontwikkelingshulp haar slechte naam verwierf als middel om Noordelijke belangen te dienen door Zuidelijke dictators in het zadel te houden. Na de val van de Muur in 1989 stopte de Sovjet Unie als eerste met deze op het eigenbelang gerichte ontwikkelingshulp. Voor het Westen verviel daarmee de noodzaak om geld, kennis en goederen naar het Zuiden te sturen. Onder president Bill Clinton halveerde het toch al magere Amerikaanse hulpbudget. Gaf de wereld in 1990 nog meer dan 100 miljard dollar aan hulp, in 1996 zakte het tot onder de 80 miljard. Ontwikkelingssamenwerking leek ten dode opgeschreven.

In dezelfde jaren ’90 organiseerden de Verenigde Naties echter ook zeven topconferenties over grote mondiale uitdagingen. Het was een serie die in 1990 startte met de ‘Education for All’ conferentie in het Thaise Jomtien, die in 1995 werd afgesloten met de ‘World Conference on Women’ in Beijing. De meeste aandacht kreeg de beroemde ‘Earth Summit’ van 1992 in Rio de Janeiro. Al deze conferenties werden beklonken met hooggestemde slotdocumenten. Maar ze slaagden er maar amper in om de wereldleiders, laat staan het grote publiek tot actie aan te zetten. Het was, naar verluid, de toenmalige Nederlandse minister Jan Pronk die samen met zijn Amerikaanse collega Colin Bradford het initiatief nam om de uitkomsten van al die topconferenties nu eens samen te vegen en door te vertalen in concrete ontwikkelingsdoelen.

Na een vrij ondoorgrondelijk proces besloot de wereldgemeenschap in het Millenniumjaar 2000 tot acht Millenniumdoelen, onderverdeeld in 18 subdoelen, die in 2015 zouden moeten worden gehaald. De wervende kracht van de MDG’s bleek enorm. Geen enkel VN-programma kreeg in de geschiedenis van de organisatie zoveel aandacht dan de Millenniumdoelen. Ze waren overzichtelijk, want het waren er maar acht die met logo en al op een A4tje pasten. Bij zeven van die acht kon iedereen zich iets voorstellen. Van MDG 1 ‘Halveren van extreme armoede en honger’ tot MDG 7 het ‘Bevorderen van een Duurzaam milieu’, was er bovendien weinig tegen in te brengen. Alleen MDG 8, het ‘Ontwerpen van een mondiaal partnerschap voor ontwikkeling’ was van een andere orde. Meer dan een kwart van alle Europeanen en bijna 65 procent van alle Nederlanders weet vandaag wat de Millenniumdoelen zijn. En meer dan dat, een ruime meerderheid van alle Europeanen steunt de doelen ook. Voor een VN-maatregel is dat buitensporig veel. Maar zo krachtig en direct was het lot van de allerarmsten dan ook nog nooit op de mondiale agenda gezet.

Eindrekening

De Millenniumdoelen hebben dus hun tijd gehad. En op dit moment wordt de eindrekening opgemaakt. Wat hebben de MDG’s de wereld nu opgeleverd? Het simpelste antwoord is teleurstellend. Waarschijnlijk zijn niet meer dan drie van de acht doelen gehaald. Het aantal mensen in extreme armoede is vrijwel gehalveerd, en zowel kinder- als kraammoedersterfte zijn met meer dan de helft terug gedrongen. De overige vijf doelen zijn dus niet bereikt. Je kunt het ook anders zien. Sinds in 2000 de Millenniumdoelen werden gelanceerd, is het aantal mensen in extreme armoede met 700 miljoen gedaald, terwijl er in diezelfde periode een extra miljard wereldbewoners bij kwam. Naar schatting is de dood van 3,3 miljoen mensen door malaria verhinderd. De kans dat een kind voor zijn vijfde verjaardag sterft is gehalveerd, wat betekent dat dágelijks rond 17.000 kinderen niet hoeven te sterven. Ongeveer 6,6 miljoen mensen met HIV/Aids overleven nu op aidsremmers. Inspanningen om tuberculose terug te dringen, zorgden ervoor dat zo’n 22 miljoen mensen niet voortijdig naar het mortuarium moeten worden gebracht.

Terwijl Brazilië, in 1990 nog een Derde Wereldland, vrijwel alle doelen haalde, wist het Afrikaanse Benin er niet een te halen. Alle ander landen zitten daar ergens tussenin. Grosso modo luidt het oordeel dat Sub-Sahara Afrika het ‘t slechtste deed, en Azië het ’t beste. Wat ook weer zo verrassend is dat niet is, omdat Afrika het verst achterop lag toen de Millenniumdoelen werden opgesteld. In Malawi, is waarschijnlijk maar de helft van de doelen gehaald. Toch zijn ook in het dramatisch arme landje wonderen verricht. Ook al lukte het weliswaar niet om het aantal hongerigen te halveren, desondanks daalde hun aandeel van 54 naar 30 procent. In harde cijfers betekent het dat bijna vier miljoen Malawianen niet meer met een lege maag naar bed gaan. Het halveren van de kindersterfte lukte wel. Rond 1990 stierven in Malawi 25 op de 100 kleine kinderen. Dat was één op de vier. Dank zij massale vaccinatiecampagnes, betaald met ontwikkelingshulp, zijn dat er vandaag 7 op de 100. Dat is een afname van 72 procent. Ook de aidsepidemie is sterk teruggedrongen. In 2004, op het hoogtepunt van de epidemie, overleden meer dan 100 duizend Malawiaanse mannen, vrouwen en kinderen. Ik verloor in die jaren vijf vrienden en kennissen aan de ziekte. Vandaag telt Malawi 40 duizend aidsdoden per jaar. Ook al is dat nog steeds onvoorstelbaar veel, tegelijkertijd is het wel een afname van 60 procent. Het aantal HIV-besmettingen daalde nog sneller: met bijna 80 procent. De epidemie lijkt dan ook een aflopende zaak. Met dank aan vrijwel gratis testfaciliteiten, condooms en aidsremmers, gefinancierd met ontwikkelingsgeld dat werd vrijgemaakt dank zij de MDG’s.

Wanneer we één les kunnen trekken uit deze eerste ronde ontwikkelingsdoelen, dan is het wel dat we helder en selectief moeten zijn. Niet alleen vang je daarmee de aandacht van het algemene publiek en mobiliseer je wereldwijde steun. Ook kun je op dat beperkte aantal terreinen werkelijk verschil maken. Beter nog dan acht millenniumdoelen, zouden we het bij vijf of zelfs maar drie doelen moeten houden.

Maar deze les is niet getrokken. Integendeel. Zo wordt volgende week niet gesproken over vijf, acht of tien nieuwe ontwikkelingsdoelen, maar over maar liefst zeventien doelen. En deze zijn voor een groot deel zó algemeen geformuleerd, dat we de werkelijke doelen moeten zoeken in niet minder dan 169 subdoelen: targets. De tekst van deze doelen en hun subdoelen is 4811 woorden, ongeveer de lengte van dit artikel. Neem SDG 3. Het officiële doel is: ‘Het zeker stellen van gezondheid en bevorderen van welzijn voor iedereen op iedere leeftijd.’ Pas in de negen targets bij dit doel wordt concreet wat er staat te gebeuren. En dat is veel. Een greep: ‘target 3.1: terugdringen van wereldwijde kraamvrouwensterfte tot minder dan 70 op 100.000 geboortes.’ ‘Target 3.5: versterken van preventie en behandeling van misbruik van drugs en alcohol.’ ‘Target 3.8: wereldwijd invoeren van ziektekostenverzekeringen.’ ‘Target 3.9: substantieel reduceren van het aantal doden en zieken door gevaarlijke chemicaliën en door de verontreiniging en besmetting van lucht, water en bodem.’

Anders dan eind jaren ’90, toen de Millenniumdoelen werden gebraden in een onnavolgbaar bestuurlijk proces, besloot de VN om er dit keer een zo open mogelijke procedure van te maken. Dat voornemen was niet aan dovemansoren gericht. Landen, en op de achtergrond ngo’s en VN-organisaties, schoven tal van doelen naar voren die volgens hen absoluut in het nieuwe pakket terecht moesten komen. Ongetwijfeld ligt een deel van de verantwoordelijkheid voor deze wildgroei bij de ontwikkelingslanden zelf. Waarschijnlijk denken zij dat meer ontwikkelingsdoelen ook gepaard gaat met meer geld. Dat zou hen nog wel eens tegen kunnen vallen.

De afgelopen acht Millenniumdoelen kostten miljarden dollars. De 169 Duurzame Doelen zullen biljoenen gaan kosten. Op dit moment geven de rijkste landen ter wereld een slordige 135 miljard dollar uit aan ontwikkelingshulp. Maar zelfs het tienvoudige daarvan zal niet genoeg zijn om de SDG’s mee te financieren.  De meest zuinige schattingen vermoeden dat het voorgestelde pakket aan SDG’s zo’n 2 a 3 biljoen dollar per jaar zal gaan kosten. Dat zou zo’n 4 procent zijn van het wereldwijde BNP. En dat terwijl de rijkste landen van de wereld op dit moment niet bereid zijn om gemiddeld meer dan 0,3 van hun BNP aan ontwikkelingssamenwerking uit te geven. De Wereldbank en het IMF schatten zelfs in dat het hele programma tussen de 9 en 11 biljoen per jaar zal kosten. Dit bedrag is zo onvoorstelbaar hoog dat het IMF en de Wereldbank speken over ‘een paradigmawisseling in het denken over ontwikkelingssamenwerking’. De vraag is nu hoe wie dit enorme bedrag op moet hoesten. Volgens de VN moeten rijke landen veel meer geld vrij gaan maken voor hun arme collega’s. Op de tweede plaats wordt gekeken naar grote filantropen als Buffet, Gates en Li Ka-shing. Ten derde wordt gerekend op mondiale kapitaalmarkten, institutionele investeerders en grote bedrijven. En tenslotte zijn het de arme landen zelf die over de brug moeten komen. In een discussiestuk van het IMF en de Wereldbank, From Billions to Trillions: Transforming Development Finance, hameren beide instellingen over het veel effectiever aanpakken van belastingvlucht uit ontwikkelingslanden, het effectiever heffen van belastingen in ontwikkelingslanden tot en zelfs over het invoeren van een ‘mondiale’ solidariteitsbelasting.

Dat het daadwerkelijk zal lukken om tussen de 9 en 11 biljoen dollar binnen te halen, is moeilijk voorstelbaar. Om te beginnen is het weinig aannemelijk dat de rijkste landen ter wereld hun ontwikkelingshulp plots met een factor tien of twintig zullen gaan verhogen. En zelfs wanneer de grootste filantropen ter wereld al hun geld beschikbaar stellen om de SDG’s mee te verwezenlijken, zal dat nog maar fractie zijn van wat nodig is. Institutionele investeerders plus de mondiale kapitaalmarkten laten zich per definitie tot niets verplichten. Blijven over meer en vooral strengere belastingheffing, hier en in de Derde Wereld. Wanneer ergens geld kan worden gevonden, zou het hier moeten zijn. Maar ook dat zal zo gemakkelijk nog niet gaan. Anders zou het op dit moment allang gebeuren.

Hopen en bidden

Wanneer ik ‘s ochtends mijn huis verlaat in Blantyre, de tweede stad van Malawi, loop ik langs houtskoolsjouwers, minibuswassers en verkopers van geroosterde mais. Vaak probeer ik me voor te stellen hoe het is om veroordeeld te zijn tot een ‘eenzaam, arm, gewelddadig en kort bestaan’ zoals Thomas Hobbes het ooit uitdrukte. Dan probeer ik me te verbeelden dat ik, met een hongerig kind aan de hand, mensen in restaurants zie zitten. Dat ik al voor mijn twintigste ouders, broers en zussen heb verloren. Dat de corrupte politieman in mijn wijk al even bedreigend is dan de overvaller tegen wie hij me zou moeten beschermen. Dat ik nooit geld uit een geldautomaat zal kunnen halen. Dat ik met mijn vrouw, tollend van malaria, niet tot een fatsoenlijk ziekenhuis zal worden toegelaten. Dat ik alleen maar kan hopen en bidden dat zij de nacht zal overleven. Dat ik geen enkele ingang vindt in de wereld van mensen die rijk en veilig zijn.

Wat zijn de doelen waar de ‘armste en zwakste man die je ooit hebt gezien’ nu werkelijk iets aan heeft?

Om aan dat aanhoudende en onverdraaglijke schandaal een einde te maken, hadden de Verenigde Naties iets moeten doen waar ze notoir slecht in zijn. Dat is het stellen van duidelijke prioriteiten en het rekenen op veel minder geld. Net als tijdens de totstandkoming de MDG’s, had de VN moeten kiezen voor een bescheiden pakket aan doelen. Eerder voor vijf dan voor tien, om dat beperkte aantal voor 2030 dan ook werkelijk te verwezenlijken. Leidraad had de vraag van Gandhi kunnen zijn. Wat zijn de doelen waar de ‘armste en zwakste man die je ooit hebt gezien’ nu werkelijk iets aan heeft?

In antwoord op die vraag, had de VN zich nog eens af kunnen vragen waarom de ontwikkelingsdoelen überhaupt ‘duurzame’ doelen zijn gaan heten? Waarom gaat het naast ‘People’, nu ook over ‘Planet’, zoals het in het duurzaamheidsjargon heet? Waarom wordt niet meer exclusief, net als in de Millenniumdoelen, ingezet op de een miljard ‘People’ dat het op dit moment aan alles ontbreekt wat een leven waardigheid verschaft? Waarom moet het terugdringen van HIV/Aids zo nodig hand in hand gaan met, bijvoorbeeld, SDG 6.6 ‘het herstellen van natte ecosystemen, inclusief bergen, bossen, moerrassen, rivieren, grondwaterstromen en delta’s’? Of voor SDG 12.8, dat we moeten gaan ‘beschikken over een levensstijl die in harmonie is met de natuur’?

Waarom zetten we niet simpelweg al onze kaarten op dat éne grote SDG 1. ‘Beëindig armoede overal en in al zijn vormen’? Zo vanzelfsprekend is het immers niet dat armoedebestrijding hand in hand gaat met de bescherming van het milieu. Op de eerste plaats zijn honger en extreme armoede problemen die zich afspelen in het hier en nu. Binnen het tijdbestek waarin dit artikel wordt gelezen, sterven tientallen kinderen aan de beet van een malariamug, overlijden jonge moeders op hun kraambed en worden vrouwen verkracht wanneer zij in het open veld gaan plassen omdat ze niet over een eigen toilet beschikken. Daarentegen spelen de problemen die kunnen volgen uit de klimaatverandering zich af over vijftig, zestig jaar. Deze schadelijke effecten van de klimaatverandering zijn bovendien nog met veel onzekerheid omgeven. Honger en extreme armoede vormen daarentegen hier en nu een clear and present danger voor één op de zeven wereldburgers. En hoewel door de opwarming van de aarde droogte, overstromingen, hittegolven en stormen toenemen, weten we ons steeds beter tegen de rampen te beschermen. Naar schatting vallen door ‘klimaat gerelateerde oorzaken’ zo’n 30 duizend doden per jaar. Dat is 1/250ste van de naar schatting 7,5 miljoen ‘armoede gerelateerde doden’ die er jaarlijks vallen. De vraag is dan ook of we in de nieuwe ontwikkelingsdoelen ‘People’ niet simpelweg voorrang hadden moeten geven boven ‘Planet’?

Dat is in elk geval het standpunt van 7,8 miljoen mensen in 88 landen. Via de website MyWorld2015.org kregen zij van de VN zestien ontwikkelingsdoelen voorgelegd. Vervolgens mochten zij aangeven welke zes doelen volgens hen de belangrijkste waren. Met stip kozen zij voor ‘goed onderwijs’, gevolgd door ‘betere gezondheidszorg’, een ‘eerlijke en betrokken overheid’, ‘meer kans op werk’, ‘toegang tot schoon water’, ‘betaalbaar en gezond voedsel’ en ‘bescherming tegen geweld en misdaad.’ Helemaal onderaan plaatsten zij ‘de bescherming van bossen, rivieren en oceanen’ en ‘actie tegen de klimaatverandering’.

Teveel SDG’s

Zijn er niet veel te veel SDG’s? Verliest het hele project niet aan kracht wanneer de hele wereld op de schop moet? ‘De nieuwe SDG’s zijn ‘waanzinnig’, meent bijvoorbeeld de econoom Jan Vandemoortele in het Vlaamse tijdschrift MO*. Vandemoortele was in 2000 betrokken bij het opstellen van de MDG’s. ‘Dat gaat niets opleveren, zo’n menu’, zegt hij nu. ‘Je hebt natuurlijk heel wat mensen die nu blij zijn dat hun ding erin zit: lidstaten, ngo’s en denktanks. Er is echter een groeiende groep die roept: ‘we hebben een monster gebaard. Dit gaat niet. Dit kan niet werken, want we hebben gewoon teveel targets’. Dat zeg ik niet alleen. Ook zwaarwichtige stemmen uit het Zuiden – zoals Graça Machel en Desmund Tutu – zijn dat oordeel toegedaan.’

‘Zelfs Mozes had niet meer dan tien beknopte geboden bij zich toen hij van de berg Sinaï afdaalde’ schrijft het tijdschrift The Economist in een pittig commentaar op de SDG’s. ‘De nieuwe doelen zijn zo veelomvattend, dat de hele onderneming gedoemd is te mislukken. En dat zou niet alleen een gemiste kans zijn, maar bovenal een verraad van de armste mensen in de wereld.’

Naast de lange officiële lijst van SDG’s, groeit inmiddels het aantal alternatieve lijstjes. Een daarvan werd ontworpen door de filosoof Thomas Pogge. In Pogge’s analyse is het vooral het Westerse zakenleven dat het Zuiden arm houdt. Met zijn eigen, mondiale denktank Academics Stand Against Poverty, ASAP, richt hij zich vooral op multinationals en op overheden die deze internationale bedrijven niet voldoende onder controle houden. Pogge formuleerde tien doelen. Een ervan is de verplichting voor multinationals om openheid van zaken te geven over de winsten die ze maken in arme landen. Belastingvlucht van deze bedrijven moet veel en veel krachtiger worden aangepakt. Juristen, accountants, bankiers en verzekeraars dienen veel zwaarder te worden bestraft, tot aan gevangenisstraf toe, wanneer zij meewerken aan het witwassen of wegsluizen van geld uit ontwikkelingslanden. Omgekeerd moeten opsporingsambtenaren in die landen beter worden getraind in het onderzoeken van financiële malversaties door internationale bedrijven. Pogge’s doelen zijn dan ook relatief goedkoop. Want voor het grootste deel bestaan ze uit hervormingen van nationale en internationale wetgeving, gevolgd door het naleven ervan. Pogge’s voorstellen zijn alleen al zo belangrijk, omdat ze laten zien hoe weinig aandacht voor deze thema’s bestaat in het mainstream denken over armoedebestrijding. Maar in het debat over de SDG’s neemt Pogge vooralsnog een marginale positie

Welke van de 169 subdoelen levert nu het meeste waar voor hun geld?

In het hart van dat debat staat daarentegen de Deense statisticus en politiek activist Bjorn Lomborg. Anders dan Pogge neemt de steevast in zwart t-shirt gehulde Lomborg de lange lijst met SDG’s als uitgangspunt en stelt vervolgens de simpele vraag: Welke van de 169 subdoelen levert nu het meeste waar voor hun geld? Stel, zegt Lomborg, dat je bijvoorbeeld voor een bepaald bedrag met ‘Doel A’ zo’n 3 miljoen levens kunnen redden, en voor het zelfde bedrag met ‘Doel B’, niet meer dan 300 duizend. Waarom zouden we doel A dan geen prioriteit geven boven doel B? Of wanneer een arm land met ‘maatregel A’ veel meer geld kan verdienen dan met ‘maatregel B’, waarom dan niet kiezen voor A ten koste van B? Lomborg pakt het thema voortvarend aan. In de zomer van 2014 legde hij zijn vraag voor aan zestig vooraanstaande economen, waaronder twee Nobelprijswinnaars. Het rekenwerk van de economen werd getoetst in meer dan honderd peer reviewed wetenschappelijk tijdschriften. En afgelopen voorjaar kwam Lomborg met de resultaten. Van de 169 doelen brengen er 19 werkelijk big bang for bucks. De overige 150 leveren een heel stuk minder op. De VN zou er volgens Lomborg dan ook goed aan doen om voor deze vooralsnog in de koelkast te zetten.

De SDG die Lomborg met stip bovenaan zet, is SDG 2.2, het opheffen van ondervoeding van kinderen. Wanneer het lukt om ervoor te zorgen dat jonge mensen goed en voldoende te eten krijgen, bevorder je daarmee niet alleen hun geluk, maar zorg je er ook voor dat ze levenslang gezonder, intelligenter en rijker zijn. Op een flink bord schoolpap per dag, groeit niet alleen het lichaam, maar ook de hersens. Kinderen met een gevulde maag gaan niet alleen vaker naar school, ze kunnen zich daar ook beter concentreren. Hoog op Lomborgs lijstje scoort ook het verder terugdringen van kindersterfte en ziektes als malaria, tuberculose en HIV/Aids.

Een SDG die arme landen direct harde dollars oplevert, is SDG 17.10, het wereldwijde afschaffen van handelsbarrières. Lomborgs team berekende dat elke dollar die aan dit doel wordt besteed, de armste landen niet minder dan 3500 dollar oplevert. Veel milieuwinst kan worden geboekt door het afschaffen van subsidies op fossiele energie. Zonder de 500 miljard dollar subsidie op olie, kolen en gas per jaar, wordt niet alleen hernieuwbare energie een stuk concurrerender, maar wordt ook meteen 500 miljard dollar bespaard.

De heldere uitkomsten van de MyWorld2015-survey, de tien van Pogge of de 19 van Lomborg zijn een belangrijke aanzet om prioriteiten aan te brengen in het majestueuze project van de SDG’s. Dat er nu maar liefst 169 Duurzame Ontwikkelingsdoelen liggen, is hoe dan ook een zwaktebod. Dank zij de MDG’s was de wereld zo duidelijk op weg om aan het schandaal van de extreme armoede een einde te maken. Dit ultieme doel wordt door de talloze en onbetaalbare hoeveelheid subdoelen zo versnipperd, dat de hele onderneming wel eens op niets uit zou kunnen lopen.

De vraag is nu wie de geest weer in de fles kan krijgen. De lobbymachines van staten, ngo’s en VN-organen zullen er in elk geval alles aan doen om hún SDG binnen het pakket te houden. Waarschijnlijk is er maar één man die de doelen kan redden. En dat is Ban Ki-moon, de betrokken VN-chef die de SDG-top van 25-27 september heeft geïnitieerd. Alleen hij heeft mogelijkerwijs het gezag én de macht om komende week een flink aantal doelen te schrappen en de wereldleiders een even klein als krachtig pakket voor te leggen. Doet hij dat niet, dan ziet het er slecht uit voor de meer dan een miljard extreem arme mensen.

Dit artikel verscheen eerder in de Groene Amsterdammer

Unaniem aanvaard door de internationale gemeenschap: de zeventien Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SGD’s). Hét kader voor het werken aan economische, ecologische en sociale vooruitgang wereldwijd voor de komende vijftien jaar. Hoe draagt Nederland met haar beleid bij aan het behalen van de doelen? Wat zijn de ontwikkelingen wereldwijd?

Blog: Gezondheidszorg voor iedereen of alleen de happy few?

Door Remco van der Veen | 12 december 2018

Vandaag is het Universal Health Coverage Day. Ministers van Financiën zien gezondheidszorg helaas vaak slechts als een uitgavenpost en geven prioriteit aan productieve investeringen in landbouw en infrastructuur. Dat moet anders, schrijft Remco van der Veen, director International Offices bij Cordaid.

Lees artikel

‘De oudere generatie heeft kennis, de jongere generatie heeft de energie en de toekomst.’

Door Lys-Anne Sirks | 11 december 2018

In haar beleidsnota ‘Investeren in perspectief’ zet minister Kaag sterk in op jongeren, maar wat vinden die zelf eigenlijk van de nota en de rol die hen daarin wordt opgelegd? Volgens Francis Arinaitwe, een jonge ondernemer uit Kenia,  is het vooral cruciaal om ‘jongeren zeggenschap te geven over hun eigen toekomst’.  

Lees artikel

Bossen: onze krachtigste high-tech klimaatoplossing

Door Han de Groot | 03 december 2018

Als we over klimaat oplossingen praten, gaat het gesprek bijna altijd over de vermindering van fossiele brandstoffen. Maar volgens Han de Groot, CEO van de Rainforest Alliance, is dat maar een deel van de oplossing en zou het veel meer over bossen moeten gaan: de meest krachtige en efficiënte CO2 opnemende technologie die het wereld ooit heeft gezien.

Lees artikel