Door:
Vera Hendriks

11 maart 2015

Tags

13738265083_13debfe5d7_z kopieEr komt meer flexibiliteit om in te spelen op context, geleerde lessen en voortschrijdend inzicht in de nieuwe strategische partnerschappen. In plaats van een ‘strak handvest en een kristallen bol’ moeten strategische partners de vrijheid en verantwoordelijkheid krijgen om het proces van ontwikkeling en beleidsbeïnvloeding al doende vorm te geven, en waar nodig onderweg in samenspraak bij te sturen. Het gestelde doel verandert niet, de weg ernaar toe wel. Dat is één van de boodschappen van de vorige week bij BZ gehouden ‘Theory of Change’-conferentie.Binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken zijn de verschillende themadirecties en ambassades al langer bezig met het opstellen van hun eigen ‘Theory of Change’ ofwel ‘veranderingstheorie’. Daarnaast maakte het opstellen van een eigen Theory of Change (ToC) deel uit van het aanvraagkader voor de strategische partnerschappen tussen de overheid en ngo’s. Het ‘Theory of Change’-idee is dat actoren samen gaan nadenken over wat ze zouden willen veranderen en de manier waarop dat zou kunnen. In een Theory of Change worden aannames die ten grondslag liggen aan beleid en interventies expliciet gemaakt. Waarom denken we dat A tot B leidt? Een veranderingstheorie is geen lineair of statisch iets; het kan voortdurend aangepast worden aan nieuwe omstandigheden. Reina Buijs (plaatsvervangend Directeur-Generaal Internationale Samenwerking) legt uit: ‘Het grote verschil is dat je met een veranderingstheorie veel meer naar de onderliggende factoren kijkt en je aannames veel explicieter maakt.’ Die aannames kun je vervolgens toetsen. Eén reden dat het ministerie sterk is gaan inzetten op dit instrument, is dat het karakter van ontwikkelingssamenwerking de afgelopen tien jaar is veranderd. ‘We zijn in een totaal andere dynamiek terecht gekomen. Je hebt veel meer actoren en ODA is nog maar een heel klein percentage van wat er allemaal in een land bijdraagt aan ontwikkeling,’ aldus Buijs. ‘Dat maakt dat je continu in staat moet zijn je werk aan te passen, anders ben je niet meer relevant.’ Verzet Maarten Brouwer, Nederlands ambassadeur in Mali, is een voorstander van de nieuwe aanpak, omdat deze veel beter past bij de realiteit van complexe ontwikkelingsprocessen over de lange termijn. ‘Wat ik in Mali ervaar is dat een heel groot deel van het ‘veranderen’ gaat over het managen van verzet. Wie verzet zich nu precies tegen verandering en waarom? Welke belangen spelen daar? Onze Theory of Change gaat niet uit van het principe dat wij daar bepalen wat de verandering moet zijn, maar dat je als het ware de ruimte creëert waarbinnen verandering tot stand kan komen. Verandering die van binnenuit komt. En dat je de beperkende voorwaarden die er zijn probeert weg te nemen.’ Een lineaire manier van werken schiet hierbij tekort, aldus Brouwer. In de strategische partnerschappen wordt daarom de relatie tussen de partners (ministerie en ngo of alliantie) veel belangrijker dan voorheen in MFS-II. Waar MFS-II van allianties verlangde dat resultaten vijf jaar vooruit werden gepland en er in de evaluatie moet worden aangetoond dat die geplande resultaten ook daadwerkelijk zijn gehaald, geeft het ministerie haar partners nu veel meer de vrije teugel. Brouwer: ‘Het is een hele andere dialoog, of je met partners praat over beoogd resultaat, of over een beoogde verandering.’ Buijs: ‘Wat de bedoeling is, is dat je met de strategisch partners samen een strategisch doel vaststelt waar je naartoe wil werken. En dat je dan met elkaar kijkt: waar hebben we elkaar nodig en waar kunnen we elkaar versterken?’ Experimenteren Door middel van één à tweejaarlijkse gesprekken wil het ministerie op de hoogte blijven van veranderingen en resultaten bij uitvoerende partners. Waar nodig kunnen tussentijdse doelstellingen worden aangepast, of programma’s een andere richting krijgen, inspelend op geleerde lessen, nieuw onderzoek of actuele gebeurtenissen. Buijs zegt: ‘We willen meer kunnen experimenteren, meer openstaan en meer leren onderweg. Dat vereist lef, en ook vertrouwen in elkaar als partners.’ Wat betreft resultaten zal het meer gaan om het benoemen van de verschillende stappen die onderweg worden gemaakt. ‘Niet meer het resultaat, maar een resultaat,’ verwoordt Brouwer het idee. ‘Wat je een resultaat noemt kan onderweg veranderen. Het gaat om het proces, en om hoe je keuzes en aannames uitlegt.’ Hoe dit binnen de partnerschappen praktisch vormgegeven gaat worden, is nog wel een vraag van de op de conferentie aanwezige ngo’s. ‘Het proces van reflecteren op en leren van een Theory of Change kost veel tijd en investering. Krijgen we daar binnen de strategische partnerschappen wel voldoende ruimte voor?’ aldus Marjan van Es (Hivos). Een andere vraag richt zich op het IOB: ‘Gaat het IOB dit ook meenemen in haar evaluaties en hoe evalueer je iets dat continu verandert?’ Verder gaat het inbouwen van ToCs als voorwaarde in het kader van de partnerschappen lijnrecht in tegen het advies van panellid Jan Brouwers (CDI): ‘Je moet niet je ToC als onderdeel opnemen in een contract, want dat beperkt je vermogen tot aanpassing van je aannames.’ In elk geval is het ministerie overtuigd van haar nieuwe richting en van plan er in alle divisies mee te gaan werken. Reina Buijs: ‘We willen af van die korte horizon.’ Maarten Brouwer: ‘Je kunt twintig jaar lang onzichtbaar onder de oppervlakte werken en dan opeens komt het resultaat naar boven. Pas op dat moment te zeggen: ‘dat is een effectieve bijdrage’, dat is gewoon niet de kern van de realiteit.’ Buijs concludeert: ‘Het is pas effectief omdat je al die andere dingen ervoor hebt gedaan. Het is geen trucje, het is een proces. En de Theory of Change is een instrument dat helpt om al deze dingen inzichtelijk te maken.’ Foto: DG ECHO/Anouk Delafortrie, Malinese vluchtelingen in Mauritanië

Opinie: ‘Brief minister Kaag over maatschappelijk middenveld: analytisch zwak en weinig ambitieus’

Door Fons van der Velden | 09 juli 2019

Het is een groot goed dat de Nederlandse overheid zoveel fondsen ter beschikking stelt voor de versterking van maatschappelijke organisaties en maatschappelijk middenveld, schrijft Fons van der Velden in deze opiniebijdrage naar aanleiding van de kamerbrief van minister Kaag. Maar hij vindt de brief analytisch zwak en van weinig ambitie getuigen. Wat had beter gekund?

Lees artikel

Tip 3 aan Kaag: ‘Lever in op je privilege en geef zuidelijke organisaties meer inspraak bij het bepalen van prioriteiten’

Door Lizan Nijkrake | 08 juli 2019

Minister Kaag werkt hard aan een nieuw subsidiekader voor het maatschappelijk middenveld. Ze wil meer eigenaarschap geven aan zuidelijke ngo’s om hen meer legitimiteit te geven, en ziet daarbij een andere rol voor Nederlandse organisaties. Vice Versa vroeg vier zuidelijke organisaties hoe zij dit zien. Wat is hun gouden tip voor onze minister? Met vandaag Carla López Cabrera, directeur van Fondo Centroamericano de Mujeres (FCAM) in Nicaragua, een feministisch fonds dat lokale vrouwenrechtenbewegingen in Centraal Amerika steunt.

Lees artikel

Shifting fundamental power issues in funding relationships

Door Evelijne Bruning Ruerd Ruben en Lau Schulpen | 02 juli 2019

This article claims that the current aid architecture favours clientilism, dependency and short-term projects. The authors Evelijne Bruning (The Hunger Project) Ruerd Ruben (Wageningen University & Research) and Lau Schulpen (Radboud University Nijmegen) are suggesting four possible ways to overcome this in order to shift power closer to the ground.

Lees artikel