Door:
Rebecca Tank

13 oktober 2014

Categorieën

mijkedewaardtOp woensdag 8 oktober promoveerde Mijke de Waardt aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en verdedigde zij haar proefschrift: ‘In the name of the victims: Victim-survivor associations negotiating for recognition in post-conflict Peru.’ In haar proefschrift gaat De Waardt in op de gerechtigdheid na een gewapend conflict of autoritair systeem en de werkelijke ideeën en  behoeften van georganiseerde slachtoffers. Ze kraakt een paar harde noten over de rol van ontwikkelingsorganisaties die zeker in het kader van de actuele discussie over de strategische partnerschappen van groot belang zijn. Na twintig maanden onderzoek te hebben gedaan op uiteenlopende locaties tijdens zes verschillende periodes was de dag dan eindelijk gekomen dat promovendus Mijke de Waardt haar proefschrift mocht verdedigen ten overstaan van de promotiecommissie. Voordat De Waardt in 2008 aan haar onderzoek begon, kwam zij al zes jaar in Peru. Haar interesse in post-conflict situaties en de kennis van het land, de taal, het onderwerp en haar bestaande netwerk hebben ervoor gezorgd dat haar proefschrift lovende woorden ontving van de promotiecommissie. Het auditorium was gevuld met trotse familieleden, vrienden, kennissen en overige belangstellenden die allen aandachtig zaten te luisteren naar De Waardt toen zij de belangrijkste bevindingen van haar onderzoek kort presenteerde en antwoord gaf op de kritische vragen van de hoogleraren. Van verdriet naar actie De term transitional justice speelde een centrale rol in het onderzoek van De Waardt, waarbij gekeken werd naar de specifieke benadering die de staat kiest over hoe om te gaan met mensenrechtenschendingen zodat soortgelijke situaties zich niet weer zullen voordoen. Verdwijningen van familieleden, vluchten voor geweld en onterechte gevangenisstraffen behoorden helaas tot het dagelijkse leven van vele inwoners die te maken hadden met post-conflict situaties. Daarbij deed de Peruaanse regering vrij weinig om deze mensenrechtenschendingen tegen te gaan en was in verschillende gevallen zelf schuldig. Dit resulteerde uiteindelijk in de totstandkoming van slachtofferverenigingen om deze vicieuze cirkel te doorbreken. Slachtoffers legden niet alleen openbare getuigenissen af, maar begonnen ook zichzelf te organiseren en demonstreerden om hun eisen kenbaar te maken aan de staat. ‘Het is dus niet alleen een typisch beeld van een slachtoffer die een getuigenis geeft, maar ook een slachtoffer die iets doet en een eis heeft voor de post-conflict situatie,’ lichtte De Waardt toe. De emotionele getuigenissen in 2002 aan de Peruaanse Waarheids en Verzoeningscommissie van de slachtoffers hadden een diepe indruk achtergelaten op De Waardt, waarop zij in 2008 besloot onderzoek te verrichten naar  de specifieke behoeften van deze slachtoffers en de mogelijkheden die zij hebben om hun claims te presenteren. Haar conclusies waren echter alles behalve blijmoedig. Deprimerende conclusies Uit haar proefschrift kwamen drie belangrijke conclusies naar voren. Haar eerste conclusie ging over hoe dagelijkse semantische toepassingen van slachtofferschap werden geconstrueerd. De Waardt heeft onderzocht wat de consequenties waren van de definities rondom slachtofferschap. Dus hoe identificeer je mensen en wat doet dat met hen. Wanneer men kijkt naar ontwikkelingssamenwerking, concludeerde De Waardt dat ngo’s bijvoorbeeld het woord internally displaced person letterlijk geïntroduceerd hadden aan de Peruaanse bevolking. Men werd niet gezien als een interne migrant, maar als een interne vluchteling. De consequentie van dat mensen een label kregen wanneer zij hulpbehoevend zijn, is dus dat mensen zich echt zo gaan identificeren. Zelfs wanneer een bepaalde ngo op een gegeven moment een andere doelgroep had gekozen, bleven mensen zichzelf toch benoemen alsof ze tot die groep behoorden. Versnippering van het maatschappelijk middenveld De Waardt’s tweede bevinding is omtrent de versnippering van het maatschappelijk middenveld in Peru, dat bestaat uit grassroot organisaties en ngo’s. De onderlinge relatie tussen deze twee instituties staat onder spanning en in haar proefschrift onderscheidde De Waardt vier factoren die hieraan bijdroegen. Een daarvan is agenda setting processes, waarbij ngo’s steeds vaker met een tijdelijke agenda werken. Dat tijdelijke is lastig. Wanneer men een goed georganiseerde gemeenschap wil hebben, mag men volgens De Waardt geen tijdelijke agenda’s hebben. Een tweede aspect is dat het vrij ouderwets gestructureerd is. Enerzijds moeten ze dus aan capacity building doen, maar tegelijkertijd blijven ngo’s uit die nog niet zo goed hun doelstellingen kunnen formuleren. Volgens De Waardt werd er een beeld in stand gehouden van ‘de grassroots kunnen het niet zelf, ze hebben ons nodig.’  Een derde factor die De Waardt onderscheidde in haar proefschrift was de ongelijke partnerschappen. ‘Je ziet dat een zuidelijke partner, zoals verschillende grassroot organisaties, bepaalde dingen moeten doen omdat ze met een noordelijke partner werken. Maar daardoor krijg je dus heel veel competitie tussen die zuidelijke partners. Dit heeft een negatief effect op elkaar, want je gaat dus niet samen strijden tegen de overheid.’ Het vierde punt betrof de ongelijke sociaalgeografische verdeling van ontwikkelingssamenwerking. Bepaalde regio’s in Peru krijgen veel aandacht van ngo’s en andere niet. Dat heeft niet per se te maken met de behoeften van de grassroot organisaties, maar het heeft te maken met het feit dat ze daar al veel langer zitten en werkzaam zijn. ‘Ik heb wel gevraagd waarom de ene groep wel ondersteund werd en de andere niet,’ legde De Waardt uit, ‘maar ze zijn dus ingebed in die relaties. Enerzijds begrijp ik het wel, want als jij daar al werkt en je hebt al personeel daar, dan is dat wel heel makkelijk. Omgekeerd, het gaat uiteindelijk om de behoefte en dat zou de reden moeten zijn waarom je daar gaat werken. Niet omdat jouw organisatie daar al zit.’ Geen monumenten maar financiële compensatie Om haar laatste conclusie te formuleren hield De Waardt zich bezig met de vraag wat gerechtigheid voor de slachtoffers betekent. In het geval van post-conflict situaties in Peru wilde men vooral een financiële reparatie en deze conclusie had De Waardt in eerste instantie niet echt verwacht. ‘Ik wist nog niet zo zeer dat financiële compensatie de belangrijkste factor zou zijn. Ik had zelf eerder gedacht aan daderstrafprocessen of monumenten.’ Door heel Peru zijn tal van monumenten te vinden die zijn opgericht door ngo’s om slachtoffers van mensenrechtenschendingen te herdenken. Het is punt is alleen dat de slachtoffers zelf deze monumenten niet bezoeken en er eigenlijk ook geen behoefte aan hebben. ‘Ik kan er toch niet van eten’ of  ‘ik ga er toch niet naartoe om het te herinneren’ waren terugkerende reacties van slachtoffers met wie De Waardt gesproken had. Hetgeen dat uit De Waardt’ s onderzoek naar voren kwam was dat de slachtoffers graag wilden dat de staat hun recht zou uitvoeren. Dus wanneer men recht heeft op reparatie, de staat zich ook aan deze verplichting heeft te houden. Toekomstbeeld Met de publicatie van haar proefschrift hoopt De Waardt dat, vanuit Nederland gezien,  men niet langer automatisch een partner uitkiest,  maar dat er meer gekeken gaat worden naar waar de behoefte ligt en welke grassroot organisatie of ngo deze mensen het beste kan voorzien in hun behoeften. Vooral nu in Nederland de herziening van de strategische partnerschappen een belangrijk onderdeel is binnen het politieke debat, vormt het proefschrift van De Waardt een essentieel naslagwerk voor verscheidene beleidsmedewerkers. Daarnaast wil De Waardt graag een soortgelijk onderzoek uitvoeren in Colombia vanwege de onderhandelingen tussen de FARC en de staat, waarbij slachtofferorganisaties een belangrijke rol spelen.   Bovenstaand onderzoek is uitgevoerd bij het CEDLA en bij de VU in Amsterdam. De Waardt werkt momenteel als docente culturele antropologie en ontwikkelingssociologie aan de VU.  

Opinie: ‘Brief minister Kaag over maatschappelijk middenveld: analytisch zwak en weinig ambitieus’

Door Fons van der Velden | 09 juli 2019

Het is een groot goed dat de Nederlandse overheid zoveel fondsen ter beschikking stelt voor de versterking van maatschappelijke organisaties en maatschappelijk middenveld, schrijft Fons van der Velden in deze opiniebijdrage naar aanleiding van de kamerbrief van minister Kaag. Maar hij vindt de brief analytisch zwak en van weinig ambitie getuigen. Wat had beter gekund?

Lees artikel

Tip 3 aan Kaag: ‘Lever in op je privilege en geef zuidelijke organisaties meer inspraak bij het bepalen van prioriteiten’

Door Lizan Nijkrake | 08 juli 2019

Minister Kaag werkt hard aan een nieuw subsidiekader voor het maatschappelijk middenveld. Ze wil meer eigenaarschap geven aan zuidelijke ngo’s om hen meer legitimiteit te geven, en ziet daarbij een andere rol voor Nederlandse organisaties. Vice Versa vroeg vier zuidelijke organisaties hoe zij dit zien. Wat is hun gouden tip voor onze minister? Met vandaag Carla López Cabrera, directeur van Fondo Centroamericano de Mujeres (FCAM) in Nicaragua, een feministisch fonds dat lokale vrouwenrechtenbewegingen in Centraal Amerika steunt.

Lees artikel

Shifting fundamental power issues in funding relationships

Door Evelijne Bruning Ruerd Ruben en Lau Schulpen | 02 juli 2019

This article claims that the current aid architecture favours clientilism, dependency and short-term projects. The authors Evelijne Bruning (The Hunger Project) Ruerd Ruben (Wageningen University & Research) and Lau Schulpen (Radboud University Nijmegen) are suggesting four possible ways to overcome this in order to shift power closer to the ground.

Lees artikel