Door:
Vice Versa

7 oktober 2014

Tags

SNV Ug@25 Years-RvK JN kopie
Links: Joost Nelen, Rechts: Rinus van Klinken

OPINIE – Waarom gaat het zo vaak mis met het formuleren van resultaten binnen de ontwikkelingssamenwerking?  Dat komt omdat de huidige praktijk verschoven is van probleemgerichte benaderingen naar oplossing gestuurde methodes. Dit schrijven SNV-deskundigen Rinus van Klinken en Joost Nelen, samen goed voor meer dan vijftig jaar veldervaring in Afrika, in deze opiniebijdrage. Om echt een goede afweging te kunnen maken zijn diepe inzichten in lokale dynamiek en essentieel. Maar daar krijgen veldwerkers in de praktijk haast nauwelijks meer de kans toe. Ontwikkelingssamenwerking staat onder druk. De praktijk om via vele projectjes arme mensen van een betere toekomst te voorzien, is uit de gratie. Het heeft legitimiteit verloren, omdat het geen duidelijke en inzichtelijke resultaten oplevert. En het leek teveel trekjes te krijgen van paternalisme, en hoort dus niet meer bij deze tijd. Wat ervoor in de plaats gekomen is? Twee dominante benaderingen, één gericht op de overheid en de andere gericht op het bedrijfsleven. Werd een aantal jaren geleden nog veel heil verwacht van het versterken van en werken via de overheid, nu lijkt General Budget Support aan overheden op z’n retour te zijn. In plaats daarvan krijgen grootschalige programma’s vorm die wel de overheid in de uitvoering betrekken maar uitbesteed worden aan grote consultancy bureaus, multilaterale platforms en NGO’s. De andere vorm van ontwikkelingssamenwerking, het ondersteunen van het bedrijfsleven (hier én daar, klein én groot) zit in de lift (“trade not aid”). Alles wat niet onder die twee benaderingen valt,lijkt in de knel te komen. Het is te moeilijk. Werkt veel te traag en vraagt teveel tijd. En Henk en Ingrid begrijpen het niet. Kanttekeningen Als twee oude rotten in het vak zien we de noodzaak van veranderingen. We zijn gepokt en gemazeld in de tijd dat ontwikkelingssamenwerking in Nederland niet controversieel was en een warm hart werd toegedragen. En in de landen waar we werkten waren de capaciteiten gering, infrastructuur minimaal, globalisering was een woord in de academische literatuur en buitenlandse steun had een goede pers. Nu de context is veranderd, moet natuurlijk de manier waarop we werken ook veranderen. Maar bij die veranderingen willen we twee aantekeningen maken. Ten eerste vinden we dat er te vaak genuanceerde vraagstellingen sneuvelen op het altaar van versimpeling, om er maar voor te zorgen dat we draagvlak houden of bij de dominante benadering passen. En ten tweede zetten we kanttekeningen bij de trend naar globale ontwikkelingen en algemene benaderingen, waar het aandragen van kant en klare oplossingen als superieur wordt gezien boven het begrijpen van de lokaal-specifieke problemen. Simpele resultaten Er zijn legio voorbeelden te noemen uit de praktijk hoe het vaak mis gaat, als de complexiteit van alle dag en van anders denkende samenlevingen wordt versimpeld. In de ontwikkelingspraktijk is er een sterke trend om te focussen op resultaten. Dat is prima, als die resultaten recht doen aan het beginsel dat de ontwikkeling van een land of bevolkingsgroep niet te vangen is in simpele, één-dimensionele indicatoren. En daar gaat het vaak mis. Teveel van de resultaten zijn korte termijn, gericht op wat zichtbaar en meetbaar is, en gaan voorbij aan de sociale dynamiek en relaties waar ontwikkelingsinspanningen mee te maken hebben. Die versimpeling van de praktijk is er de oorzaak van, dat resultaten gescoord worden, zonder dat de lokale maatschappij er iets mee opschiet. Twee voorbeelden uit onze praktijk maken dat duidelijk. In het zuiden van Mali is katoen van oudsher het belangrijkste gewas voor boeren. Na jarenlange groei kwam aan het eind van de jaren ’90 de klad in de wereldmarktprijs, terwijl kosten bleven stijgen. Daarbij kwam nog dat het monopolie en (wan-) beheer van het staatshandelsbedrijf CMDT steeds sterker bekritiseerd werden. Ontwikkelingsinspanningen gingen zich logischerwijs richten op diversifiëring van boerenproducten, zoals graan, sesam of karité. De CMDT had een uitgebreid netwerk van landbouwvoorlichters en diensten dat jarenlang goed gefunctioneerd had en dat daarvoor gebruikt zou kunnen worden, maar de nieuwe programma’s wilden zich, begrijpelijk, distantiëren van het staatsbedrijf.. Het zou opgezet worden volgens het toen net in opkomst zijnde model van geïntegreerde ketenbeheer (value chain development). En inderdaad, de aanpak leek te lukken, want boerencoöperaties kwamen van de grond en gingen contracten aan met private ondernemingen of voedselprogramma’s. De betrokken ontwikkelingsorganisaties konden terecht klinkende resultaten rapporteren, dat zoveel functionele boerencoöperaties waren opgericht, x tonnen verhandeld en dat y boeren daarvan profiteerden. De werkelijkheid laat zich minder makkelijk dwingen De werkelijkheid laat zich minder gemakkelijk dwingen. Ten eerste bleek dat het overgrote deel van voedselproductie, verwerking en handel haar weg bleef vinden via bestaande handelsnetwerken en informele markten. Hoewel de omzet van de graancoöperaties gestaag toenam in de loop der jaren, bleek dat zelfs in optimistische schattingen hun aandeel minder dan 15% van de werkelijke lokale productie en omzet te zijn, ook onder de leden van de coöperaties. Datzelfde gold voor sesam of karité. Ten tweede zorgde de uitvoering van de plannen ervoor dat voor de betrokken boeren de nieuwe graanmarkten eerder meer voedselonzekerheid dan -zekerheid bewerkstelligde. Een evaluatie in 2013 concludeerde dat de voedselsituatie was verslechterd sinds 2007. Het programma had zelf weinig invloed op de verslechtering, die meer haar wortels in de katoencrisis had. Edoch, het programma was doorgegaan met graanverkoop aan institutionele markten van het Wereld Voedselprogramma (WFP) terwijl een deel van de boerenfamilies problemen hadden met de aanleg van voedselvoorraden. ICT-systemen Een ander voorbeeld komt uit de Oost Afrikaanse praktijk. In een aantal landen zijn daar ICT systemen uitgerold, zoals voor technische oplossingen in de watersector. In Uganda is bijvoorbeeld een uitgebreid systeem opgezet, waar de lokale bevolking een SMS naar een centraal nummer kan sturen als de handpomp in het dorp gerepareerd moet worden. Het bericht wordt doorgeseind naar een monteur die in de buurt woont, die daarop naar het dorp komt om de pomp te repareren. Ook in Tanzania en Kenia zijn dergelijke systemen opgezet. Technisch valt er niets op aan te merken, en project rapportages krijgen lof omdat het systeem uitstekend werkt. Een revolutie toch, als je vanuit het dorp een Sms’je kunt sturen, dat dan resulteert in beter werkende pompen? Maar ook hier levert het resultaat van een prachtig werkend systeem nog geen verandering in de maatschappij op. Om Rakesh Rajani van het Oost-Afrikaanse Twaweza te parafraseren: wat technische innovaties zo revolutionair maakt, is niet de techniek zelf, maar hoe de techniek gebruikt wordt. De systemen zijn er en (kunnen) werken, maar worden niet gebruikt. De mensen in de dorpen nemen niet het initiatief om dat Sms’je te sturen, óók als de pomp kapot is. De oplossing is het probleem Met de gegeven voorbeelden proberen we aan te tonen dat de versimpeling van de ontwikkelingspraktijk om eenduidige resultaten te behalen vaak niet werkt. Het tegenargument kan dan zijn, dat in onze voorbeelden niet de resultaten het probleem zijn, maar dat die resultaten verkeerd geformuleerd waren. Dus, door een betere formulering van resultaten zou de ontwikkelingspraktijk beter kunnen functioneren. Maar waarom gaat het zo vaak mis met het formuleren van resultaten? Dat komt omdat de huidige praktijk verschoven is van probleemgerichte benaderingen naar oplossing gestuurde methodes. Te vaak worden op basis van veranderingstheorieën voorgekookte oplossingen geformuleerd, die dan voortvarend toegepast worden. In de dialoog met de lokale gemeenschap zoeken we niet hoe wij hen kunnen ondersteunen in het oplossen van problemen, maar is het meer een zoektocht hoe hun problemen in te passen in vooraf bedachte oplossingen. Zoals bij die graancoöperaties in Mali. De coöperaties zijn geënt op een wettelijk vastgelegd model. Dat organisatiemodel is sterk beïnvloed door functionering van katoencoöperaties: gericht op productie en collectieve afzet van één product, met een strak organigram waarbinnen voor sociale functies geen plaats is – een soort organisatie-monocultuur. Van coöperaties voor sesam of maïs werd verwacht dat ze zich naar dit model schikken. Op verschillende kaarten inzetten Een dergelijk organisatie werkt misschien binnen katoen alwaar grote handelsbedrijven het monopolie voor opkoop hebben, maar in geliberaliseerde of minder gestructureerde sub-sectoren blijken boerenfamilies hun kaarten op meerdere markten en opkopers te zetten om diverse redenen. De zekerheid van een institutionele markt (WFP), de toegang tot nieuwe inputs, trainingen of externe subsidies en projecten pleiten in het voordeel van coöperaties. Daartegenover staan de behoefte aan cash geld waarop handelaren sneller reageren dan banken of coöperaties, de traagheid van coöperaties, het vertrouwen of wantrouwen in bestuur van coöperaties, of duurzame sociale verbanden die bestaan tussen boeren en handelaren, maar die niet terug te vinden zijn in economische coöperaties. Het leven van die Malinese boeren bestaat uit allerlei facetten, verschillende activiteiten worden gecombineerd en het sociale vermengt zich met het economische. De interventies zetten enkel in op graan- of sesamhandel en de coöperaties hadden dus maar één marktfunctie – er impliciet vanuit gaand dat er genoeg menskracht beschikbaar was in dorpen voor meerdere coöperaties. Al tijdens de katoenhervorming hamerden boerenleiders op multifunctionele associaties, een pleidooi dat noch door overheid, noch door donoren en NGO’s is opgepikt: het paste niet in het keten-model. De rol van bestuurslid sloot niet aan bij het profiel van de boerenleiders die meerdere rollen hebben en die op verschillende sociale en politieke vlakken moeten manoeuvreren. Ook beantwoorden de coöperaties niet aan de behoefte van die leden die op willekeurige momenten willen verkopen. Waterinvesteringen leveren geen gezondheidsdividend op Een ander voorbeeld komt uit de watersector. Al jaren investeren overheden, donoren en NGO’s  veel geld in het aanleggen van watersystemen. Het sociale en economische argument hiervoor is dat schoner water leidt tot betere gezondheid, en een gezonde bevolking kan meer productief zijn. Maar helaas, vaak leveren de waterinvesteringen geen gezondheidsdividend op. Ten eerste niet omdat er vaak onvoldoende aandacht wordt besteed om de gebouwde systemen ook draaiende te houden met middelen die passen in lokale gewoontes. Maar ook, omdat een goede watervoorziening er niet automatisch toe leidt dat het water ook schoon en veilig drinkwater is: het transport en opslag moeten hygiënisch gebeuren. En omdat verbeterde gezondheid evenveel afhankelijk is van verbeterde sanitatie. Maar hygiëne en sanitatie vallen niet onder de verantwoordelijkheid van het water ministerie, behoren niet tot de competentie van waterleidingsbedrijven en vragen een andere expertise dan die van wateringenieurs. Dus de investering in waterprojecten levert alleen een kleine bijdrage aan de oplossing van het probleem van een gezonde bevolking. Aanvullende bijdrages die op elkaar afgestemd zijn, blijven nodig om vooruitgang te boeken op het niveau van de huishoudens. Conclusie: het probleem is de oplossing Het zal duidelijk geworden zijn dat te vaak de waarde van probleemgericht denken wordt onderschat. Oplossingen worden aangedragen vanuit een andere context, of op basis van globale debatten, en worden gepresenteerd als universele antwoorden. Zoals uit de voorbeelden uit onze praktijk uit Mali en Oost Afrika blijkt, hebben we zelf ook vuile handen gemaakt en door schade en schande geleerd dat het aandragen van globale oplossingen vaak niet werkt, en dat oplossingen gevonden moeten worden in de lokale maatschappij zelf. Dat betekent niet dat ervaringen uit andere delen van de wereld of uit de wetenschap niet relevant zijn. Er valt veel te leren van ‘best practice’ verhalen en voorbeelden, maar niet door het distilleren van simpele oplossingen. Wel via leerprocessen om te kunnen overwegen wat werkt in de lokale context en wat niet. Om die afweging te kunnen maken, zijn diepe inzichten in lokale dynamieken essentieel. We krijgen daar in onze praktijk haast nauwelijks meer de kans toe. De prestatiedrang is groot. Lange ervaring in één bepaald land wordt niet gezien als een voordeel (bv. lokale inzichten), maar eerder als een nadeel: geen inzicht in globale oplossingen – maar er zijn geen globale oplossingen, er is slechts mondiaal discours. De problemen waar wij in onze ontwikkelingspraktijk tegen aan lopen zijn complex. Bijdragen aan oplossingen kunnen alleen komen door het gestaag zoeken naar de ware aard van de problemen. Om vervolgens een analyse te maken hoe omgevingsfactoren en de lokale institutionele structuur inspelen op die problemen. Op basis daarvan kunnen mogelijke oplossingen ontworpen worden. Het is een zoektocht van vallen en opstaan. Er zijn geen shortcuts naar vooruitgang voor de lokale bevolkingsgroepen, waar wij mee werken. Rinus van Klinken werkt al meer dan 30 jaar voor SNV in plattelandsontwikkeling, voornamelijk in Oost Afrika. Naast een brede ontwikkelingservaring, heeft hij zich gespecialiseerd in pastoralisme, local governance en capacity development. Recentelijk werkt hij in de watersector, leiding gevend in Tanzania en nu in Uganda Joost Nelen is landbouwkundige met 20 jaar ervaring in West-Afrika, met name in Mali. Hij heeft zich gespecialiseerd in rurale economische ontwikkeling en beheer van natuurlijke hulpbronnen. Zijn ervaringen op het platteland van de Sahel liggen ten grondslag aan zijn belangstelling voor voedselzekerheidsvragen. Hij woont momenteel in Bamako, waar hij landbouw adviseur is voor SNV-Mali en andere SNV landen in West-Afrika.

Opinie: ‘Brief minister Kaag over maatschappelijk middenveld: analytisch zwak en weinig ambitieus’

Door Fons van der Velden | 09 juli 2019

Het is een groot goed dat de Nederlandse overheid zoveel fondsen ter beschikking stelt voor de versterking van maatschappelijke organisaties en maatschappelijk middenveld, schrijft Fons van der Velden in deze opiniebijdrage naar aanleiding van de kamerbrief van minister Kaag. Maar hij vindt de brief analytisch zwak en van weinig ambitie getuigen. Wat had beter gekund?

Lees artikel

Tip 3 aan Kaag: ‘Lever in op je privilege en geef zuidelijke organisaties meer inspraak bij het bepalen van prioriteiten’

Door Lizan Nijkrake | 08 juli 2019

Minister Kaag werkt hard aan een nieuw subsidiekader voor het maatschappelijk middenveld. Ze wil meer eigenaarschap geven aan zuidelijke ngo’s om hen meer legitimiteit te geven, en ziet daarbij een andere rol voor Nederlandse organisaties. Vice Versa vroeg vier zuidelijke organisaties hoe zij dit zien. Wat is hun gouden tip voor onze minister? Met vandaag Carla López Cabrera, directeur van Fondo Centroamericano de Mujeres (FCAM) in Nicaragua, een feministisch fonds dat lokale vrouwenrechtenbewegingen in Centraal Amerika steunt.

Lees artikel

Shifting fundamental power issues in funding relationships

Door Evelijne Bruning Ruerd Ruben en Lau Schulpen | 02 juli 2019

This article claims that the current aid architecture favours clientilism, dependency and short-term projects. The authors Evelijne Bruning (The Hunger Project) Ruerd Ruben (Wageningen University & Research) and Lau Schulpen (Radboud University Nijmegen) are suggesting four possible ways to overcome this in order to shift power closer to the ground.

Lees artikel