Door:
Vice Versa

3 oktober 2014

Categorieën

Tags

geld-300x235OPINIE – Het meeste geld voor projecten aan kinderen in ontwikkelingslanden gaat naar de grote ontwikkelingsorganisaties. Is dat wel terecht? vragen Henk van Stokkom (Doendenkers) en Mathijs Euwema (International Child Development Initiatives) zich af. Ze pleiten ervoor dat grote donoren voortaan 40 procent van hun fondsen verdelen onder kleine ngo’s. Dit stuk gaat over dat deel van wat wel -eufemistisch- de hulpindustrie wordt genoemd, dat zich richt op steun aan kinderen. Maar in principe geldt wat we hier zullen zeggen, vice versa, voor alle subsectoren van ons One Worldje. Er zijn, enigszins grof gezegd, drie soorten organisaties die projecten implementeren voor kinderen in ontwikkelingslanden. Lage inkomsten categorie: kleine stichtingen, bestaande uit vrijwilligers, die zich vaak richten op een projectje op één plek, en die hun geld voornamelijk werven onder een kleine achterban in eigen dorp of stad in Nederland (het zogenaamde Particulier Initiatief). Middel inkomsten categorie: dan zijn er de iets grotere organisaties, met een aantal betaalde stafleden van tussen de 1 en 15, een jaaromzet van een paar honderdduizend tot twee miljoen Euro, die projecten uitvoeren op meerdere plekken en landen, en die hun geld vooral binnen halen via bepaalde fondsen (Ministerie van Buitenlandse Zaken, EU, vermogensfondsen, etc.). Hoge inkomsten categorie: tenslotte heb je de echt grote organisaties, met meer dan 15 stafleden, meerdere afdelingen, waaronder altijd een forse fondsenwerving sectie, met een omzet/inkomsten van boven de twee miljoen die, naast werving vanuit dezelfde fondsen als waar bovengenoemde middel categorie ook haar geld probeert te vergaren, vaak ook nog zeer actief zijn op het terrein van de particuliere fondsenwerving (de jongens en meisjes die ons benaderen op straat en voor stations, en dergelijke) en richting het bedrijfsleven (corporate fundraising). Deze clubs krijgen bovendien vaak  geld uit de Postcode Loterij of de Vrienden Loterij. Beter in hun werk? Het moge duidelijk zijn dat organisaties uit de middel en hoge inkomsten categorie uit dezelfde ruif moeten eten. Een redelijk conservatieve schatting is dat zeker 80% van de beschikbare subsidies naar de grote clubs gaat, en dit is een stijgende trend[1]. De vraag is waarom dat zo is. De enige reden die zo op het oog legitiem lijkt, is als die grote meisjes en jongens heel veel beter zijn in hun werk dan de clubjes uit de middel categorie. Maar dat is niet zo. Als je kijkt naar costefficiency (een heel populaire term tegenwoordig in onze sector), dan is het maar zeer de vraag of grotere NGO’s het beter doen. Zo blijft er in de keten van donatie naar de uiteindelijke doelgroep bij die grote clubs altijd veel meer geld hangen onderweg, simpelweg omdat er veel meer “onderafnemers” zijn. Bij de middel clubjes zijn er meestal maar 1 of ten hoogste 2 stappen tussen de donatie en wat er in het veld terechtkomt. Daarnaast is er bij grotere clubs altijd meer sprake van bureaucratie en minder flexibiliteit, wat nooit bevorderlijk is voor de uitvoering. In termen van outputs (aantallen bereikt) zullen grotere organisaties het beter doen dan de kleinere NGOs, maar dat is dus alleen maar een kwestie van kwantiteit,niet van kwaliteit. Een beetje heel veel doen is toch zeker niet beter dan heel veel een beetje? Bovendien werken bij de wat kleinere clubs meestal gespecialiseerde en gefocuste professionals, terwijl  de grotere organisaties vaak voor elk wissewasje een expert van buitenaf moeten inhuren, omdat ze te breed bezig zijn en specifieke inhoudelijke expertise over kinderen missen (niet als het gaat om fondsenwerving, PR en lobby voor zich zelf; dat soort zaken beheersen ze prima!). Elkaar begrijpen Objectief gezien is het dus niet duidelijk waarom zoveel geld naar de grote meisjes en jongens gaat. Waarom gebeurt het dan toch? Twee belangrijke redenen: Grote donoren en de fondsenwervende afdelingen van de grote NGO’s weten elkaar makkelijk te vinden en, nog belangrijker, ze begrijpen elkaar. Van beide kanten zijn het vaak dames en heren met een bedrijfskundige of marketing achtergrond. Ze spreken hetzelfde taaltje, en zien er –vaak letterlijk- een beetje hetzelfde uit. U gelooft niet dat het zo simpel kan liggen? Onderzoek heeft allang uitgewezen dat het precies zo eenvoudig werkt. We houden nou eenmaal het meest van wat op ons lijkt[2]. Een tweede belanrijke reden ligt in volume. Grote donoren willen graag veel geld in één keer “wegzetten”. Dat is op zich begrijpelijk. 100 miljoen verdelen over twee ontvangende partijen is een stuk makkelijker dan hetzelfde bedrag aan 50 clubjes te schenken. Maar het is dus zeker niet persé beter! Natuurlijk zullen de donoren het bovenstaande met klem ontkennen. Ze zullen zeggen dat ze hoge kwaliteitseisen stellen aan organisaties die ze geld geven, dat ze uitgebreide selectie en monitorings mechanismes hanteren en dat hun voornaamste doel niet kwantiteit, maar kwaliteit is. Dat zullen ze zeggen, maar dan maken zich zelf (en u) wat wijs. Als dat namelijk echt, écht zo zou zijn, zou niet bijna al het grote geld naar de grote meisjes en jongens gaan. We pleiten voor een eerlijkere inkomsten verdeling. Bijvoorbeeld doordat subsidieverstrekkers zich verplichten tenminste 40% van het geld dat ze te besteden hebben te schenken aan kleinere NGOs (natuurlijk nog steeds met in achtneming van kwaliteit, effectiviteit, etc.).


[1] Zie bijvoorbeeld  file:///C:/Users/mathijs/AppData/Local/Temp/Goede%20Doelen%20Rapport%202014_def.pdf en file:///C:/Users/mathijs/AppData/Local/Temp/Goede%20Doelen%20Rapport%202013.pdf. Hoewel VFI een wat andere indeling hanteert is het zeer duidelijk dat de grotere organisaties steeds meer halen uit de beschikbare subsidiepotjes en de kleinere steeds minder.
[2]Als u ons niet gelooft lees dan bijvoorbeeld dit eens of Google zelf bijvoorbeeld ‘we like the people who look like us’.

Dangote wants to increase Nigeria’s self-reliance on food

Door Emmanuel Ndadozie | 30 november 2020

Nigeria relies largely on imported food to feed its population. Some years ago, the Nigerian multinational Dangote decided to change this situation. It started by purchasing six rice mills that will become operational in the next 18 months. Dangote Rice has started restructuring the rice farming sector tells Robert Coleman, Agricultural Director of Dangote’s rice business in Nigeria. ‘I believe agriculture is the future of Africa.’

Lees artikel

Minister Wiebes: woordvoerder van Shell of Nederlands Minister voor Economische Zaken en Klimaat?

Door Jurrian Veldhuizen | 25 november 2020

Inmiddels twee maanden geleden stelde Lammert van Raan van de Partij voor de Dieren 25 zeer kritische Kamervragen aan Minister Hoekstra van Financiën en Minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat over de twijfelachtige klimaatplannen van olie- en gasbedrijven. Minister Wiebes had lang de tijd nodig om antwoord te geven. Toen het uiteindelijk kwam, bleek de minister een uitstekende woordvoerder voor Shell en een kampioen in het ontwijken van vragen en daarmee verantwoordelijkheden, schrijft Jurrian Veldhuizen namens Building Change.

Lees artikel
UN Food Systems Summit 2021

Wie niet aan tafel mee mag praten, staat op het menu

Door Vice Versa | 24 november 2020

Oxfam Novib, Hivos, Both Ends en de AgriProFocus Food Security Policy Coalition pleiten voor duurzame en inclusieve voedselsystemen op de VN- wereldtop komend jaar. Tijdens de conferentie ‘Bold Actions for Food as a Source for Good’, op 23 en 24 November georganiseerd door de Wageningen Universiteit, het World Economic Forum en anderen, kan Minister Kaag aandringen op een ambitieuze Summit die harde afspraken maakt over de toekomst van ons voedsel.

Lees artikel