Door:
Ellen Mangnus

26 augustus 2014

Categorieën

Tags

Ellen edit
Leonard Fäustle

Hoe komt het toch dat er juist in een softe sector als de ontwikkelingssamenwerking zoveel macho’s rondlopen, vraagt Ellen Mangnus zich af in het laatste nummer van de Vice Versa. Ze ging te rade bij filosoof Alain de Botton. Wat blijkt: macho’s zijn op zoek naar liefde en erkenning. ‘Ach gut, wat een mannetje’ – eigenlijk schiet dat op OS-bijeenkomsten best vaak door mijn hoofd. Tijd om een keer wat over het machogedrag in de ontwikkelingssector te schrijven. In de ontwikkelingssamenwerking kom ik namelijk vaak mensen met zeer masculiene houding tegen. Dat uit zich in competitief gedrag, drang naar aandacht, ijdelheid en narcisme. Masculien gedrag wordt niet enkel vertoond door mannen, maar die voeren in onze sector wel de boventoon. Waar komt al dit mannetjesgedrag vandaan en wat betekent het voor de ontwikkelingssector? Status en wederkerigheid Volgens enkele denkers heeft de drang naar macht alles te maken met onzekerheid. In zijn boek Statusangst (2004) beschrijft filosoof Alain de Botton hoe ieder mens op zoek is naar de liefde van anderen. We zijn namelijk geboren met diepe onzekerheid en ons zelfbeeld hangt sterk af van wat anderen van ons vinden. Maken anderen bijvoorbeeld een negatieve opmerking, dan voelen we ons al snel gekrenkt, maar prijzen zij ons dan geloven we al snel dat we heel wat voorstellen. De Botton stelt dat mensen die status nastreven, zelden op zoek zijn naar materiële voordelen zoals geld of macht. Hun werkelijke drijfveer is verlangen naar liefde en erkenning. Juist vooraanstaanden zijn vaak onzeker. Zij zijn degenen die het meeste behoefte hebben aan aandacht, waardering en ontzag van anderen. In vroegere samenlevingen zoals de middeleeuwse was status aangeboren. Je werd geboren als een geestelijke, een boer of een heer. Maar ondanks dat de boer lager in de hiërarchie stond, werd zijn status wel erkend. Mensen uit andere klassen waren zich ervan bewust dat ze afhankelijk van de boer waren. Op hun beurt droegen de hogere klassen een zorgtaak voor de boer, bijvoorbeeld in de vorm van bescherming in tijden van oorlog. Er was dus wederkerigheid tussen de groepen. In onze tijd is status vooral afhankelijk van prestaties: door middel van onze prestaties kunnen we een bepaalde status verwerven. De positie die je weet te bemachtigen bepaalt hoeveel liefde je zult ontvangen. Iemand die een belangrijke positie bekleedt wordt erkend, een persoon die dat niet doet wordt niet opgemerkt. Dat brengt een bepaalde angst met zich mee. Zeker in tijden van bezuinigingen. Met velen concurreren we voor dezelfde positie en eenieder hangt het mogelijke lot boven het hoofd onopgemerkt te blijven. Schijnkwaliteit Wanneer mensen eenmaal een positie van belang bemachtigd hebben, doen ze er vaak alles aan om die te behouden. De aandacht, waardering en eer die ze ontvangen dragen bij aan hun positieve zelfbeeld – en dat willen ze niet kwijt. Vaak omgeven deze mensen die sterk aan hun positie hechten, die ik voor het gemak maar even ‘mannetjes’ noem, zich daarom met mensen die het met hen eens zijn. In dat laatste schuilt het gevaar. Wanneer zij zich omgeven met mensen die hun status bevestigen gaan ze hun positieve zelfbeeld als werkelijkheid zien. Ze verheffen zich boven de massa en vinden dat ze terecht op een podium staan. Samen met andere mannetjes bepalen ze de criteria voor wie toe mag treden tot de spaarzame podia die (in dit geval) de ontwikkelingssector ter beschikking staan. In aanmerking komen sollicitanten en collega’s die het beste kunnen meepraten en de mannetjes weten te behagen. Zo is de vicieuze cirkel rond. Niemand is meer kritisch, de mannetjes gaan in zichzelf geloven en de kwaliteit komt in het nauw. Zo zijn er in de ontwikkelingssamenwerking bijvoorbeeld directeuren die niet blieven dat ambitieuze werknemers de organisatie vertegenwoordigen op belangrijke conferenties of opiniestukken schrijven voor een krant. Die eer behouden ze liever voor zichzelf. Onopgemerkte expertise Een studie naar het old-boys network in de Nederlandse ontwikkelingssector zou verbazingwekkende resultaten opleveren: soms komen netwerken voort uit echte vriendschap of een gemeenschappelijk studieverleden. Maar de sector kent ook invloedrijke formele netwerken. De bekendste is waarschijnlijk de Buitenland Commissie van de PvdA, vroeger de Noord-Zuid Commissie geheten. Veel invloedrijke (oud)directeuren zijn daarvan lid geweest. Dit was dé plaats om te netwerken en op de hoogte gebracht te worden van nieuwtjes, dé plek om te zien en gezien te worden. Ook zijn er veel strategische informele verbanden; zoals het eetclubje van een aantal vrouwelijke directeuren uit de OS-sector. Zij speelden in 2007 zelfs een belangrijke rol in de campagne om een van hun leden, onze huidige minister Lilianne Ploumen, voorzitter van de PvdA te laten worden ten faveure van Jan Pronk. Van dezelfde orde is de zogenoemde ‘zwarte hand’, een tafelgenootschap dat al vanaf 2001 bestaat en waarvan Allert van der Ham (directeur SNV), Jan Gruiters (directeur PAX), Jan Bouke Wijbrandi (directeur Unicef), Jack van Ham (oud-directeur ICCO, tegenwoordig voorzitter van het Liliane Fonds) en Nina Tellegen (DOEN) de drijvende krachten zijn. Het is opvallend dat minister Ploumen als directeur van Cordaid in al deze netwerken een actieve rol speelde. Zij kent dus als geen ander het belang van deze netwerken. Het old boys network: de één zit in het bestuur of de raad van toezicht van de organisatie van de ander, en de derde fungeert als extern adviseur in reorganisatietrajecten bij de eerste twee. Op veel vlakken versterken zulke informele banden effectiviteit en samenwerking. Maar de vooraanstaanden bewaken hun terrein zo halsstarrig dat het maar moeilijk toegankelijk is voor buitenstaanders. Een negatief effect is dat experts die niet tot deze mannetjes-netwerken behoren, onopgemerkt blijven. Voor deze uitgave van Vice Versa interviewden Marc Broere en ik Fatumo Farah. Zij is directeur van HIRDA, de ontwikkelingsorganisatie van de Somalische Diaspora in Nederland. Wat was ik verbaasd om te horen hoe weinig Nederlandse ontwikkelingsorganisaties hen beraadslagen wanneer zij een project starten in Somalië. Wie in Nederland heeft immers meer kennis van de Somalische situatie dan de diaspora? Farah begreep wel waarom zij over het hoofd werden gezien. De Nederlandse organisaties werken nu eenmaal aan de hand van nauw gedefinieerde maatstaven van het ministerie of andere fondsenvertrekkers. Diasporabewegingen daarentegen werken meer op basis van gevoel en ervaring. Dat past dus niet binnen het kader van de Nederlandse organisaties. Die verkiezen consultants en adviseurs uit hun eigen netwerk boven mensen en organisaties die niet tot die eigen cirkel behoren. Zo zijn er ook tal van ervaren veldwerkers die het gevoel hebben dat zij niet meer meetellen. Hun professionele omgeving beschouwt hen als afgeschreven. Hebben ze in hun lange carrière nog niet op het podium gestaan en zijn zij nog niet tot de prominente netwerken doorgedrongen? Dan blijft dat waarschijnlijk zo. Het is uiterst triest dat juist deze vakmensen als eerste worden wegbezuinigd. Valse liefde Op Nieuwjaarsborrels en conferenties stoort het mij nog het meest. Dat gepronk en gebral. Borrels vol met mannetjes. En dat eigenlijk alleen voor een beetje liefde en erkenning… Mannetjes, zie toch in dat het hier om valse liefde gaat. Jullie aanbidders adoreren jullie status, niet jullie persoontje zelf. Laat het tot je doordringen dat teveel masculien gedrag leidt tot verlies aan expertise en kwaliteit, en streef naar een waardevoller vorm van erkenning. Ontwikkel je tot leermeester voor anderen, laat je betrokkenheid blijken door goed te luisteren naar een collega die je eerder niet zag staan. Breid je expertise uit en deel die met anderen, zonder je af te schermen voor kritiek, zonder angst je status te verliezen. Daar zou onze sector echt wat aan hebben. Ellen Mangnus werkt voor het Koninklijk Instituut voor de Tropen en doet in Wageningen een promotieonderzoek naar de praktijk van boeren in West-Afrika. Met Marc Broere schreef ze het boek Minder hypes, meer Hippocrates: Een positieve injectie voor de ontwikkelingssector. Dit artikel verscheen eerder in Vice Versa nummer 3 op 3 juli. Direct alle columns van Ellen Mangnus lezen? Neem dan snel een abonnement of bestel het los. Ontvang bij een abonnement gratis het boek ‘Congo Codes’ van Dirk Jan Koch of ‘Minder Hypes, Meer Hippocrates’ van Marc Broere en Ellen Mangnus.

De schaduwzijde van de lokalisatie-agenda: ‘stropen’ van lokaal personeel

Door Dirk Jan Koch | 13 juli 2020

In deze column-serie licht Dirk-Jan Koch eens per twee maanden een onderwerp uit waar hij mee bezig is in het kader van zijn onderzoeksproject ‘ongeplande effecten van internationale samenwerking’. Deze keer: wat als ngo’s ook hun personeelsbeleid ‘lokaliseren’? ‘Voor de individuele medewerker is het top, maar het vertrek van de beste stafleden naar internationale clubs kan lokale organisaties verzwakken.’

Lees artikel

Zomernummer Vice Versa is uit

Door Marc Broere | 09 juli 2020

Het extra dikke zomernummer van Vice Versa is uit en staat weer boordevol interviews, reportages, achtergrondverhalen, beeldverhalen, essays en columns. Een overzicht van de artikelen.

Lees artikel

De erfenis van vier bevlogen vrouwelijke ministers

Door Paul Hoebink | 07 juli 2020

Vier vrouwelijke ministers van Ontwikkelingssamenwerking sloegen eind vorige eeuw de handen ineen met de ‘Utstein-4’. De Nederlandse Eveline Herfkens was een van hen. Wat hebben zij samen bereikt? Herfkens’ long time partner in life and work poogt in zijn nieuwste boek de balans op te maken, maar raakt verstrikt in de feiten.

Lees artikel