Foto: Aad Meijer. Foto: Aad Meijer. Ruimte voor diversiteit en discussie, benadrukt minister Ploumen als het gaat over haar nieuwe beleidskader. Ze wil niet teveel voorschrijven voor de strategische partnerschappen die in 2015 van start gaan. Maar wie een subsidieaanvraag indient, moet wel aansluiten bij haar beleid. Waar de vrijheid van organisaties precies begint en ophoudt, blijft nog vaag – of misschien juist spannend? Ploumen: ‘Ik wil niet alles vastleggen, anders kan ik beter tenders uitschrijven.’ Het is stil op de vierde verdieping van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Kantoren zijn leeggehaald en stoelen staan opgestapeld op de gangen. Het gebouw op de Bezuidenhoutseweg wordt heringericht om flexplekken te creëren voor ‘het nieuwe werken’, zo vertelt persvoorlichter Roel van der Meij, die ons naar het einde van de gang loodst. De kamer van minister Ploumen van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is onaangetast gebleven. De minister ontvangt ons hartelijk. Ze komt net uit het vragenuurtje van de Tweede Kamer, alwaar ze heeft toegezegd een substantieel bedrag vrij te maken voor de slachtoffers van het conflict in Zuid-Soedan. Maar in dit gesprek staat het nieuwe kader voor het maatschappelijk middenveld centraal, dat enkele uren voor het interview openbaar werd gemaakt. Naar de brief werd reikhalzend uitgekeken door de ontwikkelingssector en de minister licht haar keuzes graag toe in een interview. U bent zelf directeur geweest van ontwikkelingsorganisaties. Zou u in die positie blij geweest zijn met dit kader? ‘Ik zou heel blij zijn geweest dat de overheid partner met mij zou willen worden, zeker omdat je daarbinnen je eigen koers kunt blijven varen. De relatie tussen overheid en maatschappelijke organisaties is de afgelopen jaren tenslotte toch te technocratisch geworden en iets teveel gaan draaien om allerlei eisen op het gebied van kwantitatieve verslaglegging. Terwijl je juist het gesprek wilt aangaan: hoe kunnen we samenwerken om extreme armoede uit te bannen in 2030 en wat is ieders rol? Tegelijk zou ik dit beleidskader ook spannend hebben gevonden. Het draait om bepleiten en beïnvloeden, maar hoe meet je de resultaten daarvan? Dat is lastig, want die behaal je pas op de langere termijn. Bovendien behaal je die nooit alleen en daarom is het belangrijk een partnerschap te hebben. Ngo’s hebben andere netwerken en daar komen weer andere inzichten uit voort. In mijn tijd als directeur van Cordaid heb ik wel geleerd dat de beste lobbyisten degene zijn van wie je het meeste “last” hebt. Daarmee bedoel ik niet dat ze je steeds lastig vallen, maar wel dat ze heel consistent een sterke case hebben opgebouwd. De relatie die je binnen zo’n partnerschap aangaat, is gebaseerd op vertrouwen. Dat betekent dat er frequent contact moet zijn. Dat betekent ook dat je elkaar soms aanvult en soms confronteert. Het is echt pionieren, zowel als het gaat om het partnerschap als om bepleiten en beïnvloeden.’ In het beleidskader staat dat onderwerpen gerelateerd moeten zijn aan de brede beleidsagenda. Heeft u het dan over brede onderwerpen, zoals inclusieve groei of ongelijkheid? Of juist over heel specifieke onderwerpen? ‘Dat mag allebei. Het gaat nadrukkelijk niet alleen om de vier speerpunten maar om de brede agenda van Wat de wereld verdient. Dan gaat het over onderwerpen als inclusieve groei, beleidscoherentie, private sectorontwikkeling en allerlei politieke processen. Ik wil daar niet beperkend in zijn.’ Een thema als onderwijs staat niet op uw agenda. Maak je automatisch geen kans op subsidie als je je daar als organisatie mee bezighoudt?  ‘Onderwijs is inderdaad geen speerpunt meer. Het zou wel passen als het gaat om beroepsonderwijs en onderwijs aan meisjes, bijvoorbeeld als strategie om kindhuwelijken tegen te gaan en rechten van vrouwen en meisjes te bevorderen. Dit is ook de reden waarom ik niet teveel kaders wil stellen in de beleidsbrief. Dat maakt het aan de ene kant voor organisaties een beleidsbrief die veel mogelijkheden biedt, aan de andere kant kan ik me voorstellen dat het voor organisaties ingewikkeld is om te duiden waar de grenzen precies liggen. De grens wat wel en wat niet aansluit bij het beleid, is nooit zwart-wit. Het is een zoektocht. Maar ik wil absoluut niet dat organisaties hun beleid gaan aanpassen aan de agenda van de minister. Mijn wens is juist dat ze vanuit hun eigen mandaat en opvattingen kijken hoe zij kunnen aansluiten bij de brede agenda.’ Zijn er onderwerpen waarvan u denkt: dit ga ik nooit financieren? Twijfelt: ‘Ja, daar wil ik nog wel eens even over nadenken. Het ligt niet voor de hand om op onderwerpen waar Nederland niet actief is een partnerschap aan te gaan. Beide partijen moeten natuurlijk wel iets in kunnen brengen. Primair onderwijs in de brede zin van het woord past daarom bijvoorbeeld minder goed. Maar dáár zit niet het probleem.’ Waar zit dan wel het probleem? ‘Organisaties maken zich er vooral zorgen over dat ze minder geld krijgen.’ Wij kunnen ons voorstellen dat ze zich ook zorgen maken over hun onafhankelijkheid. ‘Dat zou echt het allerminste van mijn zorgen zijn. In dit beleidskader is er juist alle ruimte voor organisaties om een eigen koers te varen. Ze zijn geen onderaannemers van de overheid. Integendeel, iedere organisatie mag vanuit haar eigen kracht werken. En vanuit haar eigen visie bepalen of ze kan bijdragen aan de doelstellingen van het ministerie.’ Maar zodra je een strategisch partnerschap aangaat, moet je nauwkeurig formuleren waar je heen wilt. In hoeverre moet je het met elkaar eens zijn over het doel? ‘Kijk, als een organisatie niet wil meewerken aan armoedebestrijding, zijn we snel uitgepraat. Maar als een organisatie iets op een nieuwe manier of op een heel andere manier wil doen dan het ministerie, dan is daar ruimte voor. Anders had ik beter tenders kunnen uitschrijven. Dan had ik kunnen zeggen: “Mensen, zó gaan we het doen.” Maar zo’n partnerschap schept juist ruimte. Alleen, als je van tevoren niet alles in beton beitelt, kan er wel een dilemma ontstaan. Enerzijds wil je een agenda voor de langere termijn hebben en anderzijds wil je ook kunnen reageren op actuele gebeurtenissen. Dat werkt alleen als je regelmatig je visies en gedachten met elkaar uitwisselt. En daarbij hoef je het niet per se altijd met elkaar eens te zijn. Pleiten en beïnvloeden betekent dat je soms samen optrekt, en dat je elkaar soms confronteert. Alleen, je moet op grote lijnen wel iets delen over die Theory of Change. Je wilt geen partnerschap met iemand waar je het niet mee eens bent.’ Het klinkt wel een beetje als een tegenstelling: het helemaal eens zijn over het doel en dan toch kritiek leveren. ‘Neem bijvoorbeeld het bestrijden van kindhuwelijken: het is evident dat we hetzelfde doel delen. Maar het gaat ongetwijfeld voorkomen dat een organisatie binnen een partnerschap vindt dat Nederland zich onvoldoende inzet of niet scherp genoeg reageert. Die ruimte is er echt. Het einddoel is gezamenlijk, verder werkt iedereen vanuit zijn eigen rol mee. Ik ga organisaties niet voorschrijven wat ze moeten vinden. Er zal vast discussie komen over de vraag hoe je dit nu precies vorm moet geven, hoe je samen kunt optrekken als je het soms met elkaar oneens bent. Terecht. Maar hiervoor bestaat geen onesize fits all. Elk partnerschap zal uniek zijn en zich op zijn eigen manier ontwikkelen. Het hangt dus sterk af van de dialoog die je met elkaar voert.’ (tekst loopt door onder de foto) Foto: Aad Meijer. Foto: Aad Meijer. Wat als er grote verschillen zijn om een doel te bereiken. Stel, een partnerschap heeft als doel een betere positie voor vissers in Ghana. Een van de organisaties vindt het onbestaanbaar dat er EPA’s worden afgesloten omdat dit nadelig blijkt voor de vissers, maar u vindt de Europese vrijhandelsakkoorden een prima instrument. Is het denkbaar dat u met zo’n organisatie in zee gaat? ‘Ik denk het wel. Als een organisatie totáál niet gelooft in globalisering en vrijhandel, dan wordt het ingewikkeld om in gesprek te gaan. Dat is heel anders wanneer een organisatie aangeeft dat ze gegronde redenen heeft om niet volledig voor EPA’s te zijn. Dan is er aanleiding voor een gesprek. Ja, óók als je bijvoorbeeld tegen het Dutch GoodGrowth Fund bent. Je zoekt naar een einddoel en mogelijkheden om binnen de doelstellingen samen op te trekken, en soms ben je het oneens. Wij hebben over het algemeen een heel constructieve relatie met maatschappelijke organisaties als je het vergelijkt met andere landen, ook al zijn er soms verschillen. We zijn altijd met elkaar in gesprek. Ik zie wel dat dit nieuw en uitdagend is, maar eerlijk gezegd hunkerde ik hiernaar toen ik directeur van Cordaid was.’ Waarom hunkerde u daar toen naar? ‘Omdat dan breed onderkend zou worden dat pleiten en beïnvloeden, hier en in het zuiden, belangrijk is om verandering te bewerkstelligen. En omdat de overheid dat wil financieren, terwijl verder bijna niemand dat wil financieren. En omdat je dan samen zou kunnen optrekken met het ministerie en het soms oneens zou kunnen zijn.’ Wat als organisaties kritiek op uw beleid hebben en organisaties willen in een partnerschap dat u zaken in uw beleid aanpast? U heeft de touwtjes van dat beleid in handen. ‘We leven in een parlementaire democratie. Lobby en beïnvloeding is meer dan alleen rechtstreeks contact met mij. Als hun boodschap terecht komt in het parlement, voer ik daar de discussie mee. Ik wil aanspreekbaar zijn op andere inzichten. En ook op geleerde lessen, op dingen die beter kunnen. Ik zie een open dialoog voor me.’ Als de actualiteit daar aanleiding toe geeft, moeten partners elkaar aan kunnen spreken om terughoudend te zijn, schrijft u in het beleidskader. Wat bedoelt u daarmee? Bijvoorbeeld wanneer het ministerie in een partnerschap zou zitten met de campagne Stop Wapenhandel en u ook een miljoenencontract met een wapenexporteur wilt sluiten? Stellig: ‘Nee, dat soort scenario’s bedoel ik niet. Ik bedoel eerder zoiets als de anti-homowetgeving in Oeganda. De Tweede Kamer zou van me kunnen vragen om daarop te reageren, terwijl Nederlandse en Oegandese homo-organisaties zouden pleiten voor stille diplomatie.’ Dienstverlening wilt u niet meer financieren, pleiten en beïnvloeden wel. Maar niet bij elke ngo ligt die grens heel duidelijk. Een organisatie die bijvoorbeeld waterputten slaat, lobbyt misschien tegelijk bij de lokale overheid voor een betere infrastructuur. ‘Klopt, die grens is soms diffuus. Voor de duidelijkheid: dat ik pleiten en beïnvloeden wil financieren, wil niet zeggen dat ik vind dat organisaties alléén maar dat zouden moeten doen. En ook niet dat ik alleen organisaties wil financieren die zich uitsluitend met lobby en beïnvloeding bezighouden. Laat elke organisatie haar eigen beleid uitvoeren. Alleen, via dit kader financier ik uitsluitend het onderdeel dat over lobby en beïnvloeding gaat. Dus niet de waterputten, maar wel de lobby bij de lokale overheid.’ Zijn er organisaties waarvan u verrast zou zijn als die subsidie zouden aanvragen? ICCO houdt zich bijvoorbeeld veel minder dan vroeger bezig met lobby en beïnvloeding. ‘Wie een aanvraag wil indienen, mag dat doen. De drempelcriteria zijn duidelijk. Wie daaraan voldoet en vervolgens een goede aanvraag indient, beoordeel ik vervolgens op kwaliteit.’ U haalt zich met dit partnerschap voor 25 allianties wel wat op de hals. Vaker overleg betekent wellicht ook veel meer extra werk voor uw ambtenaren? ‘De balans zal moeilijk zijn. Maar ik denk dat het vooral ander werk gaat opleveren, want als ministerie gaan we frequenter in dialoog met maatschappelijke organisaties. Daartegenover staat dat we een aantal bureaucratische elementen wegsnijden. Bij MFS-I en -II waren alleen al de aanvraagprocedures bijvoorbeeld een enorme kluif. Het ging meer over de cijfermatige kaders dan over de inhoud. Daar was iedereen ongelukkig mee. Ik wil wel mijn voorgangers in bescherming nemen: geen enkele minister wil een beleidskader met veel regels. Maar soms pakt het in werkelijkheid wel zo uit, om allerlei formele en juridische redenen. Ik ga ook mijn best doen voor zo min mogelijk regels, maar ik vind het lastig om te zeggen hoe de balans uitvalt voor het ministerie.’ Misschien dat dit systeem goed werkt met u als partner, maar wat als er een nieuwe regering komt met heel andere doelstellingen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking? ‘Voor iedereen geldt dat je te maken hebt met de politieke werkelijkheid zoals die zich voordoet. Tegelijkertijd maak je binnen zo’n partnerschap ook afspraken die gelden voor een aantal jaren. Maar ik hoop dat dit kader nog heel lang overeind blijft.’ Er wordt op de deur geklopt: de volgende afspraak dient zich aan. We maken aanstalten weg te gaan, maar niet voordat we nog even terugblikken op het vorige interview dat we hadden met de minister nog geen vijf maanden geleden, op het tropische Bali tijdens de Wereldhandelsconferentie. Ploumen: ‘De conferentie was erg spannend en interessant. Ik was heel bij met het debatje dat ontstond over of het wel verstandig was dat de WTO en Doha niet meer worden gevolgd door ngo’s. Dat is een heel interessant onderwerp en er gaat een heleboel gebeuren de komende tijd.’ ‘Misschien een goed onderwerp voor in het strategisch partnerschap?’, vragen we. De minister lacht: ze wil immers niets voorschrijven. En zegt dan toch: ‘Who knows, ik sluit het niet uit.’

Selma Zijlstra

Selma Zijlstra is redacteur en journalist bij Vice Versa. Ze studeerde Internationale Betrekkingen aan de Rijksuniversiteit Groningen (BA) en haalde haar master in Conflict Studies and Human Rights (cum laude) aan de Universiteit Utrecht.

 

Het Raadsel van de ander

Door Vice Versa | 08 oktober 2019

In de nieuwe Vice Versa die komend weekend verschijnt staat ‘de ander’ centraal en zoeken we naar een nieuw, progressief narratief. Angst voor de ander kun je alleen bestrijden met menselijke verhalen, schrijven Ayaan Abukar en Marc Broere.

Lees artikel

Bouwstenen voor een nieuw Latijns-Amerika beleid

Door Vice Versa | 01 oktober 2019

Hoewel Latijns-Amerika al een tijd verdwenen is uit de spotlichten van de Nederlandse politiek, hebben we meer met elkaar te maken dan we denken. Is het niet tijd voor een nieuw en actief Latijns-Amerika beleid? Op maandagmiddag 14 oktober gaan we hierover in Den Haag tijdens de bijeenkomst ‘Het Koninkrijk en zijn buren’ in gesprek met experts en politici.

Lees artikel

Amsterdam ontmoet Mogadishu

Door Lizan Nijkrake | 28 september 2019

Daily Paper, het Amsterdamse straatmodemerk, maakte een collectie T-shirts met tekeningen van voormalige kindsoldaten in Somalië. Wat begon als een klein project voor het Elman Peace Center, leidde dankzij sociale media tot iets groters: fotografen en filmmakers, muzikanten en klanten bieden hun hulp aan. ‘Jonge mensen zijn vaak zó idealistisch, ze willen betrokken blijven.’ Een profiel.

Lees artikel