Door:
Maarten Vreeburg

29 april 2014

Tags

jan lockDeze week laat Jan Lock, directeur van Woord en Daad, zijn licht schijnen over de strategische partnerschappen. Lock heeft vertrouwen in de relatie van het maatschappelijk middenveld met de minister en haar ambtenaren, maar vraagt zich wel af of minister Ploumen genoeg in staat zal zijn haar koers aan de Nederlandse politiek te verkopen. ‘We moeten kunnen werken vanuit vertrouwen, niet alleen vanuit verantwoording. We zullen nooit lean and mean kunnen werken als het parlement ons werk niet anders gaat beoordelen.’ Jan Lock heeft gedurende de jaren het komen en gaan van subsidiekaders van dichtbij meegemaakt. Hij heeft meermaals gezien dat beleid met veel elan en ambitie wordt ingezet, maar uiteindelijk vastloopt in ‘wat oneerbiedig gezegd, de zandbak van accountants en juristen’: stringente controle en in zijn ogen te sterke nadruk op concrete resultaten. Lock vertelt dat er ruim tien jaar geleden ideeën werden ontwikkeld die veel gemeen hadden met het kader van de strategische partnerschappen (zie beleidsnotitie “Civil Society en structurele armoedebestrijding”). ‘Maar ngo’s zijn daarna afgegleden richting een rol als onderaannemer voor de overheid. Dat klinkt als een waardeoordeel en zo bedoel ik het ook’, drukt Lock zijn onvrede uit. ‘Maar dit kader laat zien dat de overheid nu op een andere manier naar het maatschappelijk middenveld wil kijken dan we gewend zijn van de laatste jaren. De open opstelling van het ministerie biedt hoop, maar er is veel politieke moed en kracht voor nodig om te voorkomen dat dit stelsel vastloopt zoals in het verleden gebeurde.’ Jan Lock bioWat is volgens u de belangrijkste verandering van dit subsidiekader ten opzichte van vroeger? ‘Dat zit vooral in die verschuiving van de ngo als onderaannemer naar volwaardige partner. Dat vraagt inhoud en rolvastheid, zowel van het ministerie als van het maatschappelijk middenveld. De relatie tussen opdrachtgever en onderaannemer is in feite een contractuele overeenkomst, waarin de financiële vergoeding bepaalt of het de moeite waard is om je ervoor in te spannen. In een strategisch partnerschap spreek je uit dat je je ook om andere reden die relatie aan wil gaan. Het geld is alleen nodig om het te laten gebeuren.’ Hoe komt het dat gelijkaardige ideeën het in het verleden niet gered hebben? ‘Dat heeft vooral te maken met de politieke constellatie in Nederland, die zeker in de richting van ontwikkelingssamenwerking heel verkeerd heeft uitgepakt. De koppeling tussen de middelen die verstrekt worden en de resultaten die ngo’s behalen is leidend geworden in de manier waarop de overheid met geld omgaat. Dat was ook het punt waarop het parlement de overheid de laatste jaren streng controleerde. Het liefst ziet de financier dat je resultaten boekt, én dat die resultaten duidelijk toe te schrijven zijn aan de gegeven fondsen. Dat politieke klimaat heeft er mede aan bijgedragen dat de overheid zo met het maatschappelijk middenveld omging en dus de cijfers leidend werden in de relatie.’ ‘Om dat te doorbreken is dus politieke moed én kracht nodig. De relatie tussen het maatschappelijk middenveld en het ministerie is belangrijk, maar hoe de minister dat verkoopt aan het parlement is dat net zozeer. Dat is een kritische noot die ik heb bij dit kader. Iedereen wil het lean and mean, een werkveld zonder de regeldruk zoals we die ervaren hebben, maar dat lukt niet als Ploumen en haar ambtenaren het parlement niet kunnen bewegen haar werk en de besteding van middelen anders te beoordelen. Die scherpte mis ik nog in het debat. Ik word pas echt enthousiast als we de basisnotie van vertrouwen terug vinden in de uitwerking straks van het kader.’ ‘Verantwoording blijft naast vertrouwen altijd nodig. Maar het grote punt zit hierin: of de verantwoording een randvoorwaarde voor goed werken vormt of het hart van de relatie is. Wat ik zou willen, en wat ook gaat gebeuren als ik het nieuwe kader goed begrijp, wordt vertrouwen het hart, de kern, en verantwoording een randvoorwaarde. Als we niet kunnen werken met  vertrouwen als drijfveer, dan voorspel ik nu al dat de strategische partnerschappen ook weer zullen verworden tot een relatie van opdrachtgever en onderaannemer. Dus het is voor de levensvatbaarheid van het strategisch partnerschap van wezenlijk belang dat Ploumen het debat met het parlement aangaat en dat debat ook wint.’ ‘Het is een moedige zet van de minister en ze heeft een goed begin gemaakt. Ik hoop dat ze het tweede gewoon niet vergeet. Ik heb in de tijd van Bert Koenders (Minister voor OS, 2007 – 2010) vanuit “Ontwikkeling is verandering” (beleidsdialoog met het maatschappelijk middenveld) mee mogen adviseren in de aanloop naar het beleidskader dat uiteindelijk MFS-II vormde. Ook hij was voor meer slagvaardigheid en minder regels dan in MFS-I. Maar Koenders heeft de politieke kant van dat project niet genoeg kunnen managen en daardoor lukte het niet te voorkomen dat MFS-II is zoals het nu is.’ Er is veel discussie over het feit dat de overheid en haar partners een gedeelde visie en strategie moeten hebben in een partnerschap. In hoeverre denkt u dat beide partners overeen moeten komen? ‘Een partnerschap ga je aan omdat je van elkaar verschilt. Dat is een simpele constatering. De  ellende met ngo’s als uitvoerders van overheidsbeleid was juist dat er geen ruimte was voor verschil. Een partnerschap gaat uit van verschil, en een strategisch partnerschap gaat ervan uit dat die verschillen zo groot zijn, dat de partners elkaar kunnen versterken en aanvullen. Natuurlijk moet je een bepaalde verbinding hebben, die vormt de basis waar je elkaar in vindt, maar verder moet er zo veel verschil zijn dat je met elkaar méér kan bereiken dan ieder voor zich.’ ‘Als we met elkaar in staat zijn de term strategisch partnerschap serieus te nemen en dat verschil de ruimte te geven, dan gaat dit iets heel moois worden. Vanuit de ambtenaren zie ik op dit moment geen signalen dat ze dat niet willen, maar we moeten elkaar scherp houden om gaandeweg dat strategische maximaal te benutten.’ ‘Dit kader heeft ook te maken met de huidige tijd. We komen uit een tijd waarin veel gedacht werd in instituties; de overheid enerzijds, het maatschappelijk middenveld anderzijds. Nu gaat men veel meer uit van netwerken die onderling verbonden zijn. Een strategisch partnerschap gaat om het verbinden van die knopen met elkaar.’ Wat vindt u van de verschuiving naar bepleiten en beïnvloeden? ‘Dat vind ik een heel intelligente keuze, ook vanuit die relatie gezien. Met directe armoedebestrijding zijn grote sommen geld gemoeid. Een ngo die dat met grote sommen geld van de overheid laat financieren moet ook weer meer rapporteren en dichtbij het ministerie blijven. Die onevenwichtige afhankelijkheidsrelatie blijft dan aanwezig. Met een partnerschap rond bepleiten en beïnvloeden praat je over heel andere bedragen en ligt dat risico niet op de loer. Dat betekent dat je makkelijker de eigen aard van een evenwichtig partnerschap vorm kan geven.’ ‘Los daarvan: er is veel discussie geweest over die norm van 0,7% (van het BBP, dat besteed zou moeten worden aan OS – red). Er zou heel veel bereikt kunnen worden voor armen buiten onze landsgrenzen als de overheid meer coherent beleid zou voeren, bijvoorbeeld rond handel en landbouw. Dat kan veel verschil maken zonder dat je een euro uitgeeft.’ ‘Coherent beleid vind ik nou typisch een rol voor de overheid, en juist binnen een strategisch partnerschap kunnen ngo’s op dat vlak veel bereiken. Bepleiten en beïnvloeden is het werken aan randvoorwaarden om de positie van armen te verbeteren. De overheid en het maatschappelijk middenveld kunnen daarin veel aan elkaar hebben als ze elkaar vanuit hun eigen rol en eigen verantwoordelijkheid aan weten te vullen.’ Wat voor houding vraagt dit kader van ngo’s? ‘Er moet een financiële evenwichtigheid in zitten, naar draagkracht. Ook moeten ngo’s leren af te zien van het eigen belang als organisatie. Dat is ondergeschikt aan het doel van het partnerschap, en een eigenschap van een serieuze partner. Met het oog op de omzet van organisaties is dit een heel dom verhaal natuurlijk. Maar ngo’s die primair handelen en plannen op basis van omzet, zijn eigenlijk overbodig. Die weten niet meer waartoe ze op deze wereld zijn.’ ‘Mijn stelregel is: hoe beter je je werk doet, hoe sneller je je baan kwijt bent. Dat heb ik mezelf ook altijd voorgehouden toen ik in Indonesië werkte. Het klinkt gek, maar als je daar eenmaal aan went voelt het heel goed. Ik vind dat je je als organisatie elke dag even de vraag moet stellen: waartoe ben ik op deze wereld, en is dat wat ik doe daarmee in overeenstemming? Dat doe ik ook echt elke dag. Dat hoeft maar een minuut te kosten, maar het is wel handig. Het houdt je scherp.’ Voor Woord en Daad is het Zuidelijk penvoerderschap altijd een belangrijk punt geweest. Hoe ziet u dat nu in de strategische partnerschappen? ‘Ook dat hangt samen met het denken in netwerken. Als Noordelijke ngo’s moeten we geen monopolie hebben op het penvoerderschap. Dat remt de innovatie. Er is steeds meer informatie beschikbaar, en onze Zuidelijke partners zijn uitstekend in staat hun weg daarin, en in de wereld, te vinden. Dat er nu Zuidelijke penvoerders komen is een belangrijk succes voor de ontwikkelingssamenwerking. Daarin zie je dat het niet alleen maar een ideologische vraag is, maar dat het echt gestalte krijgt. Het is een logische stap.’ Woord en Daad heeft altijd veel aan capaciteitsopbouw gedaan. Hoe willen jullie dat onderbrengen in een strategisch partnerschap? ‘We zijn voor onszelf aan het kijken of dat in dit model past. Dat is wat ons betreft nog even onduidelijk. Mocht dat niet in een strategisch partnerschap passen, ook prima, we hebben genoeg middelen om daar zelf mee verder te werken. Subsidie is bij ons ongeveer een kwart van de totale omzet.’ Financieel gezien is Woord en Daad dus redelijk onafhankelijk van de overheid. Hoe doen jullie dat? ‘Ik kan het iedereen aanraden om zoveel mogelijk onafhankelijk te zijn. Wij zoeken bewust niet alleen grote donoren zoals de Bill& Melinda Gates Foundation, maar zoeken zoveel mogelijk naar een diverse donorbasis: particulieren, bedrijven, vermogensfondsen en institutionele fondsen zoals de overheid. Op die manier zijn we niet uitgeleverd aan een klein aantal donoren en hebben we niet meteen een probleem als er een donor uitvalt. Als directeur voelt het goed. We hebben hier op het gebied van financiën geen emotionele pieken en dalen.’ Wat wilt u tot slot nog kwijt over uw visie voor de komende jaren? ‘Voor mij is de rol die ngo’s spelen in het verbinden van mensen in het Noorden en het Zuiden heel belangrijk. Onze organisatie is geen doel op zichzelf, maar een intermediair tussen mensen hier en daar. Woord en Daad heeft een sterke achterban, waar ook veel van onze fondsen vandaan komen. Tegelijk proberen we efficiënt te werken in het Zuiden, maar wel op zo’n manier dat onze achterban zich blijft herkennen in ons werk. We mogen het contact met beide kanten niet verliezen.’

‘De allerarmsten worden niet geholpen. En dat kan wél.’

Door Marc van Dijk | 05 augustus 2020

Te vaak lanceren hulporganisaties projecten zonder eerst te praten met degenen om wie het gaat. Onderzoeker Anika Altaf sprak met de allerarmsten in Ethiopië, Benin en Bangladesh. Om hen te bereiken moet het roer om.

Lees artikel

Richt je niet alleen op laaghangend fruit

Door Marc Broere | 30 juli 2020

In zijn hoofdredactioneel commentaar in de nieuwe Vice Versa doet Marc Broere een oproep aan ontwikkelingsorganisaties om een extra mijl te lopen om ook de meest gemarginaliseerden in te sluiten in hun projecten. Onderzoeker Anika Altaf laat zien dat het kan.

Lees artikel

Column Eva Nakato: Van nadeel tot voordeel

Door Eva Nakato | 27 juli 2020

Wat vroeger in je leven als ‘ongepast’ werd gezien door je omgeving, blijkt vaak de sleutel tot succes in je latere leven te zijn. Ook voor onze columniste Eva Nakato. Vroeger werd ze soms gepest om haar zware stem, nu wordt ze juist hiervoor uitgekozen voor het spreken in het openbaar en het inspreken van teksten.

Lees artikel