Skip to content

 

8704691040_82a0ddc83d_cDe motie van Van Laar, die eind 2013 is aangenomen, maakt het voor Zuidelijke organisaties mogelijk om penvoerder te worden in de strategisch partnerschappen van minister Ploumen. Een baanbrekende motie die nogal wat stof deed opwaaien in de Nederlandse ontwikkelingssector. Wat vinden migrantenorganisaties en hun achterban eigenlijk van deze motie – en van de commotie?

Het enthousiasme van Awil Mohamoud, directeur van het African Diaspora Policy Centre, werkt aanstekelijk. Wat hij van de motie van Van Laar vindt? Heel goed natuurlijk! ‘Na 40 jaar capaciteit opbouwen met die mensen en organisaties in ontwikkelingslanden, zijn zij in staat om het zelf te  doen. En dan moeten ze ook het recht krijgen om dat te doen.’ Dat er Nederlandse ontwikkelingsorganisaties zijn die kritiek hebben op de motie, kan Mohamoud niet begrijpen. ‘Die ontwikkelingsorganisaties zeggen altijd: wij doen dit om anderen te helpen. En als die anderen dan in staat zijn om het zelf beter te doen, zijn ze plotseling tegen? Sorry, maar dat verbaast mij.’

Sam Pormes, directeur van het Dutch Consortium Migrant Organizations, is groot voorstander van de motie en benadrukt dat hij zelfs heeft gepleit voor directe toegang voor Zuidelijke organisaties tot Nederlandse middelen. Met zijn jarenlange ervaring in de Nederlandse politiek, heeft hij veel begrip voor de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties wanneer het gaat over alle bezuinigingen die zij de afgelopen jaren te verduren hebben gekregen. Echter, wanneer het aankomt op het Zuidelijk penvoerderschap, vindt hij de houding van (een deel van) de Nederlandse ontwikkelingssector teleurstellend. ‘Volgens mij weten ze niet meer wat het doel is van ontwikkelingssamenwerking. Het gaat niet om het in stand houden van de Nederlandse ontwikkelingssector, maar om structurele armoedebestrijding! Dat betekent dat je gewoon goed moet kijken naar wat de beste instrumenten zijn om dat te bereiken. En wie zet je daarvoor in?’

Pormes is het dan ook niet eens met tegenargumenten als het in stand houden van de sector en behouden van werkgelegenheid voor de mensen van organisaties in Nederland. ‘Het gaat er natuurlijk om met welke bril je kijkt,’ probeert hij te nuanceren. ‘Ik kijk met een zuidelijke bril. En het gaat natuurlijk gewoon om structurele armoedebestrijding.’

Capaciteit

Net als Pormes, wijst Mohamoud erop dat het belangrijkste criterium moet zijn welke organisatie het beste een bepaald doel kan bereiken: open en eerlijke competitie tussen organisaties. Hij is het er dan ook niet mee eens dat Zuidelijke organisaties nog niet de capaciteit zouden hebben om penvoerder te zijn. Natuurlijk zijn er nog veel organisaties die nog niet de capaciteit hebben, geeft hij toe, maar er zijn ook organisaties die dat wél hebben. En die moeten de kans krijgen om de lead te worden in zo’n partnerschap. ‘Degenen die de capaciteit hebben en die geld kunnen managen, die moet je de kans geven om dat te doen.’

Gelijkwaardigheid

Pormes wijst erop dat Zuidelijke organisaties de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties die het geld vanuit de overheid weer doorschuiven naar hun partners, niet altijd nodig hebben. ‘Soms denk ik: waarom is dat nou nodig? Dan kan het echt beter rechtstreeks.’ In zijn ogen zijn de relaties tussen Nederlandse organisaties en hun Zuidelijke partners nog altijd vaak eenrichtingsverkeer. Zolang de programma’s lopen gaat het goed, maar op het moment dat er bezuinigd moet worden, zijn ze weer ongelijk. ‘Zuidelijke partners worden niet betrokken bij de bezuinigingen en bij vragen als: waar kunnen we een streep door trekken? Ze krijgen een brief met de aankondiging dat het programma in twee jaar wordt afgebouwd. Punt. Ik vind dat schandalig!’

Ook Mohamoud heeft scherpe kritiek op de houding van sommige Nederlandse ontwikkelingsorganisaties. ‘Er is nog steeds een houding van: wij weten het beter dan de ander. Dat moeten Nederlandse organisaties echt afleren.’ Hij vindt dan ook dat een discussie over machtsrelaties en gelijkheid hoog nodig is. ‘Ik werk samen met Afrikaanse organisaties die beter zijn dan organisaties hier. Maar hier is nog steeds zo’n houding van “oh, dat arme ontwikkelingsland.” Die ongelijkwaardigheid is echt achterhaald!’ Mohamoud’s verontwaardiging is – zelfs over de telefoon – duidelijk voelbaar. ‘Grote Nederlandse ontwikkelingsorganisaties werken al 30 of 40 jaar met organisaties daar, maar als de organisaties daar de lead willen nemen, kunnen zij hen ineens niet vertrouwen?’

Hij wijst de Nederlandse organisaties op hun werk van afgelopen decennia en draait de vraag om. Na 40 jaar werk van grote Nederlandse ontwikkelingsorganisaties zouden de Zuidelijke organisaties nog steeds geen capaciteit hebben. ‘Wat hebben jullie dan al die 40 jaar gedaan? Waar hebben jullie die miljoenen voor de opbouw van capaciteit dan aan besteed?’

Bureaucratische rompslomp

Dat Zuidelijke organisaties moeite zouden hebben met het aanvragen van Nederlandse samenwerking, gelooft Mohamoud niet. ‘Er zijn genoeg goede organisaties die ook geld krijgen van de Verenigde Staten, de Wereldbank en de Europese Commissie, waarvoor ze voorstellen moeten schrijven die veel erger en ingewikkelder zijn. Zij schrijven voorstellen en maken jaarrapportages. Het zijn goede en degelijke organisaties. Anders zouden ze ook geen geld krijgen van die andere donoren. Die aanvraagformulieren zijn er toch in het Engels?’

Pormes maakt zich meer zorgen over de Nederlandse bureaucratie die komt kijken bij de partnerschappen. Wanneer het gaat om simpele criteria, als een trackrecord en een accountantsrapport, ziet hij geen problemen. Maar vaak worden er allerlei ingewikkelde criteria gesteld en dan vindt Pormes dat de organisaties mee moeten worden genomen in die cultuur. ‘Dat betekent wel een verantwoordelijkheid voor het Nederlandse ministerie. Dan moeten ze allerlei bijeenkomsten organiseren in de regio’s. Je moet de drempel aanpassen aan de situatie.’ Ook ziet Pormes hier een rol weggelegd voor migrantenorganisaties. ‘Ik denk dat het een belang is van migrantenorganisaties die zich bezig houden met migratie en ontwikkeling, want hiermee kunnen ze hun partners steunen om meer toegang te krijgen.’ Op deze manier kunnen migrantenorganisaties hun brugfunctie waarmaken tussen de verschillende culturen. Met het Dutch Consortium Migrant Organizations, zal Pormes dan ook zijn best doen om partners te ondersteunen bij het doen van aanvragen.

Sterkere samenwerking

Hoewel Pormes het niet eens is met de rigoureuze bezuinigingen op de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties, ziet hij in de samenwerking met Zuidelijke organisaties juist kansen. ‘Als ik hen was, zou ik mijn partners omarmen en zeggen: “laten we het samen doen.” Samen, als gelijkwaardige partners. Dat is veel sterker.’

Gelijkwaardige samenwerking is ook voor Mohamoud de kernboodschap. ‘Het gaat mij er niet eens om wie er nu penvoerder wordt. Dat kan een organisatie hier of daar zijn. Het is belangrijk om gelijkwaardig gezamenlijk partnerschap te formeren, met meer erkenning voor de organisatie daar. Het gaat om het samenwerken. Dat is de afgelopen jaren ook al wel gebeurd, maar het moet nu wel klaar zijn met de gever en ontvanger-relatie.’ De wereld is veranderd, stelt Mohamoud, en daar moet het beleid zich aan aanpassen, maar samenwerking tussen Nederlandse en Zuidelijke organisaties was en blijft belangrijk. ‘Alleen het moet een andere manier van samenwerken zijn: gelijkwaardige samenwerking.’

Wat doet de corona-pandemie met de ontwikkelingssector?

Door Sarah Haaij | 31 maart 2020

Investeren in internettoegang, cursussen online aanbieden en digitaal collecteren – flexibiliteit en aanpassingsvermogen zitten in het DNA van de sector. Maar de angst voor een massale uitbraak in landen met een zwakke gezondheidszorg is groot. Vier ngo-directeuren vertellen over de impact van de crisis op hun werk.

Lees artikel

Corona in Afrika: ‘Als de lockdowns aanhouden, komen er hongersnoden’

Door Frank van Lierde | 30 maart 2020

Het Afrikaanse continent zet zich schrap voor corona. Veel landen kiezen meteen voor het zwaarste scenario: de lockdown. Wat moet er gebeuren om een ramp af te wenden? Wat kunnen ontwikkelingsorganisaties doen? Gesprek met Jos Dusseljee, de gezondheidsexpert van Cordaid. ‘Virussen die de wereld voor lange tijd kunnen bedreigen, moet je als wereldgemeenschap bestrijden, in elk land waar ze bestaan of uitbreken.’

Lees artikel

‘Er wordt hier met grote verbazing naar Nederland gekeken’

Door Marc Broere | 27 maart 2020

Voor Kees Blokland, directeur van Agriterra, heeft de coronacrisis grote impact. Hij is er op meerdere lagen bij betrokken: via zijn zoon die op de spoedeisende hulp van het Rijnstate ziekenhuis in Arnhem werkt, via zijn Spaanse echtgenote met wie hij momenteel in Valencia verblijft en via de gevolgen voor de projecten van Agriterra, dat samenwerkt met  boerencoöperaties in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Een persoonlijk relaas vanuit Spanje waar in sommige media de aanpak in Nederland in één adem genoemd wordt met ‘corona-ontkenners’ als Donald Trump en de Braziliaanse en Mexicaanse  presidenten Bolsonaro en López Obrador. En waar het de marsen op Internationale Vrouwendag (8 maart) waren die voor een explosie en verspreiding van het virus zorgden.

Lees artikel
Scroll To Top