Door:
Marc Broere

24 december 2013

Tags

 

Marc BroereHoe kunnen ontwikkelingsorganisaties hun achterban weer raken? Welke nieuwe beelden en frames heb je daarvoor nodig? Marc Broere duikt in het nieuwste nummer van de Vice Versa in zijn verleden en schrijft over wat hem wel en niet raakt. Hij stuit daarbij op het eeuwige spanningsveld tussen liefdadigheid en gerechtigheid.

Op 17 maart 1982 vertrokken Koos Koster, Hans ter Laag, Jan Kuiper en Joop Willemsen vanuit hotel Alameda in San Salvador naar de provincie Chalatenango. Ze zouden het gebied intrekken dat in handen was van de guerrilla’s van het FMLN. De vier Nederlandse IKON-journalisten waren in El Salvador om reportages te maken over de bloedige burgeroorlog die in het kleine Midden-Amerikaanse land woedde. Bij de plek waar de Nederlanders hadden afgesproken met de gidsen van het verzet, had het leger een hinderlaag gelegd en werden ze alle vier doodgeschoten. De moord op de IKON-ploeg was voorpaginanieuws in de hele wereld. Voor mij als 16-jarige jongen was dit hét moment van definitieve betrokkenheid bij de mondiale verhoudingen. Een point of no return. Alsof het gisteren was herinner ik me nog de schok die ik voelde toen ik dagblad Trouw van onze deurmat pakte en las wat er was gebeurd.

Enkele maanden daarvoor was ik begonnen met het kijken naar actualiteitenrubriek Kenmerk van de IKON, waar de reportages van Koster werden uitgezonden. Zijn geëngageerde stijl en hoe hij berichtte over armoede en schendingen van mensenrechten, sprak me enorm aan. Koster had duidelijke opvattingen over de journalistiek. In 1980 had hij eveneens in El Salvador met de aartsbisschop van het land, Oscar Romero, gesproken. Romero, die kort daarna vermoord werd, had tegen hem gezegd: ‘Jullie journalisten hebben een heilig beroep. Jullie moeten de waarheid bekendmaken.’

Op mijn achttiende ging ik naar de School voor de Journalistiek in Utrecht om me in mondiale onderwerpen te specialiseren. Het was een tijd van een enorme bloeiperiode van mondiale solidariteit; een tijd ook dat ondanks rechtse kabinetten een groot deel van de Nederlandse bevolking als het ware links dacht en actie voerde. Mensen gingen de straat op tegen kernwapens en kernenergie, en ze toonden betrokkenheid bij de strijd tegen de apartheid in Zuid-Afrika en tegen dictaturen in Latijns-Amerika. Ook was er veel solidariteit met Nicaragua, een land dat zich bevrijd had van een rechtse dictatuur. De term ‘linkse hobby’ bestond nog niet en studenten journalistiek droegen activistische buttons op hun colberts en truien.

De mondiale solidariteit had iets romantisch. Veel activisten waren heimelijk verliefd op commandante Ana Guadalupe Martínez, de nummer twee van de Salvadoraanse verzetsbeweging FMLN. Ze was net als Che Guevara enorm fotogeniek en haar portret werd gebruikt op affiches en in tijdschriften van de solidariteitsbeweging. Een paar jaar geleden ontmoette ik haar in El Salvador. Ze schoot in de lach toen ik haar een oud bulletin van de verzetsbeweging uit 1981 liet zien, waarin een grote foto van haar staat, evenals een romantisch gedicht dat aan haar was opgedragen. ‘Als jonge vrouwen in de guerrilla wilden wij laten zien dat we, ondanks de oorlog, ook de simpele wens hadden om mooi te zijn’, vertrouwde ze me toe. ‘Er waren twee filmmakers uit Venezuela verantwoordelijk voor het verkopen van onze strijd: zij wisten precies wat het effect was van romantische foto’s van vrouwelijke guerrillero’s op de publieke opinie in het Westen.’ Dus ook hier zat al een communicatiestrategie ofwel bewuste framing achter.

Martínez reisde voortdurend op en neer tussen de frontlinie en Europa om steun te zoeken. ‘De zaaltjes waar ik moest spreken waren altijd afgeladen. Mensen bleven nog uren na om te discussiëren en wilden van me weten hoe het zover gekomen was in El Salvador, en waarom de bevolking van zo’n klein landje in opstand was gekomen.’ Ze had wel een verklaring voor de belangstelling uit Nederland. ‘Mensen konden zich identificeren met El Salvador omdat het heel duidelijk om een strijd ging van de onderdrukte bevolking tegen de terreur van een staat; de strijd voor vrijheid en meer democratie was, met de Holocaust nog vers in het geheugen, een belangrijk onderdeel van het referentiekader van West-Europeanen.’

Geen barmhartigheid

Waarom raken mensen de ene keer wel betrokken bij een mondiaal probleem en de andere keer helemaal niet? Het is een vraag die veel fondsenwervers en campaigners in onze sector bezighoudt. Volgens chroniqueur van de derdewereldbeweging Hans Beerends zijn Nederlanders te mobiliseren als het duidelijk is wie de goeden en de kwaden zijn en als er een aannemelijke kans is dat een oplossing van het probleem in het verschiet ligt. De problemen in Zuidelijk Afrika en de dictaturen in Latijns-Amerika voldeden aan die voorwaarden. De burgeroorlogen in Sierra Leone en Liberia echter niet, omdat ze uitzichtloos leken en er moeilijk onderscheid te maken viel tussen good guys en bad guys. Verder blijkt het ook altijd lastig te zijn om mensen te betrekken bij ‘gewone’ honger of armoede, en complexe vraagstukken als handelspolitiek.

Tijdens mijn eerste maanden als student journalistiek vond er een inzamelingsactie plaats die enorm succesvol was. Op 26 november 1984 kwam Nederland onder de slogan ‘Een voor Afrika’ massaal in actie om geld in te zamelen voor de hongersnood in de Hoorn van Afrika. Ik schreef een gepassioneerd verslag voor de lesgroep Journalistieke Vaardigheden van docent Piet Hagen. Presentator Koos Postema startte de televisie-uitzending met de woorden: ‘Een klein land wil een werelddeel direct helpen.’ Van enige bescheidenheid op het mondiale toneel was in Nederland toen nog geen sprake. Ik lees in mijn oude artikel terug dat de toenmalige secretaris-generaal van de VN, Perez de Cuelar, die dag aan het Nederlandse volk vroeg om niet uit ‘barmhartigheid’ maar uit ‘solidariteit’ te geven. Hij benadrukte dat crisis bestrijden niet voldoende is, maar dat er structurele hulp moest worden geboden, zodat Afrika zich op den duur zelf kon voeden.

Toch was de inhoudelijke boodschap van Perez de Cuelar zeker niet de meest dominante die avond. Ook als 18-jarige student stoorde ik me toen al aan de charitatieve insteek van de televisieactie. Ik schreef in mijn artikel: ‘Weten de mensen nu werkelijk hoe er honger ontstaat? Ik denk het niet. De nadruk lag tijdens de televisie-uitzending te veel op lokale acties van scholen en niet op de oorzaken van het ontstaan van honger.’

‘Wat mij ook behoorlijk stoorde’, vervolgde ik mijn stuk, ‘waren de vele uitlatingen van Mies Bouman over hoe goed wij wel niet zijn door zoveel te geven, terwijl we ons moeten schamen dat we het zover hebben laten komen.’ Ik eindigde met: ‘Ik hoop dat deze actie een blijvend gevecht tegen honger en ongerechtigheid ontketent. Het is te hopen dat de mensen zich nu bewust worden dat het bestrijden van honger geen kwestie is van geven maar van delen.’

Docent Piet Hagen, die later directeur van de opleiding zou worden, schreef onder mijn stuk: ‘Je hebt deze klus goed gedaan en bent kennelijk erg betrokken bij dit soort onderwerpen. Weet dat betrokkenheid een kracht én een zwakte kan zijn.’

Band Aid

De maanden daarop kwam ook de wereldwijde muziekscène in actie voor de hongersnood. Ook hun framing was vooral gericht op het concept van liefdadigheid. ‘We are the world, we are the children, we are the ones who make a brighter day, so lets start giving’, zongen de Amerikaanse sterren, verenigd in USA for Africa. De Engelse sterren verenigd in Band Aid hadden hierook al een staaltje van laten zien. In hun kerstmishit zongen ze: ‘And there won’t be snow in Africa this Christmas time. The greatest gift they’ll get this year is life. Where nothing ever grows. No rain nor rivers flow. Do they know it’s Christmas time at all?’ Alsof het ooit wel sneeuwt in Afrika… Het beeld van Afrika als continent waar ‘niets groeit’ is een duidelijk frame waarin heel Afrika als hopeloos wordt afgeschilderd.

Wat me opvalt is dat veel discussies van toen, dertig jaar later nog precies hetzelfde zijn. Laat je krachtige of juist zielige mensen zien in fondsenwervende uitingen? Hoeveel van de context van de armoedeproblematiek kun je in korte boodschappen benoemen? Eigenlijk komt de discussie altijd weer terug op het eeuwige spanningsveld tussen rechtvaardigheid en liefdadigheid; een spanningsveld dat al bestaat vanaf het begin van de Nederlandse ontwikkelingshulp.

Hans Beerends en ik omschreven in 2004 in De bewogen beweging onze kritiek op de nadruk op liefdadigheid ofwel charitas als volgt: ‘Bij charitas gaat het om het lenigen van de nood zonder de oorzaken te noemen en soms zelfs zonder de oorzaken te erkennen. Bestaande machtsverhoudingen houden immers de armoede in stand en als er niet gewerkt wordt aan verandering van die verhoudingen, verwordt liefdadig geven tot het bekende dweilen met de kraan open. Toch zijn het niet de gulle gevers waar de kritiek zich in eerste plaats op richt. De gulle gevers kunnen vanuit de grond van hun goede hart overgaan tot het zelf iets gaan vermoeden van de achterliggende oorzaken van armoede en daar hun consequenties uittrekken. Het is echter de verantwoordelijkheid van het geldwervende fonds om de goede gevers inzicht te geven in de maatschappelijke oorzaken van armoede en in mogelijke oplossingen.’

Anno 2013 is charitas allerminst uit. Je hoeft alleen maar naar het filmpje ‘Red het leven van Firdaoussi’ van Save the Children te kijken dat door de klachtencommissie van Partos is getoetst met de vraag of het in strijd is met de gedragscode van de brancheorganisatie. In de video wordt geen enkele context gegeven, het is slechts gemaakt om medelijden op te roepen en mensen op basis daarvan tot een donatie te bewegen. Volgens de klachtencommissie van Partos was de reclame niet in strijd met de ‘menselijke waardigheid’ en treft Save the Children geen blaam. De stroom van boze reacties hierop laat zien hoe gevoelig het onderwerp ligt.

Krachtige mensen

Zelf heb ik me altijd veel meer  aangetrokken gevoeld tot het frame van rechtvaardigheid. Het zijn vooral krachtige mensen die mij inspireren en waardoor ik me betrokken voel. Als ik terugdenk aan mensen die mij geraakt hebben, dan komt daar ook een betaald type uit naar voren. Dan denk ik aan Wilson Campos uit Costa Rica, een van de oprichters van de wereldwijde boerenbeweging Via Campesina. Campos was iemand die op zijn twintigste al een belangrijke boerenleider in Midden-Amerika was. Hij bezette stukken braakliggend grond van grootgrondbezitters om dat aan landlozen te geven. Zijn organisatie werd ondersteund door Hivos. In de jaren negentig stond er zelfs een prijs op zijn hoofd.  Een charismatische man, die in de cafés van San Jose de show stal bij studenten door romantische liederen te zingen.

Ook denk ik aan Manding Jarrila, van de Task Force Mapalad, een partnerorganisatie van ICCO die opkomt voor landloze boeren op de Filippijnen. Een man die enorm veel voor elkaar heeft gekregen en boeren helpt om voor hun rechten op te komen, onder andere door ze juridische ondersteuning te geven. Met gevaar voor eigen leven want met regelmaat worden er tot op de dag van vandaag privélegertjes van grootgrondbezitters ingezet om de boerengroepen die hun land opeisten te intimideren.

Terwijl ik dit opschrijf, bedenk ik dat ik misschien bewust of onbewust ook mijn favoriete frame heb: dat van de romantische strijd met Robin Hood-achtige types. Daarin past ook de Spaanse geestelijke padre Tonjo die een positief antwoord probeert te vinden op de geweldspiraal die El Salvador nog steeds teistert. Hij ziet de leden van de jeugdbendes niet alleen als dader, maar ook als slachtoffer van sociale uitsluiting. Jongeren die uit de bendes willen stappen krijgen een plek in sociale projecten van de kerkgemeenschap en doorlopen een rehabilitatieproces. De ngo van de kerk is een partnerorganisatie van Cordaid.

Door ontmoetingen met deze mensen heb ik ook de enorme noodzaak leren zien van het werk van lokale en kleine ngo’s die in moeilijke omstandigheden toch een verschil proberen en vaak ook weten te maken. Mijn respect voor hun werk is enorm. Maar mensen die meer in dit soort projecten geloven dan in de Nederlandse bemoeienis met de private sector, worden door minister Ploumen tegenwoordig ‘ouderwets’ genoemd. Het lijkt allemaal om handel te moeten gaan.

De luxe van een journalist

Ik realiseer me ook mijn eigen ‘luxe’ positie omdat ik als journalist mensen kan ontmoeten en dingen met eigen ogen kan zien, zonder van de fondsenwerver of communicatiedeskundige en zijn framingsstrategie ertussen. Toch denk ik dat ontwikkelingsorganisaties veel meer kunnen doen dan ze nu doen. In ons vorige maand verschenen boek Meer hypes, meer Hippocrates schrijven Ellen Mangnus en ik dat we hopen dat ontwikkelingsorganisaties zichzelf gaan heruitvinden; dat ze niet werven puur voor de fondsen, maar mensen weer een oprecht verhaal gaan vertellen over armoede. Alleen daarmee kun je mensen weer voor je winnen, denken wij. En dan niet om hun portemonnee te trekken, maar om weer (en meer) betrokken te raken bij de ongelijkheid in de wereld. De oplossing zit niet in nog betere rapportages over succesvolle projecten of in reclamecampagnes, maar in eerlijke communicatie.

Eerlijke communicatie bijvoorbeeld over wat ontwikkelingssamenwerking nu eigenlijk is. Mensen denken bij ontwikkelingssamenwerking nog steeds aan schooltjes, weeshuizen en gezondheidsposten, terwijl het bij de meeste professionele ontwikkelingsorganisaties allang gaat om capaciteitsopbouw en het versterken van de civil society in het Zuiden.

Ontwikkelingsorganisaties moeten de uitdaging aangaan om juist ook dít werk op een goede manier over het voetlicht te brengen en niet telkens – onder druk van de fondsenwervers – in de fuik te vallen om een beeld neer te zetten dat inmiddels achterhaald is. Ontwikkelingsorganisaties moeten het grote verhaal over de ongemakkelijke waarheid van armoede vertellen door in te zoomen op mensen die daar de dupe van zijn en die ertegen strijden.

Ik heb al vaker geschreven dat Nederlandse ontwikkelingsorganisaties zich niet lijken te realiseren wat voor goudmijn aan verhalen ze in huis hebben. Via hun partnerorganisaties hebben ze toegang tot duizenden mensen die de ongemakkelijke waarheid van armoede een gezicht kunnen geven, die met vallen en opstaan proberen vooruit te komen in hun leven binnen een internationale context die hen vijandig gezind is. Met zulke krachtige persoonlijke levensverhalen hebben ontwikkelingsorganisaties een ijzersterke troef in handen in het debat over de mondiale verantwoordelijkheid van Nederland. Daarvoor heb je helemaal geen door fondsenwervers gestuurde framing nodig.

Vice Versa is 6 januari weer bij u terug met het Reframing the Message project. 

Speciaal voor Reframing the Message is deze beschouwing uit Vice Versa #05 in z’n geheel op de site geplaatst – wilt u voortaan toegang tot alle artikelen uit de Vice Versa nummers? Neem dan een abonnement op Vice Versa en krijg er gratis het boek Minder Hypes, Meer Hippocrates bij van Ellen Mangnus en Marc Broere. 

‘De allerarmsten worden niet geholpen. En dat kan wél.’

Door Marc van Dijk | 05 augustus 2020

Te vaak lanceren hulporganisaties projecten zonder eerst te praten met degenen om wie het gaat. Onderzoeker Anika Altaf sprak met de allerarmsten in Ethiopië, Benin en Bangladesh. Om hen te bereiken moet het roer om.

Lees artikel

Richt je niet alleen op laaghangend fruit

Door Marc Broere | 30 juli 2020

In zijn hoofdredactioneel commentaar in de nieuwe Vice Versa doet Marc Broere een oproep aan ontwikkelingsorganisaties om een extra mijl te lopen om ook de meest gemarginaliseerden in te sluiten in hun projecten. Onderzoeker Anika Altaf laat zien dat het kan.

Lees artikel

Column Eva Nakato: Van nadeel tot voordeel

Door Eva Nakato | 27 juli 2020

Wat vroeger in je leven als ‘ongepast’ werd gezien door je omgeving, blijkt vaak de sleutel tot succes in je latere leven te zijn. Ook voor onze columniste Eva Nakato. Vroeger werd ze soms gepest om haar zware stem, nu wordt ze juist hiervoor uitgekozen voor het spreken in het openbaar en het inspreken van teksten.

Lees artikel