PLOUMENEen halvering van het budget voor Nederlandse ontwikkelingsorganisaties na 2015. Dat is de belangrijkste conclusie uit de gisteren gepubliceerde Kamerbrief ‘Samenwerking met het maatschappelijk middenveld in een nieuwe context’ van minister Ploumen. Eindelijk is de brief er dan, waar de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties zo gespannen naar uitkeken. In een brief van 12 pagina’s geeft minister Ploumen van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking duidelijkheid over wat particuliere ontwikkelingsorganisaties vanaf 2016, het jaar dat MFS-2 eindigt, nog van de Nederlandse overheid kunnen verwachten. Interessante analyses Inhoudelijk staan er interessante analyses in de brief en is het een duidelijke stap vooruit in vergelijking tot de architectuur die oud-minister Koenders op tafel legde met de enorme regeldruk van MFS-2. Ook maakt de minister geld vrij voor directe financiering van zuidelijke NGO’s (15 miljoen euro per jaar) en innovatieve ideeën (10 miljoen per jaar). Daar tegenover staat dat er voortaan nog slechts 185 miljoen euro op jaarbasis beschikbaar is voor de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties, en dan nog wel in strategische partnerschappen waarvan Ploumen er maximaal 25 wil honoreren. Nu gaat er jaarlijks nog een bedrag van 385 miljoen euro naar de organisaties die geld ontvangen uit MFS-2. Dit bedrag wordt dus vanaf 2016 meer dan gehalveerd. Het wordt kortom met veel partijen eten uit een fors geslonken ruif. En nog even ter vergelijking: er gaat de komende jaren gemiddeld 250 miljoen euro per jaar naar het Dutch Good Growth Fund, het veelbesproken revolverende fonds. Dit lijkt nog eens duidelijk de prioriteiten van dit kabinet aan te geven. Met de mond wordt beleden dat ontwikkelingsorganisaties een belangrijke rol spelen, maar de financiële middelen van Rutte en Ploumen komen toch vooral ten goede aan het bedrijfsleven. Ploumen lijkt in de brief ook de enorme bezuiniging vanuit overheidswege te willen rechtvaardigen door te stellen dat de totale hoeveelheid middelen voor ontwikkeling die ook toegankelijk zijn voor maatschappelijke organisaties, de afgelopen 10 jaar meer dan verdubbeld zijn, onder andere door de toename van fondsen als de Gates Foundation en de Postcodeloterij. Onmisbare partner In haar brief schrijft Ploumen dat het kabinet hecht aan een sterke rol van maatschappelijke organisaties bij de verwezenlijking van de agenda voor hulp, handel en investeringen. Maatschappelijke organisaties zijn een onmisbare partner bij de uitvoering van het beleid op de thema’s voedselzekerheid, water, veiligheid en rechtsorde, SRGR, gender, klimaat en private sectorontwikkeling. Financiering van die functie gebeurt uit de thematische budgetten en het beleid daarvoor zet Ploumen naar eigen zeggen onveranderd voort. ‘De pleitende en beïnvloedende rol van het maatschappelijk middenveld wil ik versterken. Internationaal gezien krijgt die lobby- en advocacy rol relatief minder steun, terwijl die wel noodzakelijk is voor inclusieve en duurzame groei’, schrijft de minister. Het kabinet stelt daarom de volgende instrumenten beschikbaar om die pleitende en beïnvloedende rol te versterken: Ten eerste strategische partnerschappen met Nederlandse maatschappelijke organisaties. Ten tweede een accountability fund voor de directe financiering van lokale maatschappelijke organisaties. Ten derde een innovatiefonds voor de financiering van vernieuwende initiatieven van maatschappelijke organisaties en particulieren. Consultatieronde De afgelopen twee jaar hebben Ploumen en haar voorganger Ben Knapen in kaart gebracht hoe maatschappelijke organisaties zo effectief mogelijk kunnen worden ondersteund, en daarbij de vraag gesteld hoe de huidige financieringssystematiek daaraan kan worden aangepast. Samenvattend zijn er volgens Ploumen vier belangrijke conclusies en aanbevelingen uit dit uitgebreide consultatie- en onderzoeksproces gekomen: – Creëer flexibiliteit: Flexibiliteit om programma’s aan te passen, maar ook om tot verschillende samenwerkingsvormen te komen is essentieel voor effectieve actie; – Bouw aan vertrouwen: te sterke sturing en de daaraan gekoppelde controle belemmert innovatie; – Versterk de ‘advocacy’ rol: de toegevoegde waarde van maatschappelijke organisaties ligt vooral op het gebied van pleitbezorging en beïnvloeding; – Beperk de regeldruk: de grotere subsidiesystemen zoals MFS II leiden tot een (te) zware administratieve lastendruk. Een belangrijk uitgangspunt in de vormgeving van deze nieuwe instrumenten is de forse vermindering van de regeldruk, schrijft de minister. Wat is Ploumen nu concreet van plan. Er komt één beleidskader voor het bijbehorende subsidie instrumentarium. Het kader kent drie onderdelen: a. Strategische partnerschappen b. Het Accountability Fund (Rechtstreekse financiering van zuidelijke organisaties) c. De Innovatiefaciliteit a) Strategische partnerschappen Met een aantal Nederlandse maatschappelijke organisaties gaat het ministerie een strategisch partnerschap aan voor een periode van vijf jaar. Deze samenwerking dient –in de woorden van de minister- om het pleiten en beïnvloeden door maatschappelijke organisaties in lage- en middeninkomenslanden te versterken ten behoeve van duurzame inclusieve ontwikkeling. Het partnerschap karakteriseert zich door een flexibelere, meer inhoudelijke en strategische samenwerking dan tot nog toe gebruikelijk. En met minder administratieve lasten. ‘Binnen de agenda van hulp, handel en investeringen zijn er veel onderwerpen waarop de belangen van de Nederlandse overheid en van maatschappelijke organisaties overlappen of elkaar aanvullen. Vertrouwen en respect zijn voorwaarden om dergelijke samenwerking te laten slagen’, aldus Ploumen. In mei 2014 wordt het nadere (subsidie)beleidskader gepubliceerd, waarna geïnteresseerde organisaties zich kunnen aanmelden. Vervolgens start de selectie van partners. Ploumen wil komen tot een beperkt aantal partnerschapsovereenkomsten, maximaal 25. Eerst wordt de partnerselectie afgerond (fase 1), daarna komt de programmaformulering (fase 2). In aanmerking komen organisaties en allianties van organisaties die ‘strategisch kunnen opereren op het gebied van pleitbezorging, en die het vermogen hebben relevante beleidszaken binnen de agenda van hulp, handel en investeringen te agenderen en beïnvloeden.’ Ervaring in capaciteitsopbouw van maatschappelijke organisaties is een voorwaarde. ‘Specialisaties worden gewaardeerd, zoals specifieke ervaring op handels- en investeringsdossiers, of op terrein van conflictbeheersing en fragiliteit.’ Ploumen zal geen voorwaarden stellen ten aanzien van alliantievorming. De keuze om of alleen een voorstel in te dienen of als alliantie vindt ze een verantwoordelijkheid van de organisaties zelf. Opvallend aan de passages over de strategische partnerschappen in de brief is ook dat een beperkt deel van de subsidie wordt gereserveerd voor flexibele inzet voor activiteiten die aansluiten bij de (politieke) actualiteit tijdens de periode van het partnerschap. Daarbij kan volgens Ploumen bijvoorbeeld gedacht worden aan een door beide partners gewenste publiekscampagne die inspeelt op een onverwachte ontwikkeling op het terrein van internationale samenwerking. Hiermee draait de minister het beleid van haar partijgenoot Bert Koenders terug die ontwikkelingsorganisaties verbood om met publieke middelen nog campagnes te voeren. De strategische partnerschappen staan alleen open voor Nederlandse organisaties. Ploumen geeft daarvoor een aantal redenen. Ten eerste hebben Nederlandse organisaties volgens haar wereldwijd een goede reputatie. ‘Nederlandse maatschappelijke organisaties worden vooral gewaardeerd omdat zij meer dan anderen aansluiten bij de agenda van de lokale partners. Het lerend vermogen staat daarbij dikwijls voorop en zo wordt bijgedragen aan de versterking en zelfstandigheid van de lokale organisatie’, aldus de minister. De tweede reden is opmerkelijk. ‘Nederlandse NGO’s zijn als geen ander in staat mijn beleid kritisch te volgen en in te spelen op te actualiteit. Dat levert een “dialoog met gezonde tegenwind” op’, schrijft de minister. Ook hier een duidelijke trendbreuk met het kabinet Rutte-1 waar toenmalig minister Rosenthal, gesteund door de premier, vond dat maatschappelijke organisaties die overheidsfinanciering krijgen onze eigen overheid niet mochten bekritiseren. b) Accountability Fund De eerste bevindingen uit een IOB-studie naar directe financiering van zuidelijke organisaties wijzen volgens Ploumen uit dat organisaties in lage- en middeninkomenslanden directe financiering door Nederlandse ambassades waarderen, omdat deze ‘de eigen agenda en missie van de organisaties respecteert, flexibiliteit toont en omdat ambassades bereid zijn de gevoelige thema’s te financieren en de organisaties (soms politieke) steun te bieden.’ Op hun beurt hechten de ambassades aan de rol en positie van het maatschappelijk middenveld en ondersteunen hun countervailing power, schrijft de minister. Directe ondersteuning van lokale maatschappelijke organisaties via het zogenaamde Accountability Fund wordt daarom geïntensiveerd. Ploumen reserveert jaarlijks een bedrag van 15 miljoen euro voor deze directe financiering. Ambassades kunnen uit dit budget middelen inzetten om een bijdrage te leveren aan maatschappelijke organisaties in de landen waar zij ‘geaccrediteerd zijn om hun pleitende en beïnvloedende functie te versterken.’ Deze vorm van samenwerking heeft wederzijds voordeel, vindt Ploumen: voor de ambassade levert het contact nadere informatie op over de lokale processen die interessant kunnen zijn voor andere belanghebbenden en aanscherping van het Nederlands beleid. Een bijkomend voordeel is dat rechtstreekse financiering bureaucratie en overheadskosten tot een minimum beperkt. Wel vraagt deze vorm van financiering capaciteit van de ambassades, tekent de minister aan. Ze zal in de uitwerking kijken hoe ze die daarin kan ondersteunen. De mogelijkheden tot rechtstreekse financiering verschillen per land en hangen sterk af van de lokale context. In sommige landen is rechtstreekse steun aan plaatselijke organisaties niet wenselijk, omdat overheden dat beschouwen als inmenging in hun binnenlandse aangelegenheden, schrijft Ploumen. In andere gevallen geven plaatselijke organisaties wel de voorkeur aan steun via internationale of Nederlandse NGO’s, bijvoorbeeld omdat een dergelijke samenwerkingsrelatie meer bescherming biedt. c) Innovatiefaciliteit Innovatie is noodzakelijk voor een vitale samenleving, schrijft de minister. Vaak komt die innovatie uit onverwachte hoek. De informatierevolutie verbindt denkers uit verschillende sectoren die tot nu toe nauwelijks met elkaar in aanraking kwamen. Dit soort nieuwe ideeën verdient volgens haar een kans via steun vanuit de innovatiefaciliteit. Ook wil ze deze faciliteit gebruiken om al beproefde ideeën of projecten in een andere omgeving te gaan uitvoeren. De zichtbaarheid van de initiatieven is daarvoor van groot belang. De subsidies binnen deze faciliteit worden via een jaarlijkse ‘call for proposals’ toegewezen. Ploumen heeft vanaf 2016 10 miljoen per jaar beschikbaar voor deze innovatieve plannen. Organisaties die meedoen aan de strategische partnerschappen zijn uitgesloten van deze innovatiefaciliteit Overigen organisaties Ook gaat Ploumen nog in op de toekomst van een aantal particuliere ontwikkelingsorganisaties die niet onder MFS-2 vallen. Ze ziet geen reden om voor SNV na afloop van de huidige financiering eind 2015 nog een apart subsidiekader te hanteren. Wel kan SNV meedingen als partij in de toekomstige strategische partnerschappen of als partner bij thematische fondsen, bijvoorbeeld op het gebied van water, voedselzekerheid en klimaat. Verder wil ze de zelfstandige subsidierelatie met de NCDO beëindigen. Om de mogelijkheid te bieden aan de NCDO mee te dingen als partij in een van de strategische partnerschappen zal ze de huidige subsidieperiode met een jaar verlengen tot eind 2015. Voor de internationale afdelingen van de vakbonden geldt dat ze de toekomstige samenwerking meer wil richten op het terrein van private sectorontwikkeling en maatschappelijk verantwoord ondernemen. ‘Dat hoeft een toekomstige rol als partij in een strategisch partnerschap op het gebied van pleitbezorging en beïnvloeding overigens niet uit te sluiten’, aldus Ploumen.  

‘De allerarmsten worden niet geholpen. En dat kan wél.’

Door Marc van Dijk | 05 augustus 2020

Te vaak lanceren hulporganisaties projecten zonder eerst te praten met degenen om wie het gaat. Onderzoeker Anika Altaf sprak met de allerarmsten in Ethiopië, Benin en Bangladesh. Om hen te bereiken moet het roer om.

Lees artikel

Richt je niet alleen op laaghangend fruit

Door Marc Broere | 30 juli 2020

In zijn hoofdredactioneel commentaar in de nieuwe Vice Versa doet Marc Broere een oproep aan ontwikkelingsorganisaties om een extra mijl te lopen om ook de meest gemarginaliseerden in te sluiten in hun projecten. Onderzoeker Anika Altaf laat zien dat het kan.

Lees artikel

Column Eva Nakato: Van nadeel tot voordeel

Door Eva Nakato | 27 juli 2020

Wat vroeger in je leven als ‘ongepast’ werd gezien door je omgeving, blijkt vaak de sleutel tot succes in je latere leven te zijn. Ook voor onze columniste Eva Nakato. Vroeger werd ze soms gepest om haar zware stem, nu wordt ze juist hiervoor uitgekozen voor het spreken in het openbaar en het inspreken van teksten.

Lees artikel