Door:
Evert-Jan Brouwer

7 juni 2013

Categorieën

Tags

EJBVorige week publiceerde Jan Pronk zijn afscheidsbrief van de PvdA.Hoe verhoudt zijn brief zich tot het beleid van minister Ploumen en welke belangrijke waarschuwingen krijgt Ploumen mee van Pronk? Columnist Evert Jan Brouwer analyseert. Zeven maanden had hij nodig voor zijn besluit. 29 oktober presenteerden Rutte en Samsom hun regeerakkoord Bruggen Slaan. 28 mei publiceerde Jan Pronk zijn afscheidsbrief van de PvdA. Als je een halve eeuw actief partijlid bent geweest, beslis je dat niet op een achternamiddag. ’t Was een pittige brief. Rutte en Samsom werd heel wat aangewreven: ze zijn hoogmoedig, kortzichtig, arrogant en zelfgenoegzaam. Daarnaast verweet Pronk Samsom beginselverzaking. Hij had het beginsel van solidariteit, ook internationaal, opgeofferd aan een snelle uitruil tussen PvdA en VVD. Anders dan Stefan Verwer – tenzij hij zijn dreigement al in daad heeft omgezet – ben ik geen lid van de PvdA. Ik voel me niet geroepen de beginselvastheid van oud-minister Pronk of de PvdA te beoordelen. Wel wil ik graag Pronks afscheidsbrief leggen naast het nieuwe beleid van Minister Ploumen. Het gaat hier om kwesties die niet alleen voor PvdA’ers interessant zijn. VVD-politici, ISS-studenten en Vice Versa-lezers breken zich over dezelfde kwesties ook vaak het hoofd. En Pronk verdient het dat we serieus naar hem luisteren. Pronk heeft drie bezwaren tegen Ploumens beleid. Het kabinet: 1. Breekt met de fatsoensnorm van 0,7% BNP voor internationale herverdeling van de welvaart; 2. Richt zich teveel op landen en bevolkingsgroepen die al een redelijk bestaanspeil hebben bereikt, in plaats van op de allerarmsten; 3. Focust teveel op de markt, ten koste van de noodzakelijke aandacht voor maatschappij en overheid. Pronks bezwaren gaan terug op zijn visie op ontwikkelingssamenwerking: ‘Ontwikkelingssamenwerking dient, naar goed sociaaldemocratisch inzicht, vooral plaats te vinden op basis van solidariteit, en dan met name met landen en bevolkingsgroepen die in het proces van kapitalistische en geopolitieke globalisering buiten de boot vallen of zelfs systematisch worden weggedrukt.’ Als ik het goed lees, werken kapitalisme en geopolitieke globalisering per definitie uitsluiting in de hand. Ontwikkelingssamenwerking is daarop een morele correctie: vanuit solidariteit wordt de welvaart herverdeeld en krijgt de uitgesloten “onderklasse” compensatie. Pronk zegt niet wat het ideale eindplaatje dan is: iets minder ongelijkheid dan nu? Of echt gelijke welvaart voor iedereen op aarde? Of gelijke kansen? Je zou ook anders kunnen redeneren: ontwikkelingssamenwerking moet erop zijn gericht globalisering en marktwerking zo bij te sturen dat iedereen ervan meeprofiteert. Het is gemakkelijk Pronks brief af te doen als een staaltje neomarxistische klassenanalyse. Maar dan maken we ons er te snel vanaf. Pronk onderstreept terecht het motief van solidariteit. Niet onbelangrijk nu solidariteit in de politieke debatten bijna een taboewoord is geworden. Het is een veeg teken als de ellende in Mali of Syrië je niet raakt en niet aanzet tot actie. Actie vanaf het individuele niveau tot aan overheden die hun diplomatieke en financiële middelen aanwenden om de situatie te verbeteren. Solidariteit is een motief dat ook voorkomt in de nota van Ploumen. Zij beperkt dat echter tot mensen in extreme armoede. Daarvoor is traditionele hulp nog nodig. Voor alle mensen die zich niet in extreme armoede bevinden – maar ondertussen nog wel heel erg arm kunnen zijn – zijn handel en investeringen het middel om hun situatie te verbeteren. Daar domineert niet het solidariteitsmotief, maar het welbegrepen eigenbelang. Als iedereen uit welbegrepen eigenbelang handelt, worden allen er beter van. Die redenatie kon zo weggelopen zijn uit de beroemde ‘Fable of the Bees’ (1705) van de liberale filosoof en econoom Bernard Mandeville: ‘Bare Virtue can’t make Nations live in Splendor’. Laten we kort kijken wat minister Ploumen met Pronks stellingen kan. Stelling 1 – het breken met de fatsoensnorm van 0,7% Gelet op de frequente neiging eerst aan jezelf te denken, is het niet gek met jezelf een ondergrens af te spreken: wat heb ik minimaal voor mijn medemens over? Dat kun je ook als (internationale) gemeenschap doen. Daarbij gaat het om inzet van kennis, tijd, geld en andere middelen waar je niets voor terug hoeft te hebben. Alleen al vanuit de overweging dat niet alles wat je voor samen leven nodig hebt, in een economische transactie te vatten is. Terwijl Nederland nog in 2012 (!)  met andere EU lidstaten de ‘fatsoensbodem van 0,7%’ herbevestigde, is de redenatie nu: we geven nog steeds meer dan anderen. Je kunt van alles over de 0,7% norm zeggen, maar laten we het nu eens omdraaien: waar komen we als rijke landen straks, als we een paar jaar in de crisis zitten, op uit? Wanneer is de bodem van solidariteit bereikt? Hoe stel je dat trouwens vast als er over die bodem geen overeenstemming meer is? Hoe voorkomen we een internationale ‘race to the bottom’? Ik hoop dat Ploumen, met het hart dat ze voor de armen heeft, zich die vragen ook nog stelt. Stelling 2 – minder focus op de allerarmsten De discussie is al oud: of versterking van de middenklasse uiteindelijk de hele samenleving ten goede komt. Twee overwegingen zijn hier van belang. 1. De kloof tussen arm en rijk neemt toe, zowel in middeninkomenslanden als in lage inkomenslanden. 2. Als je er niet heel bewust op stuurt, komt veel ontwikkelingssamenwerking niet ten goede aan de allerarmsten. Ploumen zou, na lezing van Pronks brief, op twee dingen kunnen letten. 1. Zoveel mogelijk waarborgen dat de inzet voor private sectorversterking, en ook de inzet in middeninkomenslanden, vanaf dag één ook de armsten ten goede komt; 2. Voor zover dat niet rechtstreeks mogelijk is, scherp monitoren of het door de VVD veronderstelde ‘trickle down’ effect plaatsvindt. Stelling 3 – teveel aandacht voor de markt Deze stelling van Pronk is de meest aanvechtbare, vooral omdat Pronk zich hiermee eigenlijk afzet tegen de markt. Hij maakt bijna een tegenstelling tussen ontwikkelingssamenwerking en internationale handel. Hij had ook kunnen pleiten voor eerlijke handel – solidaire handel zou je kunnen zeggen. Ondertussen bezuinigt Ploumen fors op juist de steun aan overheden, ondanks redelijk positieve IOB evaluaties. En op de steun aan maatschappelijke organisaties en bewegingen, óók in het Zuiden, ondanks haar erkenning dat zij een fundamentele rol spelen bij het tot stand komen van open, democratische samenlevingen. De terechte vraag die Ploumen eigenlijk van Pronk meekrijgt, is of zij met haar beleid een goed samenspel bevordert tussen maatschappij, markt en overheid. De tijd zal het leren. Een baken in zee Watersporters en zeelieden weten het: op het water heb je een kompas nodig, maar ook bakens om niet vast te lopen. Pronks brief is wat mij betreft geen kompas voor het kabinetsbeleid, maar toch minstens een baken in zee.  Een heldere, knalrode boei die roergangster Ploumen wijst waar ze niet naar toe moet. Als ‘ie zo functioneert, heeft de afscheidsbrief toch nog zin gehad. Evert-Jan Brouwer, politiek adviseur Woord en Daad

Curaçao op een tweesprong

Door Ayaan Abukar | 15 november 2019

De vlucht uit Venezuela gaat soms per bootje, naar het dichtbije Curaçao. Daar leidt het tot vertwijfeling: de weerslag is xenofobie èn solidariteit, een tekort aan kennis, vrees bij de Venezolanen – en stilte vanuit Den Haag. ‘Zonder politiek leiderschap gaan verhalen een eigen leven leiden.’ Ayaan Abukar vloog erheen en ging in gesprek.

Lees artikel

Hoe de ziel uit de ngo-sector verdwijnt

Door Marc Broere | 13 november 2019

Ze behoren tot de pioniers en innovators van de milieubeweging en ontwikkelingssamenwerking in Nederland en vormden decennialang een spraakmakend duo. Hoewel ze volop genieten van hun pensioen, luiden Ron van Huizen en Hans Guijt de noodklok over een ontwikkeling die hen zorgen baart: raden van toezicht die ontwikkelingsorganisaties willen laten besturen alsof het bedrijven zijn. ‘Stop met de idiote doelstelling dat je altijd moet groeien.’

Lees artikel

Deugen de meeste mensen nu wel of niet?

Door Hans Beerends | 31 oktober 2019

Historicus Rutger Bregman stelt in zijn nieuwe boek dat de meeste mensen deugen, verwijzend naar de prehistorie. Daar staat volgens Hans Beerends tegenover dat veel deugende mensen zich ook gemakkelijk laten misleiden.

Lees artikel